Rijmbijbel/Ezechiël
| ← Tobias | Rijmbijbel (1332) door Jacob van Maerlant | Daniël → |
Alle voetnoten en regelnummers zijn wikisource-toevoegingen. |
Om datter goede mede waren gevaen
Des mote wi der goeder gewagen
16110Die daer in prisoene lagen
Die profere ezechiel
Wasser int lant weet men wel
Ende troeste sere die gevaene
In die gelove vort te stane
16115Hi profeteerde ende vorseide
Dat tcruce ende doepsel beide
Entie verisenisse van ons allen
Die ten ionxten[1] sal gevallen
Ende oec vorseidi die comst noch
16120Van goch ende van magoch
Dats volc dat in haren dagen
Kerstniede sal sere plagen
Doch salmense alle verslaen te doot
Oec so scalthi ende verboot
16125Tanebedene die afgode
Ende si lieten niet gods gebode
Van gats geslachte ende van dan
So scalthi alremeest die man
Om dat si niet hilden die wet
16130Ende si dandre diese hilden bet
Dan si die sloegen ende staken
Ende hi vorseide in waren zaken
Dat haer negeen nembermere
Weder tesinen lande en kere
16135Hier omme worden si up hem erre
Ende slepten met parden verre
Over die stene so dat sie braken
Hem siin hoeft in waren saken
Ende daer na so groeven si hem
16140Daer noes sone lach sem
Ezechielle geviel mee
Tvolc quam eens dages van calde[2]
Hem te slane ende siin volc mede
Daer dede hi met sire bede
16145Cobarre[3] die riviere stille staen
Hi entie sine ginger over saen
Entie hem volgeden om bedwanc[4]
Leesmen dat aldaer verdranc
- ↑ ionxten: de jongste dag, de dag van het laatste oordeel
- ↑ calde: Chaldea (Hist.Schol. Chaldaea), in de bijbel synoniem met Babylonië. Vgl. Vulg. Gn 11:28 Ur Chaldeorum. Bijbel: Hist.Schol. Lib.Gen. Cap.XLII
- ↑ cobarre: (cobar) Kebar (Vulg./Hist.Schol. Chobar), zijkanaal van de Eufraat. Bijbel: Vgl. Ez 1:1, Hist.Schol. Lib.Eze. Cap.V
- ↑ bedwanc: overheersing, onderdrukking