Naar inhoud springen

Reize naar Surinamen en Guiana/Tweede aanhangzel (3)

Uit Wikisource

[ 218 ]




DERDE HOOFTSTUK.

Geschiedkundige opgaave, betrekkelyk Fransch Guiana.


Shoog}}choon men het juiste tydstip van de eerste reizen der Franschen naar Guiana niet weet, is het echter zeker, dat zy 'er geweest zyn korten tyd na de eerste ontdekking, door de Spanjaarden gedaan.

JAN DE LAET, een Schryver van voor byna twee eeuwen, verhaalt, dat de Franschen gewoon waren aldaar gekleurd hout, en onder anderen een zoort van Brasiliën-hout, in te laden.

De vriendelykheid, waar mede zy door de inboorlingen des Lands ontfangen wierden, lokte hen uit, om deezen handel te blyven aanhouden; en om denzelven des te beter te verzekeren, vestigden zy 'er wel dra eene Volkplanting.

Een ander bewys, dat de Franschen het eerst de kusten van Guiana bezogt hebben, is te halen uit de reisbeschryving van RALEIGH in 't jaar 1595. Deeze reiziger, sprekende van het binnenste gedeelte van dit Land, zegt, dat "de Franschen zedert lang moeite deeden tot het ontdekken [ 219 ]deezer Landen, werwaards zy veelvuldige reizen deeden, om 'er goud van daan te haalen, maar dat zy den rechten weg niet namen, door denzelven te zoeken langs de Rivier der Amazonen."

In 't jaar 1604, besloten eenige Franschen, door de gunstige berigten van RALEIGH misleid, om, onder het geleide van LA RAVERDIERE, naar deeze streeken koers te zetten. Andere gelukzoekers deezer natie volgden spoedig hunne voetstappen. Allen vermoeiden zy zig op eene ongelooflyke wyze. Eindelyk zetteden zig zommigen, veel eer uit weêrzin in zoo zwaaren arbeid, als om dat zy zig in hunne hoop bedrogen vonden, te Cayenne neder.

In 't jaar 1624, zonden eenige kooplieden van Rouaan eene kleine Volkplanting, bestaande uit zes-en-twintig menschen, die de oevers der Rivier Sinamari verkozen, om zig neder te slaan.

Twee jaaren later, in 't jaar 1626, kwam 'er eene nieuwe Volkplanting, aanzienlyker dan de eerste, en die zig aan de Rivier Conanama nederzettede. Men bouwde aldaar een Fort, stelde 'er een Bevelhebber over aan, en liet 'er een gewapend vaartuig, om den handel langs de kust te beveiligen.

Deeze beide Volkplantingen vermeerderden aan[ 220 ]merkelyk door den toevoer, die zy uit Frankryk ontfingen. Zy breidden zig tot verscheiden plaatsen uit.

Zedert het jaar 1674, had men zig op het Eiland Cayenne gevestigd, en aldaar de kust van Remire, als de vruchtbaarste en aangenaamste streek, tot verblyfplaats uitgekozen. Men moest de Arikarets, en eenige andere Indiaansche volken, aldaar woonende, verjagen.

In 't jaar 1675, verkoos men eene andere woonplaats, drie mylen meer ten westen, op een uithoek van het Eiland, alwaar de mond der Rivier Cayenne een haven oplevert. Men bouwde aldaar een Fort, waar aan men den naam van het Fort Louis gaf, en digt daar by een Dorp of Stad, die de hoofdstad der geheele Volkplanting geworden is, en welke men naar den naam van het Eiland Cayenne noemde. Men breide zig vervolgens uit in alle de gedeelten van dit zelfde Eiland, en aan de naby gelegene Rivieren.

In 't jaar 1640, zetteden de Franschen zig aan de Rivier Surinamen neder; maar de lage en moerassige grond, en ongezonde lucht in dit gedeelte van Guiana, deeden hun het zelve wederom verlaten. De Engelschen maakten 'er gebruik van.

Eenige kooplieden van Rouaan, denkende, dat uit deeze Volkplanting voordeel te haalen was, besteedden daar toe, in 't jaar 1643, gezamentlyk [ 221 ]zekere somme van penningen. Zy droegen hunne belangen op aan een ondernemend man, PONCET DE BRETIGNY genaamd, die den oorlog zoo wel aan de Planters als aan de Negers verklaard hebbende, spoedig werd van kant geholpen. Deeze Maatschappy, aan welke men den naam van de Maatschappy der Noord-Kaap gaf, verkreeg van Koning LODEWYK XIII, opene Brieven, waar by deeze Vorst aan haar het uitsluitend voorrecht toestond van den koophandel en scheepvaart op Guiana, tot welks grensscheidingen men by die zelfde brieven bepaalde, aan de zuldzyde de Rivier der Amazonen, en aan de noordzyde de Orenoco. Deeze bepaaling der grensscheidingen ontmoette geene zwarigheid, noch veröorzaakte eenige klagten, dewyl geheel Europa wist, dat de Franschen zedert langen tyd in het bezit van Guiana waren, en de eersten geweest zyn, die aldaar handel gedreven en Volkplantingen aangelegd hadden.

Verscheiden lieden van aanzien, in deeze Maatschappy deel genomen hebbende, verkregen van den Koning nieuwe voorrechten en nieuwe vergunningen door dit geheele Land. By herhaling zonden zy derwaarts aanzienlyken onderstand; en men liet meer dan agt honderd menschen naar Guiana vertrekken, zoo tot meerdere beveiliging [ 222 ]en aanwas van de onderscheidene aangelegde Volkplantingen, als om nieuwe aan te leggen, en ontdekkingen te ondernemen, door dieper in het Land door te dringen.

De treurige dood van PONCET DE BRETIGNY de deelgenooten ter nedergeslagen hebbende, werd, in 't jaar 1651, eene nieuwe Maatschappy opgericht, die meerder opgang scheen te zullen maken. Het merkelyk aantal van ingelegde penningen, stelde haar in staat, om, tot in Parys toe, zeven of agthonderd menschen by één te verzamelen. Zy wierden by de Seine ingescheept, om naar Havre te vertrekken. Het ongeluk wilde, dat de deugdzaame Abt DE MARIVAUX, die deeze onderneming voornamelyk had aangewakkerd, en dezelve als Directeur Generaal bestierd zoude hebben, verdronk op het oogenblik, dat hy stond scheep te gaan. ROIVILLE, een Edelman uit Normandië, die als Generaal naar Cayenne gezonden wierd, wierd op de reize vermoord[1]. [ 223 ]Twaalf der voornaamste belanghebbenden, die de bewerkers van deezen aanslag waren, gedroegen zig in de Volkplanting, welkers bloei zy verpligt waren geweest te bevorderen, op zoodanig eene wreede manier, als uit dit verschrikkelyk voorval bereids te voorzien was. Zy deeden aan één van hun, ISAMBERT genaamd, die, benevens drie anderen, zig van het gezag geheel had willen meester maken, het hoofd afslaan. Zyne medepligtigen wierden naar een onbewoond Eiland ver[ 224 ]bannen. Twee andere deelgenooten stierven kort daar op, en de overgeblevenen gaven zig aan de grootste buitensporigheden over. De Bevelhebber der Vesting liep naar de Hollanders over, met een gedeelte van zyne bezetting. Zy, die aan honger, ellende, de woede der Wilden van het vaste Land, welken men op honderde manieren getergd had, waren bloot gesteld, achtten zig zeer gelukkig, toen zy met een schip en twee sloepen de Eilanden onder den wind bereiken konden. Vyftien maanden na dat zy in het Eiland waren aangeland, verlieten zy het Fort, de krygsbehoeften, de wapenen, de koopmanschepen, benevens vyf- of zeshonderd lyken van hunne ongelukkige medgezellen.

In 't jaar 1663, werd eene nieuwe Maatschappy, onder het opzigt van den Request-meester LA BARRE, opgerigt. Dezelve bezat een capitaal van niet meer dan twee maal honderd duizend gulden: maar de hulp der Regeering stelde haar in staat, om de Hollanders, die zig aldaar onder het geleide van SPRANGER hadden nedergezet, toen zy dit Land door deszelfs eerste bezitters hadden zien ontruimen, uit deeze bezitting te verjagen. De Indianen waren na het vertrek der Franschen in het Eiland te rug gekeerd, maar SPRANGER noodzaakte hen, om naar Terra-Firma de wyk te nemen. Hy verbeterde de vestingwerken, deedt [ 225 ]groote uitzuiveringen en voordeelige bebouwingen der landen. Na dat deeze Maatschappy onder het opzigt van BARRE een jaar bestaan had, maakte zy een gedeelte uit van de groote Maatschappy, die de grondslag was van alle die Maatschappyen, welken men voor Africa, en voor het Nieuwe Weereld-deel had opgerigt. In 't jaar 1667, wierd Cayenne aangevallen, geplonderd, en wederom verlaten door de Engelschen, en de vluchtelingen namen het weder in bezit, om het zig, in 't jaar 1772, andermaal te zien ontweldigen door de onderdanen der Vereenigde Nederlanden, die het echter niet langer, dan tot in 't jaar 1676, behouden konden. Te dier tyd werden zy door den Marschalk D'ETRÉES van daar verjaagd. Naderhand is de Volkplanting niet meer aangevallen geworden.

De Franschen wederom meesters van Cayenne geworden zynde, waren ten sterksten bedagt, om zig op het Eiland en het vaste Land wel te vestigen. Met meerder zorgvuldigheid dan ooit kweekten zy alles aan, waar by de koophandel belang konde hebben. Verscheiden koopvaardy-schepen kwamen aldaar handelen, en eene meenigte huisgezinnen zetteden 'er zig ter neder. Eenige Kapers bragten ook het hunne toe tot aanwas der Volkplanting. [ 226 ]

Beladen met het geen zy in de Zuid-Zee geroofd hadden, vestigden zy zig te Cayenne, en het belangrykste was, dat zy besloten hunne schatten tot den landbouw te besteden.

Zy scheenen denzelven met nadruk te willen voortzetten, en Cayenne was vry wel bevolkt, toen DUCASSE in 1688, aldaar aanlandde, met oogmerk, om Surinamen te vermeesteren en te plunderen. De natuurlyke lust der Kapers herleefde, de nieuwe Colonisten werden wederom Kapers, en hun voorbeeld lokte byna alle de inwoonders uit.

Deeze onderneming was niet gelukkig, uit hoofde van de weinige voorzorgen, die men genomen had, om de aankomst deezer vloot voor de Hollanders, welken men voornemens was te overrompelen, geheim te houden. Men vondt hen overal in staat van verdediging. Een gedeelte der aanvallers sneuvelde; anderen wierden gevangen genomen, en naar de Antillische Eilanden gezonden, alwaar zy zig nedersloegen. De overigen gingen wederom te scheep. Zedert dien tyd heeft de Volkplanting veel moeite gehad, om het verlies van haare inwooners te herstellen. Het scheen zelfs, dat zy byna geheel in vergetenheid geraakt was, tot in 't jaar 1763, wanneer de Fransche [ 227 ]Regeering haar een nieuwen luister trachte te geven.

Frankryk ontdeed zig van de akeligheden van eenen schandelyken oorlog. De gesteldheid der zaaken had de Regeering genoodzaakt, om, met opöffering van verscheiden gewichtige bezittingen, den vrede te koopen. Het scheen insgelyks noodzakelyk, om de natie, zoo wel de geledene rampspoeden, als de misslagen, die dezelven berokkend hadden, te doen vergeten. Men wendde haar oog af van de Volkplantingen, die zy verloren had, om het zelve te vestigen op Guiana, het welk, zoo men zeide, zoo veele rampen vergoeden moest.

Dit was het gevoelen niet van hun, die van den staat der zaaken het best onderricht scheenen. Eene Volkplanting, zedert anderhalve eeuw opgerigt, in een tydstip, dat de gemoederen op groote ondernemingen verhit waren; alwaar burger-twisten, noch vreemde oorlogen aan het aangelegde werk geen nadeel hadden toegebragt; die van de weldaaden der Regeering en het voordeel van den koophandel nimmer was verstoken geweest; alwaar de voorraad van voortbrengzels altyd zeker geweest was: — deeze Volkplanting was niet noemenswaardig. De ellende en vergetenheid was haar deel geweest, zelfs in het tydstip, dat de Fran[ 228 ]sche bezittingen in America door haaren luister en rykdommen, de oude en nieuwe weereld verbaasden. Haare gesteldheid was zelfs van dag tot dag verërgerd. Hoe kon men hopen op die groote vooruitzigten, welken men 'er van gaf? Deeze aanmerkingen wederhielden de Regeering niet. Om het verlies van Canada te vergoeden, wilde men in Guiana een vry volk vestigen, dat door zyne eigene kragten in staat zoude zyn, om aan vreemde aanvallen het hoofd te bieden, en geschikt, om door den tyd andere Volkplantingen, wanneer de omstandigheden zulks vorderden, te hulp te komen.

Dit werk wierd bestuurd door eenen arbeidzamen Staats-Minister. Als een verstandig Staatsman, die de veiligheid niet aan de rykdommen wilde opõfferen, was zyn doelwit, een bolwerk op te rigten tot verdediging der Fransche bezittingen. Als een gevoelig Wysgeer, die de rechten van het menschdom kent en eerbiedigt, wilde hy deeze vruchtbaare en onbebouwde streeken door vrye menschen bevolken. Maar men voorzag alles niet. Men vergiste zig met te gelooven, dat Europeanen onder de gezengde luchtstreek de vermoeijenissen zouden doorstaan, die tot den aanleg en zuivering van onbebouwde landen verëischt worden, en dat menschen, die in de hope van een [ 229 ]gunstiger lot hun vaderland verlieten, zig aan een woest leven gewennen zouden in eene luchtstreek, die minder gezond was, dan haare geboorte-grond.

Dir verkeerd stelzel werd zoo dwaaslyk uitgevoerd, ais het ligtvaardig was aangenomen. Alles werd aldaar ingerigt, zonder beginzel van wetgeving, zonder te letten op de betrekkingen, welken de Natuur onder de menschen gesteld heeft. De laatstgemelden werden in twee zoorten verdeeld, eigenaars en arbeiders. Men hield niet in 't oog, dat deeze verdeeling, die in Europa stand grypt, het gevolg is van oorlog, omwentelingen, en oneindige toevalligheden, die de tyd te weeg brengt; dat zy voortkoomt uit de voortduuring van een maatschappelyk leven, maar geenzints de eerste grondslag is der maatschappye, die in haaren oorsprong wil, dat alle haare leden in den eigendom deel hebben. De Volkplantingen, die nieuwe bevolkingen, en nieuwe maatschappyen zyn, moeten deezen grondregel volgen. Met den eersten tred ging men 'er reeds van af, door de landen in Guiana alleen toeteschikken aan hun, die zekere geldsommen, tot de bebouwing noodig zynde, konden aanbrengen. De overigen, wier begeerlykheid men door ydele of wisselvallige hope gaande maakte, werden van het aandeel in de landen uitgesloten. Dit was een gebrek van Staatkunde, [ 230 ]tegen de rechten van het menschdom inloopende. Indien men aan alle de nieuwe Colonisten, welken men naar dit naakte en woeste Gewest heen voerde, een gedeelte gronds om aan te leggen gegeven had, zoude elk het bebouwd hebben op eene manier, aan zyne kragten en vermogens geëvenredigd: de één met zyn geld, de ander met zynen arbeid. Het was een onvermydelyk vereischte geweest, om aan alle de leden der nieuw aangelegde bevolking eenen eigendom aan te bieden, alwaar zy hunnen arbeid, hunne vlyt, hun geld, met één woord, hunne meer of min uitgestrekte vermogens, konden te werk leggen.

Menschen, naar onbebouwde landstreeken overgevoerd, vonden 'er niets dan behoeften. De geregeldste en onafgebrokenste arbeid konde niet beletten, dat zy, die in deeze woestenyen met het aanleggen van landen hunnen tyd doorbragten, van alles ontbloot bleven, tot het meer of min afgelegen tydvak van den oogst. Ook verbond zig de Regeering, aan wien zulk eene blykbaare waarheid niet ontsnappen konde, om alle Duitschers, alle Franschen zonder onderscheid, welke tot de bevolking van Guiana geschikt waren, twee jaaren lang te onderhouden. Maar deeze daad van rechtvaardigheid was geene daad van voorzigtigheid: het was te voorzien, dat al wierden zelfs de [ 231 ]levensmiddelen met zorg, met yver en met belangloosheid in genoegzaamen voorraad opgelegd; de meestcn derzelven noodwendig moesten bederven, het zy op de reize, het zy naderhand: het was te voorzien, dat gezouten vleesch, wel of kwalyk bewaard, nimmer een geschikt voedzel zyn zoude voor ongelukkige vluchtelingen, die eene gezonde en gematigde luchtstreek verlieten, om de brandende zand-woestynen onder de gezengde luchtstreek te bewoonen, om de vochtige en regenachtige lucht der zonne-keerkringen in te ademen.

Eene verstandige Staatkunde zoude zig met de vermeerdering van het vee hebben bezig gehouden, alvorens te denken, om 'er menschen te vestigen. Deeze voorzorg zoude niet alleen een gezond voedzel aan de eerste Colonisten bezorgd hebben, maar hun ook de gepaste werktuigen opgeleverd tot de ondernemingen, welke de vorming van eene nieuwe bevolking verëischt. Met deeze hulpmiddelen zouden zy de vermoeijenissen hebben getrotseert, welke de Regeering op zig genomen had rykelyk te zullen betalen. Zy zouden woonplaatsen en koopwaren bezorgd hebben aan hun, die 'er hun verblyf moesten houden. Op deeze wyze zoude de ontworpene Volkplanting in kor[ 232 ]ten tyd eene behoorlyke vastigheid verkregen hebben.

Men maakte deeze aanmerkingen niet, hoe eenvoudig en natuurlyk ook: na het doorstaan van eene lange reize, werden twaaf duizend menschen ontscheept op woeste en onbebouwde kusten, in het ongunstigst jaargetyde, in het regen-saisoen. Indien de nieuwe Colonisten in het begin van het saisoen van droogte waren aangeland, op de hun toegeschikte landen verdeeld, zouden zy den tyd gehad hebben, om hunne wooningen in gereedheid te brengen, de bosschen om te hakken of te verbranden, hunne velden te bearbeiden en te bezaaijen.

By gebrek van deeze voorzorge, wist men de meenigte van menschen, die na malkanderen aanlandden, niet te plaatsen. Het Eiland Cayenne zoude tot eene plaats van rust en verversching voor de kortlings ontscheepte persoonen gestrekt hebben. Men zoude 'er wooningen en middelen van bestaan gevonden hebben. Maar het vooröordeel, om de nieuwe en de oude Volkplanting niet onder elkander te vermengen, deedt deeze voorzorge in den wind slaan. Als een gevolg van deeze styfhoofdigheid, plaatste men twaalf duizend ongelukkigen op de Salut-Eilanden, aan de oevers der Rivier Kourou, onder tenten en [ 233 ]in slechte hutten[2]. Aldaar, verwezen zynde tot werkeloosheid, verveeling, het gemis der eerste benoodigdheden, besmettelyke ziekten, die altyd door bedorven voedzel veröorzaakt worden, tot alle de wanörden, welke de ledigheid voortbrengt onder een volk, dat verre heen vervoerd, zig onder eene nieuwe luchtstreek bevindt, eindigden zy hun droevig lot onder de verschrikkelykste wanhoop. Hunne asch zal steeds om wraak roepen tegen de voorstanders van eene onderneming, die zoo veele ellendige slachtöffers gemaakt heeft.

Op dat niets aan het onheil ontbreken zoude, en de geldsommen, tot de uitvoering van eene ongerymde onderneming geschikt, geheel en al ver[ 234 ]spild zouden worden, oordeelde hy, die in last had om aan alle deeze noodlottigheden een einde te maken, zig verpligt, om twee duizend menschen welker sterk gestel aan de ongunstige luchtstreek, en de onuitsprekelykste ellenden wederstaan had, naar Europa te rug te voeren.

Een zestigtal van huisgezinnen uit Duitschers en inboorlingen van Acadia bestaande, ontsnapte echter aan de algemeene verwoesting. Zy sloegen zig neder aan de Sinamari, wier oevers nimmer door de zee overstroomd worden, en vonden aldaar eenige natuurlyke velden, en een grooten overvloed van Schildpadden. Die zwakke Volkplanting heeft zig, langs deeze Rivier, in stand gehouden. De visscherye, de jagt, de vee-fokkerye in de uitgestrekte zand-woestynen, welken de Natuur in deeze streeken gevormd heeft, het planten van een weinig ryst, Turksch graan en catoen; deeze leverden hun het noodige middel van bestaan op.


*

  1. ANTOINE BIET, de opperste der Zendelingen, die toen naar Guiana vertrokken, verhaalt, dat elk der deelgenooten, welken men Seignieurs associés noemde, het bevel wilde voeren. ROIVILLE lag ziek, toen hy vermoord wierd. Hy scheen 't lot, het welk hem over het hoofd hing, te voorzien, en was zeer ontroerd van geest. Den 17 September 1652, omtrent middernacht, werd BIET door een zeer sterk geraas ontwaakt; en op het zelfde oogenblik hoorde hy een geroep: Werp dien schurk in de zee. Willende zien wat 'er gaande was, wierd hy te rug gestooten. Kort daar op deeden hem de moordenaars by hun komen. Hy beklom de hut, en schrikte op het zien van het bed van den Generaal, geheel met bloed besmet, en waar op twee bebloede baijonnetten lagen. Men verklaarde aan den Zendeling, dat de deelgenooten raadzaam geöordeeld hadden zig te ontdoen van eenen man, die het voornemen had hen allen van kant te helpen. BIET ging heen; maar des anderen daags liet men hem wederkomen, hem aanzeggende, dat hy den dood van den Generaal aan al het scheepsvolk zoude hebben bekend te maken. De Geestelyke was 'er zeer verlegen mede. Hy besloot echter te gehoorzamen, maar hy deed zulks, zonder den gepleegden moord te rechtvaardigen.
  2. Men kan niet zonder yzing aan den naam van Kourou denken, zegt de Burger LESCAILLIER; aan die plaats, alwaar 13000 menschen het leven lieten, en de slachtöffers werden van een ontwerp, het welk misschien uitvoerlyk geweest was, indien het met gematigdheid en voorzorge was aangelegd geweest; alwaar de Staat dertig millioenen aan onkosten verspilt heeft, met geen ander gevolg, dan dat, deeze ongelukkige Volkplanting een geruimen tyd haare achting verloren heeft; terwyl men aan den aart der luchtstreek toeschreef, het geen slechts de misslag der Regeering, en het gevolg van een verkeerd overleg was. (Exposé des moyens de mettre en valeur, & d'administrer la Guiane, an VI.)