Naar inhoud springen

Ridder Metter Swane/Bijlage II

Uit Wikisource
[ 94 ]

II. Het uit het volksboek getrokken historielied.




Verscheidene der meest gelezen volksboeken zijn voor eenige eeuwen tot liederen omgewerkt, en in dien vorm door het volk gezongen. Dat dit ook met de Historie van den Ridder metter Swane is geschied, was tot dusverre onbekend. Aan eene vriendelijke mededeeling van Dr. P. Leendertz Jr. te Amsterdam dank ik deze wetenschap. Het eenige bewaard gebleven exemplaar van dat Historielied bevindt zich in diens bezit en hij had de bereidwilligheid het mij ter uitgave af te staan.

Evenals de andere tot ons gekomen historieliederen is de Historie van den Ridder met de Swaan uitgegeven als een vliegend blaadje, en derhalve gedrukt op dezelfde wijze als andere liedjes. Het beslaat een half folio-vel, in vieren gevouwen, en heeft dus 8 bladzijden, klein-octavo. Op de eerste bladzijde staat de titel, die nagenoeg gelijk is aan dien der volksboeken. Daaronder vindt men eene houtsnede, een fragment van een oud houtblok (wellicht uit de 16de eeuw) en voorstellende een ridderschaar, op fantastische dieren gezeten en brandende fakkels zwaaiende, voorafgegaan door een ridder op een draak met een lans in de hand. Daarmede is de bladzijde echter nog niet gevuld; er volgt dus nog een gedeelte van den tekst, namelijk 4 coupletten op 8 regels gedrukt. De tekst is met een zeer kleine Gothische letter gezet, zoodat telkens twee verzen van het lied op één regel konden worden geplaatst. Een gewone bladzijde bevat niet [ 95 ]minder dan 50 regels, d. i. 25 coupletten. Natuurlijk is de Historie niet gepagineerd, maar het blaadje draagt de signatuur AA 3 [A 4].

Het lied is in tweeën verdeeld. Het tweede deel begint op fo A 3 ro; er boven staat een zeer klein rond vignetje met een man te paard. Deze verdeeling is echter niet gemaakt om den zanger een rustpunt te geven - deze zal zelf wel reeds eerder rust genomen hebben -, maar ten gerieve van den lezer; gelijk de tekst zelf ons leert. Het lied kon niet als het volksboek in hoofdstukken afgedeeld worden en 152 coupletten is wel wat veel aan één stuk, zelfs om gelezen te worden.

Over de wijze van bewerking van het Historielied behoef ik niet uit te weiden, omdat het hierachter wordt herdrukt. Men zal zien dat de loop van het verhaal vrij uitvoerig wordt weergegeven. Alleen wil ik hier aanteekenen dat in het lied geen melding wordt gemaakt van de nakomelingen van den Zwaanridder en dat zelfs de naam van het hertogdom Bouillon geheel wordt verzwegen. Waarschijnlijk is dit met opzet geschied, omdat de bewerker alleen de hoofdlijnen van het verhaal wilde aangeven.

Taal en vorm wijzen er op dat de bewerking dagteekent uit de 17de eeuw. Onder den bewaard gebleven afdruk staat: „t’ Amsterdam gedrukt, by Jacob Brouwer, Boekdrukker in de Egelantierstraet, 1710”. Dit is echter stellig wel niet de oudste druk die heeft bestaan, al is het de eenige dien wij kennen.

Zooals aangegeven wordt kan het lied gezongen worden op de stemme: O Heylig Salig Bethlehem. Dit is in de 17de en 18de eeuw in Holland een bijzonder geliefde zangwijze geweest, waarop zeer vele geestelijke zoowel als wereldsche liederen zijn gedicht. Het vers zelf, getiteld „Lof van Bethlehem”, is o. a. te vinden in de tot in 1874 herdrukte Enkhuizer „Geestelyke Kers- en Nieuwe-jaers Liedjes”, een liedboekje dat uit de 17de eeuw dagteekent.

Van de melodie bestaan verschillende varianten. Een daarvan, die ik vond in twee verschillende muziekhandschriften uit de 18de eeuw, beide uit Noord-Holland afkomstig, en waarvan het dus waarschijnlijk is dat zij de daar het meest verbreide lezing bewaart, laat ik hieronder volgen.

[ 96 ]

\header {
  tagline = ""
}

\paper {
  indent = 0
}

\score{
  \context Staff="default"
  {
      \cadenzaOn
      \key f \major
      \time 4/4
      g'8 [ ( a'8 ) ] \bar "|" \once \stemUp bes'4 a'4 g'4. _( a'8 \bar "|" bes'8[ c''8]) d''4 d''4 cis''4 \bar "|" d''2 r4 d''4 \bar "|" \break
      d''4 g''4 f''2 \bar "|" d''2 e''4 d''4 \bar "|" \once \omit Accidental c''2 bes'2 \bar "|" r4 d''8 [ ( c''8 ) ] bes'4 a'4 \bar "|" \break
      g'2 fis'2 \bar "|" g'8 [ ( a'8 ) ] bes'8 [ ( c''8 ) ] a'2 \bar "|" r4 a'4 a'4 \once \stemUp bes'4 \bar "|" c''2 d''2 \bar "|" \break
      \once \stemUp bes'4 c''8 [ ( bes'8 ) ] a'2 \bar "|" g'2. \bar "|."
  }

  \addlyrics {
      Lief- heb- bers hoort dit won- der lied, Dat
      ik u hier zal voor gaan zin- gen, ’t_Geen o- ver
      lang al is ge- schied, Van won- der- lij- ke
      vreem- de din- gen.
  }
}

Het Historielied is letterlijk herdrukt, met behoud van de spelling en interpunctie.

[ 97 ]

Een Schoone
HISTORIE,
Van de Ridder met de Swaan
die te Nimweegen in Gelderland te Scheepe
quam, by de geleyden van een Swaen uyt
't Land van Lylefoort, genoeglik om
te zingen.

Stemme: O Heylig Salig Bethlehem.

LIef-hebbers hoort dit wonder Lied,
Dat ik u hier zal voor gaen zinge
't Geen over lang al is geschied,
Van wonderlijke vreemde dingen.
[ 98 ]In 't oude Land van Lijlefoort,
Een Conink Oriant geheten,
Die dat Regeerde zo 't behoort,
En lang in vreeden heeft beseten.

Hy was een Soon van Pyrion,
En leefde heerlijk als zijn Vader,
Dat Matabrun niet lijden kon,
Al wast zijn Moeder zy was quader.

Want zy droeg hem geen goede zugt,
Gelijk de nijd dan pleeg te werke
Maer werpt op hem een vats gerucht,
Gelijk gy volgens sult bemerken.

Hy wierd eens lustig tot de jagt,
In 't grote bos van 't oud' Ardenne,
Daer heeft 't geluk hem toegebragt,
Een vliegend' Hart snel na to renne .

Sijn paert hy flukx die sporen gaf,
Om het voor lopend' Hart te jage,
Zoo dat in 't lest hy dwaelden af,
Van al zijn Edeldom en Magen.

Aldus verdoolt by een Fontijn,
En gink om zijnen dorst to boeten,
Quam daer een edel Jonkvrou reyn,
Die hem aldus bestont to groeten.

Mijn Edel Heer en belgt u niet,
Ik moet u met beleeftheyd vragen,
Wie raed u hier in mijn gebied,
Dus stoutelijk to komen jagen.
[ 99 ]Gy jaegt mijn wild zo snellijk na,
Dat u door water is ontlopen,
Nu wil ik dat gy boed de scha,
Eer gy 't met erger moet bekoopen.

Hy sag haer met verwonder aen,
Verstond ook wel wat dat zy zeyde,
En bleef als van hem zelve staen,
Want Venus 't net van liefde breyde.

De minneschigte die zy schoot,
Uyt haer aen lockende bruyn oogen,
Die deden hem by na de dood,
Zo was hy met haer liefd' door toogen.

Hy sprak jonkvrouwe lief ik meen,
Dat ik hier wel mijn vreugt mag nemen,
In 't land dat ik uyt gaf te leen,
Dat niet van my en mag vervremen,

De Coninks Kroon van Lijlefoort,
Die ik dus lange heb gedragen,
Die staet wel vry gelijk 't behoort,
Dat ik in dit voor eerst[1] mag jagen.

Want Oriant is mijnen naem,
De Conink Pyrion mijn Vader,
Dus dunkt 't my wel zo bequaem,
Dat gy zult boeten als misdader.

Als Savary haer Schilt-knegt kloek,
Den Conink kende aen zijn spreken,
Deed hy al knielende dit versoek,
Met soete woorde en met smeken.
[ 100 ]Ach hoog beroemde majesteyt,
Ik bid genaed' en om mijn leven;
Zo u mijn Vrouwe heeft misseyt,
Dat haer genadig te vergeven.

U Majesteyt doch wel versint,
Dat zy u hoogheyd niet en kende,
En onbekent maekt onbemint,
Dit is haer onschult tot den ende.

De Conink sprak tot dees Jonkvrou,
'k Vergeef u dees geringe sonde,:
Want ik verklaer u by mijn trou,
Dat ik noyt schoonder maegt en vonde.

Daerom Jonkvrou van goeder aert,
Laet mijn begeert u niet berouwe
Zo lang als mijn den Hemel spaert,
Zal ik u voor de liefste houwen.

Dus zo gy wesen wilt mijn Bruyd,
Ik sal u maken Coninginne,
Van Lijlefoort na mijn besluyt,
Daer toe dwingt my oprechte minne.

Groot magtig Heer ik ben beschaemt,
Sprak zy met neer geslage oogen,
En ben daer toe te laeg befaemt,
Dat gy mijn Heer my sou verhogen.

  1. Lees: foreest