Naar inhoud springen

Reize naar Surinamen en Guiana/Derde brief

Uit Wikisource
TWEEDE BRIEF Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana (1800) , vertaald door Johannes Allart

DERDE BRIEF

VIERDE BRIEF
Uitgegeven in Amsterdam door Johannes Allart.

[ 116 ]



DERDE BRIEF.

Van het planten en aankweeken van Koffy, en van de noodige levensmiddelen tot onderhoud van de Planters; van het oogsten en bewerken der Koffy; van de gebouwen, en verdere noodzakelyke inrigtingen tot eene groote Koffy-Plantagie, volgens het gebruik der Hollandsche Volkplantingen in Guiana.


Ik heb nu de manier ontvouwd van het droogmaken van een stuk grond, het inrichten van de grachten en uitwaterende sluisen, en het toemaken van het land, het welk voor deezen verdronken land was, ten einde daar van zoodanige Plantagie te maken, als men geraden zal oordeelen aldaar te vestigen. Ik zal voorönderstellen, dat het koffy-boomen zyn, welken gy voornemens zyt op uw land voort te teelen; het onderwerp van deezen brief zal derhalven bestaan in u opzettelyk de middelen aan te wyzen, waar door men zulk eene Plantagie kan aanleggen, mits 'er de behoorlyke zorge toe aanwendende.

Na dat de doorsnydingen of kleine grachten tot afscheiding der bedden gemaakt zyn, houdt men zig met de beplanting bezig. Het is vry algemeen [ 117 ]aangenomen, om bananen-boomen te planten, eer men koffy-boomen plant, zelfs op eene Plantagie, die men begint aan te leggen: in dit geval zal men het kunnen doen zes maanden, of een jaargetyde daar na. Maar ten aanzien van Planters, die reeds Plantagiën hebben, en dezelven uitleggen, is men volstrektelyk van gedachten, dat zy ten minsten twaalf maanden moeten wagten, dat is, dat zy, hun land met dyken omringd hebbende, geduurende de groote droogte van het ééne jaar, hunne koffy-boomen eerst behoeven te planten in het regen-saisoen, na het saisoen van droogte in het volgende jaar. Maar een Planter, die eerst begint, en meer haast heeft om genot te trekken, kan reeds planten in den regen van April of Mey van het jaar, volgende op het saisoen van de groote droogte, waar in men verönderstelt, dat hy zyne omheining gemaakt heeft: indien hy zulks gedaan had geduurende de kleine droogte van February of Maart, zoude hy kunnen planten in de maand December daar aanvolgende, mits hy zig in dien tusschen-tyd onledig houde, om uit zyn toegemaakt land zoo veel hout en struiken van pynboomen, of latanus-boomen van het kleine zoort uit te haalen, als hem maar eenigzints mogelyk is, ten einde hem in staat te stellen, om het land zoo veel doenlyk gelyk te maken, alvo[ 118 ]rens de koffy-boomen te planten. De andere Planters, wien men aanraadt, om, zoo zy kunnen, een jaar te wagten, moeten denzelfden arbeid verrigten; maar zy zullen dit met veel meer gemak doen, vermits veele van deeze planten na verloop van twaalf maanden verrot zyn, die het nog niet zyn na verloop van zes maanden.

Indien men de voorzorge niet gebruikte, om den grond schoon en gelyk te maken, zouden de koffy-boomen ongelyk groeijen, en zeer veel te lyden hebben van de houtluizen en andere insecten, die zig in het verrotte hout en struiken nestelen en voortteelen; en wanneer deeze insecten zig eenmaal ergens geplaatst hebben, worden zy, om zoo te spreken, onuitroeibaar.

Eene andere reden, waarom men van begrip is dadelyk geene koffy-boomen te planten, bestaat hier in, dat de grond door de droogmaking veel inzakt, en wanneer men al te schielyk boomen op denzelven plant, deeze zeer onderworpen zyn om neder te hangen, of op den grond te leggen, het geen niet alleen een zeer leelyk gezigt, en eene groote moeielykheid in het uitwieden van het onkruid maakt, maar ook naderhand in het vrucht dragen nadeelig is; want een boom, die op den grond ligt, of over een anderen heen hangt, kan nooit zoo veel vruchten dragen, als een boom, [ 119 ]die recht over einde staat, en de vrye doorspeling van de lucht aan alle kanten geniet.

Men kan, wel is waar, dit ongemak gedeeltelyk verhelpen, door op deeze nieuwe gronden meer in de diepte te planten; maar nimmer zal de boom eene zoo fraaije spitse gedaante aanneemen, dan wanneer men met het planten wagt, tot dat de grond een weinig is ingezakt, vermits het geheele gedeelte, het welk in den grond is, zyne zytakken verliest, die zig nooit weder herstellen.

De Planter intusschen, die, na verloop van zes maanden na de droogmaking, begint te planten, zal altyd wel doen, met deeze voorzorge niet te verwaarloozen; want het gemelde ongemak is veel minder, dan dat men de boomen ziet aan den grond leggen, of schuins nederhangen.

Uitgenomen op een zeer klein getal Plantagiën, alwaar men eenige stukken met koffyboomen heeft beginnen te beplanten, op den afstand van tien of twaalf voeten, heeft men de algemeene gewoonte aangenomen, om dezelven op geen grooter afstand dan van negen voeten, en zelfs aan de westzyde, alleenlyk van agt voeten, te beplanten, om dat de koffy-boomen aldaar over 't algemeen kleiner vallen.

Zonder deeze gewoonte te willen beöordeelen, ben ik van gevoelen, dat men de koffy-boomen op alle goede rivier-gronden kan planten op tien [ 120 ]voeten afstand, en dat men geen kwaad doet met dezelven op ryker gronden, tien of twaalf voeten van elkander te plaatsen, vermits ontwyffelbaar de invloed van de lucht, niet alleen tot den groei, maar ook tot den bloei van alle vruchtboomen, zeer dienstig is.

Men heeft in 't algemeen in Demerary eenen zeer wezentlyken misslag begaan, door de koffy-boomen op negen voeten afstand te planten: men heeft de landen beginnen te verdeelen in zoo veele vierkante vakken van die maat, in het midden van welken men een boom plantte; voorts om de vier boomen eene kleine gracht of doorsnyding van twee of twee en een half voeten gravende, waar door veröorzaakt wierd, dat in plaats dat de afstand van den voet des booms aan den kant van elke kleine doorsnyding de helft bedroeg van den doorgaanden afstand van eiken boom, dit niet meer beliep dan drie of drie en een half voeten, het geen, na verloop van eenige jaaren, op nog minder uitkwam; want het is onmogelyk, dat by elke zuivering der vuiligheden, de kleine doorsnyding zig niet eenige lynen verwydere, het welk, na verloop van een zeker getal jaaren, dezelven op eene gelyke breedte brengt. Uit dien hoofde hangen in Demerary de meeste reijen boomen, langs de kleine doorsnydingen, allen over dezel[ 121 ]ven heen, het geen niet alleen ten aanzien van de onderste takken aan den afloop van het water een groot nadeel toebrengt, maar zelfs in het plukken van de koffy hinderlyk is, ten minsten zulks zeer moeijelyk maakt. Ik ben van een geheel tegen over gesteld gevoelen: in navolging van de beste Surinaamsche Planters, maak ik niet alleen buiten-bedden, welker afstand van den boom langs de kleine doorsnydingen de helft bedraagt van den afstand tusschen den eenen en den anderen boom; maar ik voege daar ook by een voet meer, om in de verbreeding van deeze kleine grachten by het zuiveren der vuiligheden te voorzien. Wanneer men nu de boomen op den afstand van negen voeten plant, zal de afstand tusschen den boom en de doorsnyding bedragen vyf en een half voeten, en indien ik dezelven plant op tien voeten, zal die afstand beloopen zes voeten.

Een groot voorstander van de vermeenigvuldiging der uitwateringen zynde, verkies ik liefst, om drie reijen boomen op een buiten-bed te plaatsen; zoo dat, wanneer ik plant op den afstand van tien voeten, zy elk van twee-en-dertig voeten worden.

Men zal wel doen, om by elk regen-saisoen eene enterye aan te leggen; te meer, om dat, wanneer men zelf koffy-boomen heeft, die vruch[ 122 ]ten dragen, dit een zeer geringe arbeid is, en men alleenlyk het oogenblik van eenen regentyd, die niet missen kan, 'er toe verkiezen moet: want gelyk de loten onder de boomen wortel schieten, en gevolgelyk gewoon zyn, om geheel en al in de schaduwe te staan, zoo sterven zy, indien ze, alvorens gevat te hebben, aan de hette der zon zyn bloot gesteld.

Dit is de reden, waarom ik liefst verkies dezelven in de bananen-plantery te plaatsen, als welke, hoe breed ze ook zyn moge, altyd het jong plantsoen overdekt: en op die wyze gewent het zelve langzamerhand aan de lucht en aan de zon.

Ik stem toe, dat deeze loten misschien zoo sterk niet zyn, dan die van eene enterye in de opene lucht; maar echter heb ik een stuk beplant, zonder bananen-boomen, geheel en al bestaande uit jonge planten van koffy-boomen, die van onder de bananen-boomen genomen waren, en 'er zyn 'er van de zes-en-dertig honderd geen twaalf geweest, die niet gevat hebben. Voor 't overige verkies ik liefst de koffy-boomen te planten op zulke stukken lands, op welken bananen-boomen groeien. De redenen zyn, voor eerst, om dat de bananen-boomen door hunne schaduwe de jonge koffy-boomen beschutten, dezelven voor de winden beveiligen, en meer regt over einde doen groei[ 123 ]en; eene zaak, die voor de fraayheid en nuttigheid van den boom van een wezentlyk belang is. Ik weet wel, dat men staken of stutten voor dezelven plaatsen kan; maar dit is een werk, het welk niet altyd aan zyn oogmerk voldoet, behalven dat dit hout aan de houtluizen of carias tot eene verblyfplaats verstrekt, byzonderlyk de stammen van pynboomen, die tot het maken van zulke staken de geschiktste zyn. In de tweede plaats zyn de zwaare winden, die in zekere maanden van het jaar waaijen, zeer nadeelig voor den groei der boomen, zoo als ik ondervonden heb op twee stukken, welken ik beplant had, na de bananen-boomen te hebben weggenomen. Het gedeelte van deeze boomen, het welk voor de winden beschut was, is grooter geworden, dan het andere gedeelte, het welk meerder aan de winden was bloot gesteld, en zulks in het zelfde tyds-bestek.

Veele lieden meenen, dat een stuk land, in de opene vlakte beplant, sterker boomen voortbrengt; maar daar op valt dadelyk te antwoorden, dat men de bananen-boomen niet zeer digt by elkander moet planten, en dat men ze aldaar niet te lang laten moet, noch eensklaps wegnemen, maar dat men beginnen moet met dezelven in het tweede jaar te besnoeijen, en daar mede zoodanig voort [ 124 ]te gaan, dat zy op het einde van het derde jaar allen zyn weggenomen.

Wanneer men eene kwekerye aanlegt, is het aller noodzakelykst acht te geven, geene jonge planten uit te kiezen, dan onder de fraaiste boomen. Dit is een zaak, die in 't byzonder in deeze Volkplanting verwaarloosd is geworden, waar uit voortkoomt, dat 'er Plantagiën zyn, op welken de helft der boomen uit een slecht zoort van koffy-boomen bestaat, die zeer weinige vrugten dragen: men noemt dezelven, zoo ik meen, verkeerdelyk, de mannetjes: zy onderscheiden zig door hunne dikke en platte bladeren, door het groot getal van zwartachtige en doode takken, door te veel weeldrig hout of onvruchtbaare takken, eindelyk door den aart van het hout, het welk veel ligter breekt, dan van een goed zoort koffy-boomen.

Men plant doorgaans nieuwe koffy-boomen, waar van de enterye twaalf maanden te vooren is aangelegd: ik vermeene, dat deeze meest geschikt zyn, om in de plaats te komen van doode boomen, of welken men om andere redenen verruilt, op stukken, die reeds van vorige tyden beplant geweest zyn: ik geloove zelfs, dat het niet dienstig is, om ze jonger te nemen.

Maar op stukken, die men op nieuw beplant, [ 125 ]geef ik de voorkeur aan koffy-boomen, die uit eene kweekerye van zes maanden gehaald zyn: zie hier myne redenen: in 't algemeen, hoe jonger een boom geplant wordt, hoe gemakkelyker hy wederom wortel vat: de kenners van den landbouw in Europa geven 'er altyd den voorrang aan; maar deeze reden wordt nog veel klemmender in die Land, alwaar de boomen, en ook de koffy-boomen een regten wortel hebben, die spilsgewyze groeit, en zig by de verplanting krommende, maakt, dat de boom kwynt, en nooit welig doorgroeit; waar uit al verder voortspruit, dat hy by het opwassen op zyde hangt, of op den grond legt. Terwyl de boom jong is, beurt de spilswyze wortel, zoo lang niet zynde, zig zelven uit den grond op, en verplant zig als uit de natuur. Daarënboven, een jonge boom, die minder door de winden getysterd wordt, vat veel eer wortel. Eindelyk, de kleine boomen zyn zeer onderworpen om zig in de kweekeryen in de lengte uit te breiden, en men heeft moeite om 'er een genoegzaam getal te vinden, die dit niet gedaan hebben. Men behoort dus steeds een wakend oog te houden op de arbeiders, die de verplanting doen, op dat zy 'er geene verkiezen, dan die van een goed zoort afkomen: maar, mits men ze jong plant, doet 'er de gedaante niet veel toe: elke [ 126 ]boom, op zig zelf staande, groeit van zelf spitsgewyze naar de hoogte.

Ik erken, dat, wanneer men zulke kleine boomen plant, men den arbeid der eerste maanden vergroot: niet alleen moet men alle maanden wieden, maar ook leggen deeze kleine boomen voor veele insecten bloot; de krekels eeten 'er den kop af; de mieren maken daar aan gaarne hunne nesten vast, die, zoo men geene zorge draagt om ze weg te nemen, den groei beletten; maar het is slechts de moeite van een oogenblik, die door andere voordeelen rykelyk vergoed wordt.

Behalven het uitwieden van het onkruid, en het zuiver houden van de insecten, moet men ook nog zorge dragen, om de weelderige loten uit de boomen weg te nemen, en te maken, dat zy in het midden met niet meer dan een enkelen stam opgroeijen. Een of twee bekwame Negers hebben spoedig een stuk gezuiverd.

Men moet ten deezen opzigte insgelyks in 't oog houden, om, by de eerste regenbuien, alle de boomen, die niet gevat hebben, of sterven, te verplanten.

Men doet ook wel, met dadelyk na het uitbloeijen, geduurende de twee eerste jaren, de zaadkorrels der jonge boomen weg te nemen: vooreerst brengen zy grootendeels niet dan koffy voort, [ 127 ]waar in geen kragt is; en ik ben overtuigd, dat dit te vroeg dragen van vrucht voor de groei en kragt van den boom schadelyk is, zoo als men natuurlyk begrypen kan, en ons door de ondervinding bevestigd wordt, als welke ons toont, dat onder de jonge koffy-boomen de zwakste en meest kwynende boomen het sterkst bloeijen; ten bewyze, dat dit overyld bloeijen de uitwerking is van eene verzwakte natuur, welke men verbeteren moet door het vernielen van de vrucht, zoo dra ze gevormd is. In Europa doet men zulks van gelyken, en met een goeden uitslag, ten aanzien van de persiken- en abrikosen-boomen.

Wanneer de boom tot de hoogte van vyf of vyf en een half voeten is opgewassen, moet men deszelfs groei tegengaan, door den middelsten stam af te knotten. Indien het een sterke boom is, zullen zyne zy-takken hem nog een voet hooger doen groeijen; en dit is al de hoogte, die hy hebben moet, op dat de Negers allen in staat zyn 'er de vruchten af te plukken; want hoe fraai de groote boomen ook voor het uiterlyk oog schynen mogen, de nuttigheid moet op alle Plantagiën de hoofdzaak zyn.

Behalven de aanhoudende uitwiedingen, moet men de boomen geduurig ontdoen van de weelderige loten, welken men moet afbreken, en niet af[ 128 ]snyden. Men moet ook het jong plantsoen uittrekken, het welk rondöm, en onder de schaduwe van den boom te voorschyn koomt. Dit werk, om wel verrigt te worden, vordert Negers van de mannelyke kunne, van eene hooge gestalte, en daarenboven oplettend en oordeelkundig. Het is ook best, om dit, tweemalen's'jaars, opzettelyk te laten doen. Het gunstigst tydstip voor deezen arbeid is het regen-saisoen, om dat men tevens de koffy-boomen, die niet gevat hebben, kan doen verplanten.

Men moet zig wagten, om dit werk te verrigten, of 'er mede ophouden, in den bloei-tyd; want door het schudden der boomen, zoude men de bloemen en jonge vruchten doen afvallen. Men zal ook wel doen, zoo mogelyk, het wieden na te laten geduurende den oogst, hoe zeer dit echter minder schadelyk is: men moet de Negers leeren en gewennen, om de koffy niet groen te plukken; dezelve heeft geene waarde, en dewyl zy kleine zwarte boonen voortbrengt, heeft men des te meerder moeite met dezelven uit te zoeken.

Uitgenomen op modderige landen, zoo alst die gelegen zyn aan de beide zee-kusten, alwaar de kanten naar de laagte loopen, en uit een zeer zacht slyk bestaan, oordeelt men het schoonmaken der grachten niet noodzakelyk; het is genoeg, dat [ 129 ]men ze van de plantgewassen zuivert: zy behouden haare diepte naar evenredigheid van den afloop van het water, die door middel van dezelven bewerkt wordt. By de sluizen vermeerdert haare diepte; en dezelve vermindert weder naar mate van de afgelegenheid. Dit schoonmaken zoude een vergeefsche arbeid zyn, want de modder, welke men 'er uithaalt, wordt spoedig door ander slyk weder aangevuld.

Ik heb, by den aanvang van deezen brief, gezegd, dat het planten der bananen-boomen dat der koffy-boomen moet voor af gaan op vrugtbaare landen, die men tot eene Koffy-Plantagie voornemens is aan te leggen. Men moet de bananen-boomen plaatsen op den afstand van zes-en-dertig, ten minsten van zeven-en-twintig voeten, indien men de koffy-boomen op den afftand van negen voeten planten wil; want deeze bananen-boomen moeten zoo geschikt zyn, dat men 'er één vindt telkens na vier koffy-boomen. Een Planter, die begint, en natuurlyker wyze gedrongen is, om levensmiddelen te moeten hebben, zal twee reijen bananen-boomen kunnen plaatsen op elk klein bed, en dus vier op een dubbeld bed. Een Planter, die alleenlyk eene Plantagie, reeds gedeeltelyk aangelegd, uitbreidt, en van wien men verönderstelt, dat hy van levensmiddelen voor[ 130 ]zien is, zal slechts ééne reije bananen-boomen op elk klein bed planten: op een dubbeld bed, en in het midden, kan hy 'er eene derde reije byvoegen, welke men echter zal moeten wegnemen by het verdeelen der dubbelde of enkelde bedden. De moeite, om eene reije bananen-boomen te planten, heeft weinig te beduiden. Bovendien gebeurt het nu en dan, dat het niet ge/chikt is het stuk grond na verloop van een jaar met koffy-boomen te beplanten: indien zulks derhalven wordt uitgesteld, trekt men altoos de vruchten van deeze bananen-boomen, waar van de schaduw tevens nuttig is, om de zoutächtige deelen in deeze nieuwe gronden te behouden.

Behalven de bananen-boomen, plant men ook Indisch koorn, het welk op deeze nieuwe landen ongemeen wel voortkoomt: men kan deeze beplanting verscheiden malen herhalen, zelfs na dat de koffy-boomen reeds geplant zyn, mits men als dan in 't oog houde dezelven op reijen te planten, op den afstand van vyf of zes voeten, om met des te meer gemak de uitwiedingen te kunnen doen, welken men niet moet verzuimen, van den beginne af aan, om het onkruid dadelyk uit te roeijen.

De ignames kunnen ook gedeeltelyk op de nieuwe stukken grond geplant worden, maar niet, [ 131 ]wanneer men 'er reeds koffy-boomen op geplaatst heeft. Deeze plant, die tot de voortkruipende behoort, of een zoort van heestergewas is, zoude voor den groei der boomen schadelyk zyn.

De Manioc en de Camanioc groeijen ook welig op deeze landen; maar men moet ze alleenlyk planten op de laanen en aan de kanten der groote grachten, dewyl de Manioc het land op eene byzondere wyze uitmergelt.

De aardappelen moet men nimmer binnen den omtrek den bedyking planten; en men moet de Negers ten sterksten beletten om zulks te doen: het is eene pest, waar van men zeer veel moeite heeft zig te ontdoen, en men moet zig eeniglyk bepalen tot het planten derzelve op de omringende dyken.

Van het bewerken der Koffy.

Dewyl het bewerken van de Koffy eene zaak is, van den landbouw volstrektelyk afgescheiden, heeft men gemeend dezelve afzonderlyk te moeten behandelen. Wanneer de Koffy geplukt is, wordt zy door de Negers gebragt op de plaats, alwaar de molens, tot het pellen van dezelve geschikt, gevonden worden. Het is beter, gemakkelyker en [ 132 ]zuiniger, dezelve in een grooten bak te werpen, dan by hoopen op den grond te plaatsen.

Men heeft de gewoonte, om met het overbrengen der Koffy naar de molens eerst des avonds te beginnen: intusschen, wanneer 'er tot het plukken veel volk gebruikt wordt, en 'er een groote overvloed van koffy is, zal men beter doen met vroegtydiger te beginnen, op dat de arbeid niet tot in den nacht voortduure.

Het maakzel van deeze molens is bekend; ik vermeene, dat die geene, welke men hier molens van Martinique noemt, de beste zyn. Ik heb eene proeve genomen, om daar in eene kleine verandering te maken tot bespoediging van het werk, en ik ben zelfs thans bezig, om tot het zelfde einde eene nieuwe proeve te nemen, die deezen molen misschien nog merkelyk zal verbeteren.

Wanneer door deeze bearbeiding de roode schil is weggenomen, worden de boonen in een bak geworpen, in de nabyheid van het gebouw, alwaar de molens staan. 'Er zyn 'er, die eerst des anderen daags het water 'er opgieten: ik voor my verkieze zulks des avonds te doen, al waare het alleen om tyd uit te winnen: dan, hoedanig men dit ook gelieft te doen, men moet 'er eene genoegzaame hoeveelheid water opgieten, zoo dat [ 133 ]de Koffy geheel en al bedekt is; waar na men de Koffy sterk zal omroeren en wryven, op dat de boonen zig ontdoen van de lymige stof, die uit de schil aan dezelve is blyven zitten. Tot dit einde laat men dit eerst opgegoten water wegloopen door eene opening, die onder in den bak gemaakt is, men wascht de Koffy, en giet 'er zuiver water op, dezelfde bewerking tot drie malen toe herhalende; want om te kunnen zeggen, dat de Koffy wel gewasschen is, moet ze in het aanraaken ruw zyn.

By het wasschen en omroeren van de Koffy, dryven de roode schillen, die door de zeeft zyn doorgegaan, boven op; de kleinste boonen, welke door de rol niet geraakt zyn, eindelyk de onrype en de ligtste boonen, worden zoo veel mogelyk weggenomen, ten einde dezelven onder den naam van dryvende Koffy afgescheiden te houden van de Koffy met een zwarte bast; daar vooräl de laatstgemelde zeer schadelyk is voor de bewerking, en meer dan de Koffy, die nog ongepeld is, in de droogeryen insecten voortteelt: ik heb by my het gebruik ingevoerd, om deeze Koffy andermaal door den molen te laten gaan, en vervolgens te wasschen: als dan ontdoet zig het grootste gedeelte van haare schil, en zinkt naar de laagte; de dryvende Koffy maakt dan eene kleine hoeveel[ 134 ]heid uit, en dryft by deeze tweede wassching boven op.

Wanneer de Koffy wel gewasschen is, spreidt men dezelve uit op vloeren met steenen belegd, alwaar men ze in de zon laat droogen, wanneer het weder zulks toelaat: indien het al te regenachtig is, plaatst men de Koffy in groote laaden met schuiven; die aan de droogerye vast zyn, en onder welke men ze wegschuift wanneer het gaat regenen: deeze laaden zyn uittermaten gemakkelyk. Als de Koffy volkomen droog is, brengt men ze in het Magazyn van de droogerye, een gebouw, doorgaans uit twee verdiepingen bestaande.

Men doet wel, vooral by regenachtig weder, om de Koffy niet te zwaar op elkander te stapelen: in allen gevalle moet men ze, vooral in het eerste begin, drie malen daags doen verschieten: de achteloosheid en wanörde der Planters ten deezen opzigte, brengt hun veel schade aan de Koffy toe.

Dit verschieten van de Koffy in de droogerye vermindert men vroeger of later, naar mate het jaargetyde meer of minder droog is.

Zoo dra het mooije weder aankoomt, kan men beginnen de Koffy in de droogerye te bewerken, maar alleenlyk dan, wanneer 'er zeer in 't kort eene gelegenheid op handen is, om ze in te sche[ 135 ]pen; want de Koffy, eenmaal bewerkt zynde, vermindert altyd, hoe men 'er zig ook omtrent gedraagt. In tyd van vrede, wanneer 'er geene schepen ontbreken, om koopwaren in te laden, is het best de Koffy zoo dra mogelyk te verzenden; want zoo dra zy in het Magazyn is, verëischt zy veel oppassing en arbeid, en is schooner, wanneer ze dadelyk verzonden wordt. Dienvolgende moet men buiten noodzaak met het pellen van de Koffy niet beginnen, voor dat het drooge mooije weder wel gevestigd is, en men van de zonneschyn zig kan verzekerd houden. Als dan spreidt men de Koffy op den met steenen belegden vloer in de droogerye uit, beginnende altyd met de ligte dryvende Koffy. Dewyl deeze mindere zoort van Koffy altyd veel eer wormen voortbrengt, dan de Koffy, die geheel volwassen is, zyn 'er doorgaans drie dagen zonneschyn noodig, om dezelve in staat te brengen, ten einde gevoeglyk gepeld te kunnen worden. Indien 'er weinig zonneschyn is, zyn één of twee dagen meer noodig; in allen gevalle is het, alvoorens men ze pelt, noodzaakelyk dezelve zoo hard te laten worden, dat men de boonen naauwlyks met goede tanden kan aan stukken breken.

Ik volg de manier niet, welke andere Planters gewoon zyn te bezigen: ik laat des namiddags [ 136 ]omtrent twee uuren, en met den geheelen toestel aan het pellen beginnen: terwyl de sterkste Negers daar mede bezig zyn, plaatsen de anderen de Koffy op den met steenen belegden vloer op hoopen. Zy brengen ze vervolgens in eene groote kist of laade aan, waar uit men ze telkens om te pellen uitneemt. Men moet dit altyd zoodanig verrigten, dat de Koffy voor vier uuren van den vloer is: ik heb opgemerkt, dat wanneer de zon tot vyf-en-veertig graaden van den gezicht-einder gedaald is, de warmte zoodanig vermindert, dat de Koffy op het gevoel koud wordt; maar wanneer zy in eene groote lade gelegd is, behoudt zy haare warmte zeer lang.

De Koffy, op deeze wyze wel gedroogd, en warm gepeld zynde, breekt niet aan stukken, en wordt nimmer plat; zy verliest dan gewoonlyk het vlies, het welk tusschen de schil en de boon gevonden wordt. Wanneer zy uit den molen koomt, laat ik ze dadelyk wannen: andere Planters wannen ze eerst des anderen daags. Indien men ze op den zelfden dag want, wint men veel tyd uit: na de wanning brengt men ze op de plaats, die tot de uitzoeking geschikt is.

Ik heb twee groote zeeften van koper: eerst laat men de gepelde Koffy doorgaan door die zeeft, welke de grootste openingen heeft; men [ 137 ]laat door dezelve doorgaan alle de boonen met de ronde en gebrokene koffy, en in de zeeft blyven geene andere boonen overig, dan die haare schil niet zyn kwyt geraakt, en die gevolgelyk nog eens in den molen gebragt moeten worden.

De tweede zeeft neemt op, het geen uit de andere gekomen is, en ik laat, benevens de ronde koffy, door dezelve doorgaan al de gebrokene koffy, ten minsten de kleinste. Uit hoofde van het gebruik van deeze twee zeeften, valt 'er met de hand niets anders uit te zoeken, dan de koffy, die in verscheiden groote stukken gebroken is, en de kwade zwarte boonen, en die door de insecten zyn aangestoken.

Ik laat de zuivere koffy nog eens wannen, om 'er de vliezen, het stof, of andere vreemde lichamen van af te scheiden; waar na men, wanneer de zon zeer heet, en de lucht helder is, dezelve voor eenige uuren op den met steenen belegden vloer kan leggen, ten einde dezelve niet dan volkomen droog in de vaten te pakken, na wel te hebben zorge gedragen, om ze te laten koud worden.

Men ziet uit alle deeze byzonderheden, dat het bewerken van eene groote meenigte koffy zeer veel arbeid vordert, het geen het werken in den tuin merkelyk vertraagt, in een jaargetyde, waar in [ 138 ]men noodig heeft de grachten op te halen, en het onkruid uit te wieden: het geen gelegenheid gegeven heeft om te onderzoeken, of men geen ander minder werkelyk middel tot het bewerken der koffy zoude kunnen uitvinden.

Men heeft derhalven een molen uitgedacht, van zoortgelyk maakzel als die, waarmede men olyven perst, om 'er de oly uit te halen; dit is wel gelukt, en men twyffelt niet, of dit werktuig, tot volkomenheid gebragt zynde, zal op de groote Koffy-Plantagiën van een algemeen gebruik worden, vooral om dat het zamenstelzel eenvoudig en onkostbaar is.

Om intusschen deezen molen tot volkomenheid te brengen, moet men ook de onderscheiden middelen volmaken, die gebézigd worden om de koffy zonder zon te droogen, iets dat zeer nuttig is, zelfs schoon men de koffy pelt. Wanneer men andere proeven doet, zal men ontwyffelbaar niet slagen. Men moet tot een grondbeginzel houden, dat de koffy gedroogd word, zonder een stank van rook, noch kwaden smaak te krygen, en zonder haare groene of blaauwachtige kleur te verliezen.

Van de Gebouwen.

Het eerste gebouw, het welk gemaakt moet worden, wanneer men een stuk lands tot eene [ 139 ]Plantagie aanlegt, is het huis tot bewooning voor den Planter. Hy is met zyn werk nog zeer in, wanörde, zoo lang hy niet een gedeelte van zynen grond met een dyk omringd heeft. Hy kan dit huis meer of min groot maken, volgens zyn smaak, staat en middelen. Het is raadzaam, om het afgescheiden en op zig zelf te doen staan, niet tegen een werkplaats of magazyn aan, om de insecten en het stuiven te ontwyken, en aan beide gebouwen meerder doorspeling van lucht te verschaffen.

Vervolgens moet men overgaan tot het maken van een sluis. In het begin kan men zig vergenoegen met een sluis, die met vallend water gesloten, en met den vloed geöpend wordt, door middel van een deur met een klap: maar wanneer de Plantagie in uitgestrektheid toeneemt, meent men den voorrang te moeten geven aan een sluis, welke een deur met een val heeft, en die men by elk gety openen en sluiten moet, als zynde het ontwyffelbaar, dat tegen het einde van het gety, wanneer het water geen kragt meer heeft, de klapdeur in 't geheel geen water laat afloopen, ja zelfs uit hoofde van haare zwaarte aan de uitwatering altyd hinderlyk is; vooral wanneer de klap buitenwaarts hangt, volgens het byna algemeen gebruik in deeze Volkplanting. Van welken aart de [ 140 ]sluis ook zy, moet men wel zorge dragen dezelve loodrecht, zeer vast, en vooral diep genoeg te leggen. Schoon het van geen nut is, wanneer zy te diep legt, kan zulks niet schaden, maar wel, wanneer ze te ondiep legt; en het is voorzichtig dezelve zoo te maken, dat de grond van de sluis zes duimen lager ligt, dan het laagste watergety. Het is van aanbelang de sluis van binnen en van buiten van goede vleugels te voorzien, ten einde geene lekking van water langs de fluis kan doorzyperen: het verwaarloozen van deeze gewichtige punten stelt de sluizen in deeze Volkplanting bestendig aan toevallige nadeelen bloot.

Goede sluizen zyn van een wezenlyk belang tot het droogmaken der landen. Het is zeker, dat 'er aan de sluizen vleugels noodig zyn, maar het is beter de kanten van de sluis, in de gedaante van vleugels, te laten uitspringen, dan afzonderlyke houte vleugels te maken, die uit hoofde van het geduurig hermaken zeer kostbaar zyn.

Voor hun, die den aanleg van eene Plantagie beginnen, zyn twee sluizen eene zaak van veele onkosten: tot het grondvesten van dezelven zyn veele steenen, kalk, tras en hout noodig. Het is de moeite en kosten niet waardig, om sluizen van enkel hout te maken; zy kosten veel, en zyn in korten tyd door de wormen vernield. Zy, die [ 141 ]geene groote middelen bezitten, zyn verpligt zig te bedienen van uitwaterende goten, hier boven door my beschreven.

In Surinamen maakt men dezelven al te breed: wanneer men goede grachten heeft, behoeft de sluis zoo groot niet te zyn, als men doorgaans meent. Men maakt ze ook altyd veel te kort, het geen verhindert om 'er een zwaren dyk boven te maken; men besteedt 'er te weinig zorge aan, en vooral aan de sluisdeur, die altyd te veel water doorlaat. Dit gebrek van oplettenheid is oorzaak, dat de hoeken niet behoorlyk gesloten zynde, het water, het welk naar binnen doorzypelt, het slyk, waar door de sluis stevig gehouden wordt, langzamerhand doet wegwyken, tot dat 'er gaten in komen; het water baant zig een weg langs de sluis, de dyk wykt uit, en breekt. Men tracht denzelven te herstellen, en men heeft het ongenoegen om te zien, dat het slechts voor een korten tyd is, dewyl men de oorzaak van de kwaal, die men niet kent, niet verholpen heeft: en hier uit trekt men dan het verkeerd besluit, dat de sluizen eene verkeerde uitvinding zyn.

Een ander gebrek in het maken deezer sluizen bestaat daar in, dat men aan de deur te veel afhelling geeft, het geen belet dat het water dezelve opligt, en 'er doorloopt. Deeze deuren zyn meest [ 142 ]gemaakt met houten hengzeis, als of ze dienen moesten voor deuren van een schuur. Men heeft dit werktuig tot meerder volkomenheid gebragt, en indien men het met lood beleggen wilde, om van de wormen niet doorknaagd te worden, zou het byna zoo nuttig zyn als volkomene sluizen, en ik zoude 'er in dit Land den voorrang aan geven, om dat de Negers te achteloos zyn in het regelmatig openen van de deuren, zoo als dit behoort.

Voor eene droogmaking van twee honderd akkers, laat ik alleen twee sluizen maken, die elk een vak van drie voeten hebben; ik geef aan dezelven 26 of 28 voeten lengte; ik laat de planken wel in malkander sluiten; ik laat alle de reeten met pik toestoppen, even als een schip; men maakt 'er eene goede deur aan met yzere hengzels, waar van de duimyzers met een schroef gemaakt zyn, om des te vaster te houden, en de spykers ook met een spil en schroef. Ik laat deeze deur op de volkomenste wyze in één sluiten, en wel zoo vast, dat zy niet ligtelyk in wanörde geraken kan. Wanneer deeze sluis geplaatst is, laat ik daarboven een zeer zwaren dyk leggen, zelfs van twee voeten hooger, dan die 'er dicht by is. De sluis, op deeze wyze ingericht, laat geen droppel water door, geduurende den vloed, en nooit geraakt de [ 143 ]dyk in wanörde, dan wanneer de sluis verrot of van de wormen doorknaagd is, en in duigen valt. 'Er blyft nooit water in de grachten: de sluisdeur gaat door het minste gewicht van 't water gemakkelyk open.

De Koffy-Planter heeft het voorrecht, dat hy zig voor het derde of vierde jaar over het maken, der gebouwen niet behoeft te bekommeren: hy kan ze dan maken naar evenredigheid van de geplante boomen, zelfs van die geenen, die nog geene vrugten geven. De arbeid wordt meer noodzakelyk, naar mate dat de boomen tot het dragen van vruchten komen: men handelt voorzichtig met de Plantagiën in de eerste jaaren niet verder uit te breiden, dan in zoodanige evenredigheid, dat, wanneer de koffyboomen vruchten opleveren, men niet genoodzaakt is het tuinwerk om dat van den oogst te verwaarloozen; want men moet rekenen, dat men ten minsten een vyfde gedeelte van het jaar, dat is, twee en een halve maand, of drie maanden, aan de beide oogsten besteedt, en een zevende gedeelte aan het bewerken van de koffy, zonder van het verschieten en den verderen arbeid der droogerye te spreken. Te weinig oplettenheid in dit opzigt is oorzaak, dat een aantal Koffy-Plantagiën slecht bebouwd en slecht onderhouden zyn. Het is altyd zeker, dat [ 144 ]eene Plantagie van eene middelmatige uitgestrektheid, wanneer zy wel onderhouden wordt, meer opbrengt, dan eene groote, wier onderhoud slecht is.

Men oordeelt, dat een goed gebouw geduurende lange jaaren tot alles voldoende is, mits men het een weinig stevig maakt, en zulks zonder zeer kostbaar te zyn: men kan 'er de breedte van 32 of 34 voeten aan geven, en zoodanige lengte, als men goedvindt: het is dienstig, om het zelve zoo te plaatsen, dat men het kan uitleggen, naar mate de meenigte van de koffy, die in het magazyn opgeslagen moet worden, toeneemt. Men kan de stylen plaatsen op voetstukken van dezelfde hoogte, stukken hout leggen tot ondersteuning van de einden van de balken, die daar op rusten, of zig daar mede verëenigen. Men legt deeze balken op eene hoogte van 8 of 9 voeten, maar de stylen moeten nog 4 of 5 voeten hooger zyn, op dat de zolder tusschen alle de stylen van wederzyden klap-vengsters kan hebben, vermits het van aanbelang is, dat de lucht over de zolder vryelyk heen speelt, om de koffy spoedig te doen droogen. Men moet daarom aan beide kanten groote vengsters maken, die tot op den grond van den zolder nederhangen.

Het is verwonderlyk, hoe de koffy spoediger [ 145 ]droogt, wanneer de wind 'er regelrecht op werkt; het is alleenlyk noodig de twee gevels en de beide zyden van het gebouw aan het bovenste gedeelte, tot aan de zolder toe, met planken te beleggen. Het onderste gedeelte kan open blyven, of men kan het sluiten of omheinen alleenlyk met stammen van pynboomen: het geheel moet overdekt worden met dak-borden, die men in dit Land zeer duurzaam vindt: stammen van pynboomen zyn voldoende om dezelven te onderschragen, zonder dat men latten of dwarsbalken noodig heeft.

In het benedenste gedeelte plaatst men den molen, om de koffy-boonen te pellen, de groote bak om ze in te werpen, zoo wel de koffy, die geplukt, als die gepeld is: dezelfde benedenste verdieping, zoo men de werkplaats verlengt, kan, dienen tot een kuiperye, een stalling, en verscheidene andere gebruiken.

De geschikte manier tot het plaatsen der koffy-lootsen is altyd eene en de zelfde, op welke wyze de verdere gebouwen ook geplaatst of ingericht mogen zyn. De gevels moeten staan naar het oosten en westen, en de lengte moet gericht zyn van het noorden naar het zuiden. De met steenen belegde vloer moet geplaatst worden aan de noordelyke gevel, op eenen genoegzamen afstand, om te ontwyken de morgen en avond scha[ 146 ]duwen, en de belemmering van den wind, die door het lichaam van het gebouw veröorzaakt zoude worden; want de wind is allernoodzakelykst, om de koffy te droogen. Zy, die drie of vier maal honderd duizend ponden koffy, en eene gelyke hoeveelheid cacao op eene enkele Plantagie hebben zien bewerken, kennen de waardye van een zeer uitgestrekten droog-vloer. Men moet ze meer boogsgewyze maken, dan men gewoonlyk doet. Men moet van zeer dun hout, en zeer ligte planken van een halven duim dikte, eene kleine kap of beweegbaar dak maken van 20 voeten lengte en 15 voeten breedte, zynde bovendien met bepekt zeildoek overdekt. Men plaatst dit dak op rollen, welken men naar zyn believen draait, op dezelfde wyze als huisraad en bedden. Zoo dra men een enkelen droppel regen bespeurt stapelt men de koffy met groote houten schoppen op elkander, en rolt 'er het dak over heen, om de koffy voor den regen te beveiligen: dit is tot groot voordeel en nut.

Indien men laden of schuifbakken heeft, kan men zig insgelyks van het benedenste gedeelte der loots, aan één van de beide kanten bedienen, mits echter in het oog houdende, dat men de einden hout, waar op de rollen van de laaden loopen, behoorlyk verlengt, en voorts acht gevende, dat [ 147 ]de schaduw, door de loots veröorzaakt, op zekere uuren van den dag, aan het droogen van de koffy niet hinderlyk zy.

Aan de voor- of achter-zyde, naar mate de loots naar het oosten of westen geplaatst is, moet men een met steenen belegden vloer maken. Het is van het grootste nut, dat dezelve eene genoegzaame uitgestrektheid hebbe. Op zyde van deeze vloer, en zoo dicht mogelyk by de werkplaats, moet de bak staan om de koffy te wasschen, waar in het altyd dienstig is eene afscheiding te maken; want dewyl men het water verscheiden malen geduurende de wassching moet ververschen, is het zeer gemakkelyk de koffy, dan aan de ééne, dan aan de andere zyde van den bak, te kunnen overstorten.

Zie daar alles, wat tot de bewerking en het behoud van de koffy noodzakelyk dunkt te zyn.