kennis. Zij zal in het bezit zijn van de wijsheid. Haar waarde zal niet gemeten worden naar materiëelen maatstaf. Zij zal niets bezitten. En toch zal alles het hare zijn, en wat men haar ook ontneemt, haar rijkdom zal onvervreemdbaar blijken. Zij zal zich niet voortdurend bemoeien met anderen, of dien anderen vragen aan haar gelijk te zijn. Zij zal hen liefhebben om hun verscheidenheid. En toch, al zal zij zich niet met de anderen bemoeien, zij zal allen steunen en helpen, zooals iets schoons ons helpt door te zijn wat het is. De persoonlijkheid des menschen' zal wonderwerkend zijn, even wonderwerkend als de persoonlijkheid eens kinds.
In hare ontwikkeling zal zij bijgestaan worden door het Christendom, als de menschen het verlangen; maar mochten de menschen dat niet begeeren, dan zal zij zich daarom niet minder ontwikkelen. Want zij zal niet tobben over het verleden, en zich niet bezorgd maken of bepaalde dingen werkelijk gebeurd zijn of niet. Ook zal zij geen wetten dulden dan haar eigen wetten, en geen gezag dan haar eigen gezag. Maar wel zal zij diegenen beminnen, die haar trachtten op te kweeken en te versterken. En van dezen is Christus éen geweest.
"Ken u-zelf," stond geschreven boven de poorten der oude wereld. Boven die der nieuwe wereld zal men schrijven: "Wees u-zelf." En ook de boodschap van Christus aan den mensch was eenvoudig: "Wees u-zelf." Dat is de geheimspreuk van Christus.
Wanneer Christus van de armen spreekt, bedoelt hij eenvoudig persoonlijkheden, zooals hij met de rijken van wie hij spreekt, enkel menschen aanduidt, die hun persoonlijkheden nog niet hebben ontwikkeld. Jezus bewoog zich in een gemeenschap,