Deze pagina is proefgelezen
| zich in openbare ambten of posten, hetzij burgerlijke of krijgsbedieningen, gestoken zal hebben [1]), zal gestraft worden met een gevangenzetting van twee tot vijf jaren, onverminderd de straf van valschheid, bijaldien de daad het kenmerk dezer misdaad met zich brengt. | se sera immiscé dans des fonctions publiques, civiles, ou militaires, ou aura fait les actes d'une de ces fonctions, sera puni d'un emprisonnement de deux à cinq ans, sans préjudice de la peine de faux, si l'acte porte le caractère de ce crime. |
| Wet 12 April 1850, Stbl. 15. |
— tot vaststelling van het briefport en tot regeling der aangelegenheden van de brievenposterij. Art. 25. Niemand, behalve de ambtenaren of personen in dienst der post-administratie, en deze alleen ten behoeve van den Staat, vermag zich te belasten of in te laten met de overbrenging, tegen genot van vracht, van brieven of paketten, papieren bevattende, tusschen de eene plaats en de andere; op wegen, of in rigtingen waar eene brievenpost bestaat, of waar door de administratie gelegenheid tot het verzenden of ontvangen van brieven gegeven wordt; noch ook in eenige gemeente, waar eene postinrigting bestaat, brieven van anderen ter verzending aannemen, bijeenverzamelen of bestellen, — op eene boete van ƒ 10 tot ƒ 100 voor de eerste en van ƒ100 tot ƒ300 voor elke volgende overtreding; of wel, in geval van wanbetaling, op straf eener gevangenis van drie tot zeven dagen in het eerste, en van zeven tot veertien dagen in het tweede geval. De ondernemers van spoorwegen, postwagens, diligences, omnibussen, vrachtwagens of vrachtkarren, stoombooten, veerschepen of veerschuiten, en in het algemeen van alle openbare middelen van vervoer, mitsgaders voetboden of commissionairs op vaste of vooraf aangekondigde tijdstippen vertrekkende, worden, in geval van overtreding, in het dubbel der hierboven bepaalde straffen verwezen. Alle vervoer enz. Zie art. 7, Wet 5 Julij 1855, Stbl. 61, tot wijziging van sommige bepalingen der wet 12 April 1850, Stbl. 15. |
| 259. Al wie openlijk een kleed van onderscheiding (kostuum), uniform, of een eerteeken gedragen zal hebben, dat hem niet toekomt of zich titels aangematigd zal hebben, waarover de Keizer beschikt, die hem niet wettig toegekend zijn, zal gestraft worden met gevangenzetting (van zes maanden tot twee jaren [2]). | 259. Toute personne qui aura publiquement porté un costume, un uniforme ou une décoration qui ne lui appartenait pas, ou qui se sera attribué des titres impériaux qui ne lui auraient pas été légalement conférés, sera punie d'un emprisonnement de six mois à deux ans. |
| (Zie Kon. Besluit 26 Januarij 1822, Stbl. 1, betreffende de |