Het groote en voorname voordeel dat uit de invoering van het socialisme zoû voortkomen, is buiten twijfel: dat het socialisme ons ontheffen zoû van die onverkwikkelijke noodzakelijkheid om voor anderen te leven, welke bij den tegenwoordigen staat van zaken bijna iedereen onder haar zoo meêdoogenloozen druk houdt. Inderdaad, zoo goed als niemand ontsnapt haar.
Van tijd tot tijd in den loop der eeuw is het een groot geleerde als Darwin, een groot dichter als Keats, een schoonen kritischen geest als Renan, een opperst kunstenaar als Flaubert gelukt zich volkomen af te zonderen, zich buiten bereik te houden van de luidruchtige eischen der andere menschen, te staan "onder de dekking van den wand," zooals Platoon het uitdrukt, en op die manier de vervolmaking tot stand te brengen van wat in hem was, tot zijn eigen onvergelijkelijke winst en tot de onvergelijkelijke en duurzame winst der geheele wereld. Dit zijn echter uitzonderingen. Het meerendeel der menschen bederven hun leven met een ongezond en overdreven altruisme, of liever worden gedwongen het in die richting te bederven. Zij vinden zich omringd door afzichtelijke armoede, wanstaltigheid, hongersnood. Onvermijdelijk moeten zij door dit alles diep worden aangedaan. De gevoelsaandoeningen van den mensch worden schielijker in beweging gezet dan zijn verstandswerkingen, en zooals ik vóor eenigen tijd betoogde in een artikel over de werking der critiek: het is veel gemakkelijker eensgevoelig te zijn met lijden dan met de gedachte. Dienovereenkomstig nemen zij, met bewonderens-