te vermaken wanneer het zich bezwaard gevoelt door een te rijkelijk maal, zijn gedachten te verstrooien als het beu is van zijn eigen stompzinnigheid. Maar de kunst behoort nooit naar populariteit te streven. Het publiek behoort te trachten zelf kunstzinnig te worden. Dat maakt een groot verschil. Indien men een wetenschappelijk man zoû aanzeggen dat de uitkomsten zijner onderzoekingen en de gevolgtrekkingen waar hij toe komt, van dien aard behoorden te zijn, dat zij de eenmaal aangenomen volksbegrippen dienaangaande niet zoûden omverwerpen, of het volksvooroordeel niet aantasten, of de gevoeligheden niet kwetsen van menschen die niets van de wetenschap afwisten; of indien men bij een wijsgeer met het verhaal aankwam dat hij volkomen vrijheid had in de hoogste sferen der gedachte zijn stelselen op te bouwen, op voorwaarde dat hij tot dezelfde uitkomsten geraken zoû als die gelden bij hen die nooit in eenige sfeer hebben nagedacht, dan geloof ik dat tegenwoordig de man der wetenschap en de wijsgeer daar hartelijk om zoûden lachen. Toch is het nog niet eens zooveel jaren geleden dat zoowel wijsbegeerte als wetenschap onderworpen waren aan een bruut-optredend toezicht van het publiek, met andere woorden aan gezag: gezag van de heerschende onwetendheid der gemeenschap, gezag van de vrees en machtzucht van een of andere kerkelijke of regeerende klasse. Als elk weet, zijn wij thans grootendeels gevrijwaard voor elken aanslag van de zijde van gemeenschap, kerk of regeering om het individualisme der speculatieve gedachte te hinderen, maar de zucht om het individualisme der verbeeldingskrachtige kunst te dwarsboomen hangt nog steeds in de lucht. Of liever, zij gaat verder, zij treedt aanvallend, beleedigend en bruut-hinderlijk op.
De kunsten die er in Engeland het best zijn