Naar inhoud springen

Provinciale Noordbrabantsche en 's-Hertogenbossche Courant/Jaargang 159/Nummer 139/Een onderhoud met Jeroen Bosch

Uit Wikisource
‘Een onderhoud met Jeroen Bosch’ door Vincent Cleerdin
Afkomstig uit de Provinciale Noordbrabantsche en 's-Hertogenbossche Courant, maandag 16 juni 1930, derde blad, [p. 1]. Publiek domein.

[ derde blad, 1 ]Een onderhoud met Jeroen Bosch

Aan spoken geloof ik niet. ’t Gebeurt me vaak, dat ik in het duister van avond of nacht langs een kerkhof kom: nog nimmer heb ik dan de rilling gevoeld, die sommige romanschrijvers als een onvermijdelijke gewaarwording bij zulk een gelegenheid schetsen. Integendeel, wanneer ik bij een kerkhof ben, komen vriendelijke en goede gedachten in mij op. Zou ik van al die uitgestreden menschen iets kwaads te duchten hebben? Zouden zij niet veeleer mij tegen booze bedoelingen beschermen, — zij, die met de vergankelijkheid eigenlijk reeds hebben afgerekend en die enkel langs den weg van waarheid, goedheid en schoonheid hun verheerlijking konden bereiken?
Neen, aan spoken geloof ik niet. Maar wèl aan de aanwezigheid-rondom-ons van — ik weet niet hoe in het noemen moet — een zekere nastraling van het licht dat in het lichaam van ieder onzer voorzaten gebrand heeft. Uit het verleden spreken stemmen tot ons. Onze plannen en gedachten worden soms op een geheimzinnige wijze verlicht door een wezen, dat niet onze engelbewaarder is: een bloedverwant, een vriend, een vriendin, een voorganger, die reeds geruimen tijd voorgoed te ruste is gegaan.
Verbeelding?
Goed, noem het zoo. Noem dan ook de weerspiegeling van het licht in een waterdruppel verbeelding. Noem het dan ook verbeelding, wanneer wij midden in de stad, waar geen boom te bekennen is, de geuren ruiken van bloemen of bloeiende linden ergens in een onzichtbaren tuin.
Ik zal dit onderwerp niet uitputten.
Wáár licht de grens tusschen verbeelding en werkelijkheid?

*

Wat ik hier vertellen ga, zal wel verbeelding zijn.
Natuurlijk.
Hoe zou ik kunnen spreken met iemand, die in het jaar 1516 plechtig ten grave gedragen is door zijn medebroeders van de Illustre Lieve Vrouwe-broederschap.
Doch waar ligt de grens alweer tusschen deze verbeelding en de werkelijkheid?
Het licht, dat gebrand heeft in het lichaam van dien man, dien meester, dien Jeroen Bosch is niet gansch-en-al uitgebrand.
Zijn werk leeft nog: honderd sohilderijen, tal van teekeningen en schetsen trekken kijkers en bewonderaars. Trekken, ja. In Berlijn, in Weenen, in Parijs heb ik dat zelf gevoeld. Een geheimzinnige kracht trok mij naar die paneelen of papieren. Ik ken ook anderen, die niet onverschillig langs werk van Jeroen Bosch kunnen stappen. Ik ken iemand, die steeds de prenten van Jeroen’s werken op zijn schrijftafel heeft liggen en elken dag ernaar kijkt.
Is dat een geheimzinnige macht of niet?
Zeg het maar; ik luister.
Diezelfde geheimzinnige macht heeft mij meermalen aangeraakt[.]
Dezer dagen was het me, of ik Jeroen Bosch in levenden lijve vóór mij staan zag: een magere figuur van middelmatige grootte, in leeren wambuis, waarboven het kleine hoofd, zwaar gerimpeld, in een krans van grijze haren, rechtop, met een tinteling van geest in de grijs-blauwe oogen.
Dat kon niemand anders wezen dan Jeroen Bosch.
Hij stond onder de lindeboomen op de Parade te kijken naar de kathedraal.
Zou het niet dwaas geweest zijn, wanneer ik hem niet aangesproken had?
— Meester! zei ik.
Tot mijn verwondering kende Jeroen mij terstond. Hij stak me zijn knokige hand toe:
— Gij hebt al zoo vaak voor mijn arbeid gestaan, — zei hij vriendelijk en zacht, — gij hebt over mij gesproken en geschreven; ik dacht wel, dat wij elkander ooit ontmoeten zouden.
Hij keek langs de bogen, beelden en nissen van het kerkgebouw. Een glimlach speelde om zijn lippen.
— ’t Is er niet mooier op geworden sinds mijn tijd, fluisterde hij. Gelukkig dat mijn vriend Alard van Hameel niet bij ons is.
— Er is veel gebeurd, vergoelijkte ik.
— En veel verknoeid, zuchtte Jeroen.
— Wij zijn blij met wat er over bleef, verzekerde ik.
— Iedereen spreekt over vooruitgang, zei Jeroen, — waar zit die toch?
Juist reden drie auto’s met jonge menschen voorbij.
Ik maakte een gebaar als om te zeggen:
— Daar rijdt wat van den vooruitgang.
Jeroen maakte een afwerend gebaar.
— Wij begrijpen elkaar niet, geloof ik.
Het kwartierspel van den beiaard onderbrak ons gesprek.
— En dàt, zei ik, naar boven wijzend.
Jeroen luisterde met zichtbaar welgevallen.
— Nu begrijpen wij elkaar.

*

Aanvankelijk twijfelde ik of Jeroen wel te vinden zou zijn voor een wandeling, zoo vroeg in den ochtend.
— Vroeg? lachte hij. Negen uur, vroeg? In onzen tijd hadden we dan al enkele uren arbeid achter den rug.
— Dan gaan we naar de stadstaveerne, stelde ik voor.
— Van ouds bekend, zei Jeroen. Wij, oude Bosschenaars van de vijftiende en zestiende eeuw, hebben er veel pleizier in gehad, dat de kelders van het stadhuis aan zijn bestemming hergeven werd. Enkel hebben wij ons afgevraagd, of de bezoekers zich thuis gevoelen zouden, in die ondergrondsche ruimte......
— Wacht maar eens, zei ik. Gij kunt zelf zien.
Opeens bleef Jeroen in de kerkstraat staan. Hij keek naar boerinnen, die de Woensdagsche markt gingen bezoeken. Hij keek en lachte.
— Is dat ook al vooruitgang? vroeg hij.
Hij wees naar de hoofddeksels van de boerinnen: hoedjes met veertjes.
— Het Brabantsche landvolk verliest de uiterlijke teekenen van zijn karakter, verklaarde ik.
— Als het karakter zelf dan maar niet meegaat, zei Jeroen. Op zoo’n blozend boerinnenhoofd behoort een muts, een mooie hagelwitte muts met poffers en linten.
— Wanneer gij straks midden op de markt komt te staan, kunt gij de boeren en boerinnen dagelijks herinneren aan hun karakter. De gemeenteraad moest op het voetstuk van uw standbeeld laten beitelen:

„Schijn wat gij zijt,
Wees wat gij schijnt”.

— Dat zouden niet enkel de boeren en boerinnen, maar ook de stadsmenschen in hun zak kunnen steken.
We waren door de drukte van de markt gekomen bij het stadhuis.
— Eerst even naar boven gaan? vroeg ik.
— Dat houd ik te goed, zei Jeroen, maar meteen glansde een jeugdige vreugde uit de oude oogen.
Vertrouwelijk legde hij de linkerhand op mijn schouder:
— Wat een pit in dien kleinen tengeren man van daarboven, zei Jeroen. Een artiest staat van nature eenigszins vijandig tegenover een koopman, — maar deze is in staat een kunstenaar mild en dankbaar te stemmen. Wat hij voor mijn naam en mijn arbeid gedaan heeft, is toch enkel en alleen aan idealisme en patriottisme te danken, nietwaar? Wat heeft hij in mijn arbeid gezien? Wat heeft hij in mijn stem gehoord? Hü zag den naglans, hij hoorde den naklank van Brabant’s geest in de middeleeuwen. Mijn vriend Alard van Hameel bouwde de kathedraal, ik sierde haar, en wat wij bouwden en schilderden, sproot niet enkel uit onze eigen ziel: wij vertolkten het diepste geestesleven van onzen tijd, wij spraken uit wat de besten van ons geslacht dachten of droomden. Gij herinnert u wat de proloog van de „Sevenste bliscap” zei:

Wi doen ’t uut minnen,
Ter eeren der stad
En sonder envye....

Dat was ook óns parool.

*

— Zouden we niet afdalen? vroeg ik.
Jeroen ging de trap af, die naar de stadstaveerne leidt.
Wij waren de eenige bezoekers. Er werd door den waard en zijn helpers gearbeid voor de komende drukte van den marktdag.
Jeroen zei niets.
Aan zijn gelaatstrekken zag ik, dat hij zich hier thuis gevoelde.
Hij bekeek de wanden, de versieringen, de schilderijen. Nu en dan knikte hij goedkeurend. Bij Moerkerk’s „Carnaval” bleef hij even stilstaan.
— Oud-’s-Hertogenbosch! lachte hij. Daar heb ik in mijn tijd óók aan meegedaan.
— Sst! sst! fluisterde ik. Dat bestaat niet meer.
Jeroen keek verbaasd.
— Hebt gijzelf in uw tijd niet tegen de uitwassen van volksfeesten gestreden? vroeg ik.
— Dat deed ik. Dat zou ik nog doen.... Maar een snoeier kapt toch geen boom af, — enkel de kwade takken.... Wanneer ieder mensch om zijn fouten of ondeugden gedood werd, dan zou de aarde leeg zijn, het stadhuis en de kerk, de woning en de winkel....
Een der knapen van den waard bracht ons geurige, dampende koffie.
— Ik wou niet gaan zitten, weerde Jeroen af.
— Dan staandebeens, verzocht ik. Ik wilde graag nog wat praten.
— Maak het kort, zei Jeroen.
— Ik wilde nog iets hooren over uw werken. Het heeft mij getroffen, dat gij zoo vaak branden geschilderd hebt als hellevuren. Was uw geest inderdaad steeds vervuld van die vreeselijke visioenen?
— Vriend, zei Jeroen, lees de geschiedenis van mijn tijd. De eene brand volgde den anderen op. Mijn oogen hebben die hellevuren aanschouwd in deze stad en in hare omgeving. Is ’t wonder, dat ik de heugenis eraan neerbrandde op mijn paneelen?
— Was uw aard zoo somber?
— De kunstgeleerden beweren het. Misschien hebben zij gelijk. Maar niet ieder die een treurspel vertolkt, is een somber mensch! Ik heb de droefenissen van het aardsche leven gepeild, doch óók de vreugden. Ik heb het leven liefgehad. O! ik heb ervan gehouden, zóó fel, zóó hevig, dat ik spijt had, toen ik het aan onzen lieven Heer teruggeven moest. Kent gij mijn schildering van het paradijs? Zij hangt in Madrid.... Zóó had de aarde kunnen blijven: in een lusthof vol geneuchten voor oog en oor en mond gaf God aan den man de weelde van een vrouw.... Wat hebben de menschen van deze aarde gemaakt? Het antwoord daarop heb ik gegeven in sommige van mijn werken, die als klaagzangen zijn.
— Gij hebt de menschen soms raar toegetakeld! waagde ik te zeggen. Uw spookvisioenen....
— Gelooft gij aan spoken? vroeg Jeroen.
— Welneen!
— Ik heb er óók niet aan geloofd, zei hij.
— Waarom hebt gij dan zoo vaak en zoo veel spoken geteekend en geschilderd?
— Omdat de meeste menschen van mijn tijd wèl aan spoken geloofden. En ook omdat feitelijk wèl spoken bestaan.... in de menschen zelf. Hun verkeerde driften, hun verkeerde hartstochten heb ik getoond in spookgestalten. Trots en ijdelheid, hebzucht en begeerlijkheid, gulzigheid en onmatigheid, — alle zonden en hoofdzonden heb ik laten zien in haar ware gedaante: bespottelijk of schrikwekkend, verachtelijk of misdadig....
— „Uut minnen”....?
— Ja, zeker uit liefde jegens de menschen en jegens de aarde. Liefde is de levensbron van de kunst....
— En van de gansche maatschappij.
— Hoe zal uw Geest zich gevoelen, meester, wanneer uw beeltenis midden in deze stad staat?
Gelukkig, antwoordde Jeroen, wanneer waarachtige liefde voor leven en arbeid de Bosschenaars, de Brabanders leidt en beheerscht.

*

Ik gevoelde een handdruk. Meteen stond ik alleen.
„Omdat de wereld is zoo ongetrouw,
Daarom ga ik in den rouw,”
heeft Jeroen’s leerling Pieter Breughel onder een figuur van een kluizenaar geschreven.
De meester zal op Dinsdag 17 Juni 1930 ondervinden, dat niet de gansche wereld ongetrouw is....
Méér dan vier eeuwen na zijn afscheid van deze aarde keert hij in ons midden weer als getuige van Brabant’s grootsch verleden:

Brabant groeit weer,
Brabant bloeit weer....

VINCENT CLEERDIN.