mij aangestoken lijken met denkbeelden, zooal niet van daadwerkelijken dwang, dan toch van gezagmatigheid. Nu vallen natuurlijk gezagmatigheid en dwang buiten bespreking. Elke menschenbond behoort geheel vrijwillig te zijn. Alleen in een vrijwilligen bond komt de menschheid schoon tot haar recht.
Maar men zoû kunnen vragen, hoe het individualisme, dat nu voor zijn ontwikkeling min of meer afhankelijk is van het bestaan van den bijzonderen eigendom, voordeel zal kunnen hebben bij de afschaffing van den bijzonderen eigendom. Het antwoord is heel eenvoudig. Het is waar, dat onder de nu heerschende voorwaarden eenige enkele menschen die een eigen vermogen hadden, als Byron, Shelley, Browning, Victor Hugo, Baudelaire en anderen, in staat zijn geweest hun persoonlijkheid min of meer volkomen te verwerkelijken. Niemand van hen heeft ooit een enkelen dag gewerkt voor loon. Zij waren gevrijwaard voor armoede. Zij hadden een onberekenbaar gunstige positie. De vraag is dus of het in het voordeel van het individualisme zoû wezen, indien zulk een gunstige kans zoû zijn weggenomen. Laat ons dat dan een oogenblik veronderstellen, en nagaan wat het gevolg zoû zijn voor het individualisme en hoe het er voordeel van zoû kunnen trekken.
Welnu, onder de nieuwe voorwaarden zal het individualisme verreweg vrijer, veel mooier, en oneindig intenser kunnen zijn dan tegenwoordig. Ik spreek nu niet van het hooge, in de verbeelding verwerkelijkte individualisme als van de dichters die ik zooeven vermeldde, maar van het breede daadwerkelijke individualisme, waarvan de mogelijkheid schuilt in het menschdom in het algemeen. Want de erkenning van den bijzonderen eigendom heeft in werkelijkheid het individualisme geschaad en verduisterd, doordat men den mensch is gaan