Pagina:Winkler-Zand en duinen (1865).djvu/134

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

122

DE DUINKEVER. DE MEIKEVER.

genoemden, hoeveel rupsen leven er op de bladeren der planten, hoeveel larven in den bodem, hoeveel nachtvlinders schuilen bij dag weg in het gebladerte? Het zijn dus slechts de meest in het oog vallenden, het kunnen slechts de meest voorkomenden zijn waarop wij hier onze aandacht zullen vestigen. Wij beginnen met den bonten duinkever, Scarabaeus of Melolantha fullo, ook julijkever geheeten, die in het voorjaar en in den zomer zeer talrijk op onze duinen voorkomt. Hij gelijkt veel op den gewonen meikever, doch heeft geen uitstekende punt aan het achterlijf gelijk deze. Hij is zwart of donkerbruin van kleur en geheel bedekt met vlekjes van witte schubbetjes, waardoor hij er als met schimmel bedekt uitziet. De borst is met lange grijze haren bedekt, en ook de buik is behaard. De larve schijnt van de wortelen van den helm te leven.

Ook de gewone meikever, Melolontha vulgaris, komt op onze duinen voor, maar is een overal in ons land voorkomend insekt en behoeft dus hier niet opzettelijk beschreven te worden.

Niet zelden ziet men op de duinen het gele lievenheersbeestje met 22 stippen, Coccinella viginti-duo-punctata, en het roode lievenheersbeestje met 7 stippen, Coccinella septempunctata. Het eerste heeft gele dekschilden, en daarop het bovengenoemde getal zwarte vlekjes. Het tweede, in Friesland koffijengeltje geheeten, is eene der grootste soorten van de 32 soorten van lievenheersbeestjes die volgens den heer Snellen van Vollenhoven in ons land leven. Dit diertje is zwart met roode dekschilden,