Naar inhoud springen

Pagina:Wetboek van Strafregt. Code Pénal (1867).pdf/80

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
van het tuchthuis (van vijf tot tien jaren) medebrengt;
En tot eeuwigen dwangarbeid (tuchthuisstraf van minstens vijf en hoogstens twintig jaren), wanneer de misdaad ten opzigte van alle andere schuldigen de straffe van wegvoering naar een oord van ballingschap of van dwangarbeid voor een tijd (tuchthuisstraf van minstens vijf en hoogstens vijftien jaren) medebrengt.
Behalve in deze genoemde gevallen, zal de straf zonder verzwaring opgelegd worden.


Et aux travaux forcés à perpétuité, lorsque le crime emportera contre tout autre coupable la peine de la déportation ou celle des travaux forcés à temps.



Au-delà des cas qui viennent, d'être exprimés, la peine commune sera appliquée sans aggravation.
Wet op de
Regt. Org.
en het Bel.
der Justitie.
Art. 11. In het arrest, bij hetwelk eenig lid van de regterlijke magt tot eene lijf- of onteerende straf wordt veroordeeld, zal tevens dezelfs afzetting worden uitgedrukt.
Art. 12. Elk raadsheer, regter of griffier, die tot eene correctionele gevangenisstraf mogt zijn veroordeeld, kan, op requisitoir van den procureur-generaal, door den hoogen raad worden ontzet, na in zijne belangen te zijn gehoord.
— — — Indien een ambtenaar van het openbaar ministerie zich in een der gevallen van dit artikel mogt bevinden, zal deszelfs ontzetting, nadat de hooge raad daaromtrent zal zijn gehoord, door den koning kunnen gedaan worden.
Wet op het
notarisambt
9 Julij 1842,
Stbl. 20.
Art. 51. In het arrest, bij hetwelk een notaris tot eene criminele straf wordt veroordeeld, zal tevens deszelfs afzetting worden uitgesproken.
Elk notaris, die tot eene correctionele gevangenisstraf mogt zijn veroordeeld, kan, op requisitoir van het openbaar ministerie, na in zijne belangen te zijn gehoord, door de regtbank van zijne bediening worden ontzet.
(Zie ook art. 10, wet 30 April 1815, Stbl. 33; — art. 12, wet 29 Sept. 1815, Stbl. 47; — ook ad art. 217.)


DERDE AFDEELING.

SECTION III.

Van verstoring der openbare orde door kerkelijken in de waarneming van hunne dienst.

Des troubles apportés à l'ordre public par les ministres des cultes dans l'exercice de leur ministère.

§ 1.

§ 1.

Van overtredingen, die den burgerlijken staat 1) der personen in gevaar zouden kunnen brengen.

Des contraventions propres à compromettre l'état civil des personnes.

199. Alle geestelijke of kerkleeraar 199. Tout ministre d'un culte