taling ten onzent steeds als de authentieke te beschouwen is, is het opmerkelijk, hoe deze laatste in spelling en interpunctie van de eerste afwijkt, en hoe daarin te vele weglatingen van woorden hebben plaats gegrepen en te menigvuldige misstellingen zijn ingeslopen.
Niet alleen derhalve door in zijn geheel te volgen die eerste uitgave, welke toch vóór alles als de eenig officiële behoort geraadpleegd en toegepast te worden, maar ook door bijvoeging eener opgave van misstellingen in die tweede uitgave voorkomende, vermeenen zij eene onmiskenbaar nuttige uitbreiding aan het werkje gegeven te hebben; evenzeer als zij vertrouwen dat het in doelmatigheid zal hebben gewonnen door de meer volledige lijst van wetten en verordeningen.
Bescheiden bieden zij alzoo een en ander het regtsgeleerd publiek aan.
De derde uitgave van dit werkje vordert geene opzettelijke toelichting. Zij is gelijk aan de vorige en onderscheidt zich slechts hierdoor, dat nu ook de wetten van 25 Dec. 1860, Stbl. 102, 22 April 1864, Stbl. 29 en het Kon. besl. van 6 Aug. 1864, Stbl. 89 zijn opgenomen, terwijl de Lijst van speciale Strafverordeningen naar de op vele onderwerpen van wetgeving laatselijk aangebragte wijzigingen is herzien.
De zoon van den geachten, in Julij ll. overleden schrijver, die de beide eerste uitgaven bewerkte, heeft met behulp van diens nagelaten aanteekeningen op ons verzoek de zorg voor de rivisie der „Opgave” op zich genomen. Wij vertrouwen, dat zijn arbeid aan hare juistheid en volledigheid niet zal hebben geschaad.