Deze pagina is proefgelezen
| ting van twee tot vijf jaren, bijaldien deze opzetting geenerlei gevolg heeft gehad, en met uitbanning, zoo zij werkelijk ongehoorzaamheid, doch geene die tot oproer of opstand is overgegaan, bewerkt heeft. | ans, si la provocation n'a été suivie d'aucun effet ; et du bannissement, si elle a donné lieu à désobéissance, autre toutefois que celle qui aurait dégénéré en sédition ou révolte. |
| Wet 16 Mei 1829, Stbl. 34. | houdende aanvulling van eenige gapingen in het Wetboek van Strafregt. Art. 1. Onverminderd de bepalingen van art. 60 van het Wetboek van Strafregt en in al de gevallen bij dat Wetboek niet uitdrukkelijk voorzien, zal als medepligtige van eene begane misdaad of misdrijf worden beschouwd, degeen, die, hetzij door aanspraken in het openbaar ten aanhoore van eene verzameling van personen gehouden, hetzij door plakschriften, hetzij door gedrukte of ongedrukte en verkochte of verspreide geschriften, de burgers en ingezetenen zal hebben opgeruid om eene misdaad of misdrijf te begaan. Dezelfde bepaling is mede toepasselijk, in geval ten gevolge der opruijing slechts eene poging van misdaad of misdrijf, overeenkomstig art. 2 en 3 van het Wetboek op het Strafregt heeft plaats gehad. Indien de opruijing geen gevolg hoegenaamd heeft gehad, zal dezelve worden gestraft met eene geldvoete van 50 tot 100 gulden, of in geval van verzwarende omstandigheden met eene gevangenis welke den tijd van zes maanden niet zal kunnen te boven gaan. (Zie verder art. 5 en 6 dezer wet en wet 1 Junij 1830 ad art. 367; ook artt. 102, 217.) |
| 203. Wanneer er een oproer of opstand uit gevolgd is, waarvan de aard eene zwaarder straf dan van uitbanning tegen een of meer der schuldigen doet plaats grijpen, zal deze laatste straf, hoedanig zij dan ook wezen mag, aan den kerkelijke, die zich aan de opzetting schuldig gemaakt heeft, opgelegd worden. | 203. Lorsque la provocation aura été suivie d'une sédition ou révolte dont la nature donnera lieu contre l'un ou plusieurs des coupables à une peine plus forte que celle du bannissement, cette peine, quelle qu'elle soit, sera appliquée au ministre coupable de la provocation. |
§ 3. |
§ 3. |
|
Van berispingen, bestraffingen of opzettingen, die tegen het openbaar gezag gerigt worden, bij een herderlijk geschrift. |
Des [critiques], censures ou provocations dirigées contre l'autorité publique dans un écrit pastoral. |
|
| 204. Alle geschrift, herderlijke onderwijzingen behelzende, in welke voege dit zijn moge, en waarin een geestelijke of kerkelijke van eenig Godsdienst-genootschap, zich aangematigd zal hebben, | 204. Tout écrit contenant des instructions pastorales, en quelque forme que ce soit, et dans lequel un ministre de culte se sera ingéré de critiquer ou |