van doen te hebben. Wel was het een paus, die tot een conclave van kardinalen van Cellini zeide, dat gemeene wetten en gemeen gezag niet bedoeld waren voor menschen als hij, maar het was ook een paus, die denzelfden Cellini in de gevangenis wierp en hem daar hield tot hij ziek werd van machtelooze woede, en zich onwezenlijke vizioenen schiep, en droomde dat de gulden zon binnenkwam in zijn cel, en zoo verliefd op haar werd dat hij trachtte te ontsnappen en kroop van ringmuur naar ringmuur, en viel door de duizelige morgenlucht en zich verminkte, en na vele avonturen weêr gevangen genomen werd, totdat het eindelijk aan een beminnaar der schoonheid gelukte hem te bevrijden en in zijn hoede te nemen. Daar schuilt gevaar in pausen. En wat zal ik zeggen van het volk en zijn gezag? Daar is misschien al meer over gezegd dan goed is. Volksgezag is blind, doof, wanschapen, noodlottig, vermakelijk, aandoenlijk en liederlijk tegelijkertijd. Het is den kunstenaar onmogelijk met het volk te leven. Alle despoten doen aan omkooperij, maar het volk koopt om en schent meteen. Wie leerde hun gezag te willen oefenen? Zij waren geschapen om te leven, te luisteren en lief te hebben. De een of ander heeft hun groot kwaad berokkend. Zij hebben zich-zelf verdorven door hun minderen na te apen. Zij hebben den staf van den vorst genomen. Hoe zoûden zij daarmeê kunnen omgaan? Zij hebben de drievoudige tiara van den paus genomen. Hoe zoûden zij haar last kunnen torsen? Zij zijn als een clown met een gebroken hart. Als een priester met een nog ongeboren ziel. Laat al wie de schoonheid beminnen, medelijden met hen hebben. En hoewel zij zelf de schoonheid niet beminnen, laat hen medelijden hebben met zich-zelven. Wie onderwees hun het spelletje der tyrannie?
Daar zijn nog veel andere feiten waarop ik de