Naar inhoud springen

Reize naar Surinamen en Guiana/Tweede aanhangzel (6)

Uit Wikisource

[ 283 ]




ZESDE HOOFTSTUK.

Behandelingen, welken de Indianen in Fransch Guiana ondergaan hebben. — Middelen om hun voor de Volkplanting nuttig te maken.


In het begin, toen de Franschen zig in Guiana nederzetteden, stelde men de Indianen in eenen staat van slavernye, en maakte hen tot een voorwerp van koophandel. De Regeering dit hatelyk misbruik verboden hebbende, zoo dra zy daar van kennis kreeg, deedt men het zelfde ten aanzien van de Indianen, die uit de Binnen-Landen kwamen, en aan andere Europeesche volken toebehoorden. Wanneer eindelyk dit laatste middel door gestrenge verbonden ontnomen wierd, veröorloofden zig de blanken, van het vertrouwelyk character der Indianen, en hunne geneigdheid tot sterke dranken, misbruik makende, om dezelven, gedeeltelyk met hunne toestemming, gedeeltelyk met geweld, tot arbeid en diensten te gebruiken, waar voor zy hun zeer slegt betaalden.

Wanneer middelen van overreding daar toe niet meer hielpen, stelde men beveelen van de Regeering of Bevelhebbers in de plaats. Door een ge[ 284 ]bruik, het welk eenigermaten tot een wet geworden was, bestond het loon, het welk deeze arme Indianen voor een maand arbeids genoten, in anderhalf el van eene grove roode stof, die men hun voor zes livres aanrekende.

De Gouverneurs noodzaakten de sterkste manspersoonen van dit merkwaardig volk tot lange en moeijelyke diensten, tot jagen en visschen, ten behoeven van de Opperhoofden der Volkplanting.

Hier van was het gevolg, dat deeze ongelukkigen, die, om van hun onderhoud zeker te zyn, geduurende het goede jaargetyde hadden behooren te arbeiden, naar hunne woonplaatsen te rug keerden op een tyd, dat zy zig tot deezen zoo hoognoodigen arbeid niet meer begeven konden. By hunne aankomst vonden zy dikwils hun huisgezin ten prooy van hongersnood, of ten minsten half vervallen. Wanhoop, ellende, slecht voedzel, het welk men zomtyds aan de beesten niet gegeeven zoude hebben, deeden hen eindelyk sneeven.

Zulk eene verkeerde handelwyze had tot haaren grondslag het vooröordeel van de meeste blanken, die verönderstelden, dat deeze Indianen een slag van menschen waren, verre beneden hun, en geschikt, om aan hun onderworpen te zyn. Dit ongerymd denkbeeld was strydig met de beveelen, welken de Regeering ten deezen opzigte altyd ge[ 285 ]geven heeft. Dezelve had de Indianen voor vrye menschen verklaard, die met de blanken gelyk stonden; en nimmer hebben de voornaamste en gegoedste inwooners eenig vooröordeel gehad, tegen de huwelyks verbintenissen met Indiaansche vrouwen, noch tegen de kinderen, die daar uit geboren werden, en van de Europeesche in 't minst niet onderscheiden zyn.

Zy, die binnen 's Lands, uit hoofde van hunne posten, deeze buitensporigheden behoorden tegen te gaan, waren 'er dikwils zelve schuldig aan, of ten minsten zy gedoogden dezelven. Zulk een gedrag heeft ongevoelig den ondergang of de verhuizing van een groot getal Indianen veroorzaakt. Alle de landstreeken in de nabuurschap onzer bezittingen gelegen, zyn 'er thans door ontvolkt

De Burger LESCAILLIER, van wien wy deeze byzonderheden ontleenen, stelt zig zelven de vraag voor, of men het ongeluk van deeze volken niet berokkenen zoude, door hen in de zelfde maatschappye met ons te doen leven, en onze zeden en gebruiken te volgen? Hy antwoordt neen, mits men hun op eene rechtvaardige wyze behandelde. Door hen te beschaven, en in gemeenschap met de blanken te brengen, zeg hy, zal men den haat en de jaloersheid uitdooven, die de verschillende Indiaansche volken verdeelen; [ 286 ]men zal hen allen, ten langen lesten, tot een eenig volk zamen smelten. Men zal de vooroordeelen, die hun verblinden, doen verdwynen. Zy zullen het zeker vooruitzicht hebben op een bestaan, het welk, in hunnen tegenwoordigen staat, maar al ta dikwils wisselvallig is.

By de voortbrengzels, die het Land van zelf oplevert, zullen zy die geenen voegen, welken de arbeid hun in meerder overvloed en volkomenheid bezorgt. Tegen verruiling van hunne waaren, zullen zy zig gereedschappen, gewerkte stoffen, koopwaaren aanschaffen, waar van zy nu, of in 't geheel niet, of slechts gebrekkig voorzien zyn. Men zal voor al zorge dragen, om hun vee van allerleije zoort te beschikken, waar voor zy het noodig voedzel verkrygen zullen, door, na het omhakken der bosschen, weilanden aan te leggen. Door onder dit volk werkzaame blanken te vermengen, zal men hun den landbouw, de handwerken en de noodzakelykste konsten der Europeanen leeren. Eenige weinige jaaren zullen voldoende zyn, om deeze kwalyk bestuurde, en zoo lang verachte, landstreek van gedaante te doen veranderen.

De straks genoemde Bestuurder had eenigen van deeze middelen beproefd, en daar van reeds blykbaare uitwerkingen bespeurd. [ 287 ]

De Indianen, die onder de zendelingen van Macary waren ingelyfd, hadden levensmiddelen, catoen, tabak, voortgeteeld. Zy hadden gezouten visch, maniok meel, (couac,) tabak in carotten, op de Brazilsche manier, in de hoofdplaats aangebragt: wel is waar, in eene kleine hoeveelheid, maar genoegzaam, om daar van voor het vervolg goede gedachten te vormen. De meesten droegen kleederen en schoenen naar de manier der blanken, wier taal zy ook spraken. De vyf Hoofd-Capitains, of Opperhoofden van dit Gewest, beesten gevraagd hebbende, om aan te kweeken, deedt men 'er hun eenigen toekomen.

Die van Conani bereikten byna denzelfden trap van beschaafdheid.

De Indianen van de Rivier Aprouago, ten getale van twaalf honderd, hebben dezelfde vorderingen gemaakt. Zy hebben gebruik gemaakt van de volkomene vryheid, die hun, met opheffing van alle diensten, was te rug gegeven, en zy hadden reeds regelmatig aangelegde Catoen- en Koffy-Plantagiën tot hun eigen onderhoud. Eene aanmerkelyke verhuizing van Indianen uit de Binnen-Landen, door het zagter Regeerings-bestuur, het welk ten aanzien deezer volken meer en meer werd in acht genoomen, uitgelokt, vermeer[ 288 ]derde het getal der inwooners in den omtrek der Rivier Aprouage.

De Indianen, by de Rivier Kaw woonende, ten getale van meer dan vyftig, hadden insgelyks zeer fraaije beplantingen. Zy hadden ook het voornemen, om beesten te weiden.

Van de Rivier Kaw, tot aan de Rivier Kourou, vindt men geen enkelen Indiaan. By de laatstgemelde waren twee bevolkingen, uit omtrent zestig persoonen bestaande, zynde het ongelukkig overschot van een zeer groot aantal, die voor de rampzalige volkplanting, in 't jaar 1763 ondernomen, in dit gedeelte gevonden werden.

Een Planter, genaamd TERRASON, en woonende te Carouabos, omtrent twee en een halve myl onder den wind van Kourou, heeft in zyne nabyheid een klein Indiaansch volk by elkander verzameld, en eenigermaten tot zyn eigen aangenomen. Hy heeft hen tot den landbouw aangemoedigd. Hun eenig denkbeeld van onze genietingen gevende, heeft hy hun geleerd zig dezelven door hunnen arbeid aan te schaffen. Hy heeft hen vooral onderwezen in de konst van beesten te weiden, eene konst, waar van hy hun alle de voordelen geleerd heeft.

De Indianen van de landstreek van Siniamary zyn, even als de anderen, van alle slaafsche dien[ 289 ]sten omtrent de blanken vry gesteld. Zy hebben beplantingen aangelegd, waar toe men hun eenige gereedschappen geschonken heeft.

Anderen van dezelfde nabuurschap hebben om beesten verzogt. Zy waren daar toe, zoo door de Regeering zelve, als door het voorbeeld der Indianen van Iracoubou, die tien koeyen en een stier ontvangen hadden, uitgenoodigd. Men bezorgde hun, twee maanden lang, iemand, die hun in het oppassen van hun vee onderrigtte. Dezelfde persoon moest zig van tyd tot tyd vervoegen by de andere Indianen, die zig op de veefokkerye toeleiden.

Men oordeelde het nuttig te zyn, om in het gedeelte, dat onder den wind gelegen is, te Mana en te Marony, twee bevolkingen aan te leggen, en daar door eene verzameling van Indianen van geregelde levens-manieren te maken. Behalven de oogmerken van burgerlyke beschaving en bebouwing der landen, stelde men een geschikt Opperhoofd aan, om deeze Indiaansche volken te bestuuren, daar mede bedoelende, om met hun in door hun bewerkte goederen handel te dryven, en hunne geduurige reizen naar Surinamen voor te komen, van waar zy de benoodigde koopwaren by verkiezing gingen halen, niet alleen om dat zy [ 290 ]'er digter by woonen, maar vooral, om dat zy dezelven aldaar van betere zoort vinden.

Door deeze middelen, en eene aanhoudende oplettendheid, kan men den algemeenen welvaart van eene Volkplanting bevorderen, die al den aandacht der Regeering verdient. De volkrykheid der aldaar woonende Indianen zal van zelve vermeerderen. Hun voorbeeld zal uit de Binnen-Landen, zelfs uit die streeken, welke buiten onze grenspalen gelegen zyn, verscheiden van hunne nabestaanden en bondgenooten lokken; iets, waar mede zy zig reeds beginnen bezig te houden. Een der Capitains had het ontwerp gevormd, om naar Hollandsch Guiana te gaan, en zelfs tot aan de Rivier Orenoco, van waar hy dagt verscheiden Indianen, zyne nabestaanden of vrienden zynde, mede te brengen, door hun berigt te geven van de manier, op welke zy by de Franschen werden aangemoedigd.

Het oogmerk van den meergemelden Bestuurder was bovendien, om dit volk door huwelyken met de blanken tot eene gemengde zoort te maken, en die huwelyken te bevorderen, zoo dikwils hy onder hun een vlytig en braaf man, die in eene Indiane zin had, gevonden zoude hebben. Insgelyks zoude hy Indianen hebben laten trouwen met blanke vrouwen, die van goede zeden [ 291 ]en arbeidzaam waren. Men zoude aan de mannen landeryen, en aan de vrouwen gereedschappen, werktuigen tot den landbouw behoorende, beesten, en dingen van de eerste behoefte, tot eene huwelyks-gift gegeven hebben. "Geduurende het kort verblyf, door my in deeze Volkplanting gehouden, zegt de Burger LESCAILLIER, heb ik slechts twee van deeze huwelyks verbintenissen kunnen beproeven, die my zyn toegeschenen volmaakt gelukt te zyn [1]."

Op die wyze zoude men uitgestrekte Landen, die, tot hier toe, byna geheel aan de Natuur waren overgelaten, in gelukkige, volkryke en wel bebouwde Landstreeken, hervormd zien. Het Fransche volk, wiens bezittingen in Guiana niet meer dan groote woestenyen zyn, zoude in de daad eigenaar worden van een Land, byna zoo uitgestrekt, als Frankryk zelve. Het zoude eene talryke bevolking tot zig trekken, bestaande uit eene zoort van inboorlingen, hoedanigen men in geene van onze andere Volkplantingen ontmoet.

  1. Ik vermeene alhier, ter eere van deeze beide huwelyks verbintenissen, te moeten herïnneren, dat het geen de Burger LESCAILLIER gedacht en beproeft heeft, overëenkoomt met den raad, door RAYNAL gegeven, in zyne Histoire Philosophique des deux Indes. Liv. XIII. Tom. III, pag. 359. & suiv. Edit, in 4º.