Romeinsche Geschiedenissen/Eerste Deel/Hoofdstuk VIII

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Hoofdstuk VII Romeinsche Geschiedenissen, Eerste Deel van Martinus Stuart


Agtste Hoofdstuk
Algemeene aanmerkingen over den toestand van Rome, onder de koninglijke regeering.

[ 506 ]
AGTSTE HOOFDSTUK.
ALGEMEENE AANMERKINGEN


OVER DEN


TOESTAND


VAN


R O M E,


ONDER DE


KONINGLIJKE REGEERING.
============


Zeldzaame
langduurig-
heid der koninglij-
ke regeer-
ringen.
Twee honderd en vier-en-veertig jaaren was Rome door Koningen geregeerd geweest.(1) Geduurende dien langen tijd hadden slechts zeven Vorsten op den throon gezeten, en van die zeven waren 'er vier om het leven gebragt en de laat-



(1) Dion. Hal. L. IV. p. 277. Liv. L. I c. 60.
[ 507 ]
507ROM. GESCHIED.

I.
BOEK.
VIII.
HOOFDST.
ste onthroond. Geene andere geschiedenissen leveren eenig voorbeeld op, dat zeven Vorsten, ook dan niet, wanneer zij elkanderen te zamen erflijk opvolgden, zulk eenen langen tijd geregeerd hebben. Het zeldzaame hier van heeft bij sommigen de geheele geschiedenis der koninglijke regeering verdacht gemaakt, en anderen om eene nieuwe tijdreekening voor de oude geschiedenis van Italie doen denken, waar door men eenige gewigtige gebeurenissen, als den ondergang van Troje, veel laater plaatzen kon, en dus zoo wel voor de veertien Koningen van Alba als voor de zeven van Rome een aanmerklijk tijdvak wegnemen, het geen de oude geschiedschrijvers niet zouden hebben kunnen aanvullen, zonder die regeeringen zoo buitengewoon als onwaarschijnlijk te verlengen.(1) Zeer gaarne erkennen wij mede de zeldzaamehid dezer langduurige



(1) Iz. Newton. Chronol. p. 128. Dat echter de tijdrekenkunde van dezen onvergelijklijken Wijsgeer in eene omgekeerde rede tot deszelfs natuurkunde stond, heeft de geleerde en schrandere Warburton getracht te betoogen in de Godlijke zending van Mozes, D. III. Boek. IV. Afd. 5.
[ 508 ]
508ROMEINSCHE

I.
BOEK
VIII.
HOOFDST.
regeeringen, maar durven nooit, wanneer het op feiten aankomst, welken het ons niet mooglijk is tegen oude geschiedschrijvers te wederleggen, uit het enkel zeldzaame tot het volstrekt valsche dier feiten besluiten. Wie toch nam ooit het zonderlinge voor den algemeenen toetssteen der waarheid aan?


Voordee-
len der ko-
ninglijke
regeering
voor Rome
Onder deze lange koninglijke regeering, welke door het inmengzel van Aristocratie en Democratie niet gemaklijk in eene overheersching ontaarten kon, (1) genoot Rome alle die voordeelen, welken zij van het alleruitmuntendste staatsgestel zou hebben kunnen verwachten. — Eene ruwe onbeschaafde menigte, uit allerleie Volken te zamen gebragt, werd met het diepst besef van die onderwerping vervuld, welke in alle maatschappijen zoo noodzaklijk is; en te gelijk werd de moed en vaderlandsliefde van dien gemengden hoop zoo bestendig ontvonkt, en zoo schrander geleid, dat deszelfs onderwerping even min in eene laaghartige slaaver-


(1) Montesqieu l'Espr. des loix, Liv. XI. ch. 3. Vertot Tom. I. p. 14. [ 509 ] Pagina:RomeinscheGeschiedenissen1.pdf/561 [ 510 ] Pagina:RomeinscheGeschiedenissen1.pdf/562 [ 511 ] Pagina:RomeinscheGeschiedenissen1.pdf/563 [ 512 ] Pagina:RomeinscheGeschiedenissen1.pdf/564 [ 513 ] Pagina:RomeinscheGeschiedenissen1.pdf/565 [ 514 ] Pagina:RomeinscheGeschiedenissen1.pdf/566 [ 515 ] Pagina:RomeinscheGeschiedenissen1.pdf/567 [ 516 ] Pagina:RomeinscheGeschiedenissen1.pdf/568 [ 517 ] Pagina:RomeinscheGeschiedenissen1.pdf/569 [ 518 ] Pagina:RomeinscheGeschiedenissen1.pdf/570 [ 519 ] Pagina:RomeinscheGeschiedenissen1.pdf/571 [ 520 ]
520ROM. GESCHIED.

I.
BOEK
VIII.
HOOFDST.
gen en dus aan den goeden wil van derzelver uitvoerers alleen toebetrouwd. Tarquinius de trotsche bekreunde zich daar aan weinig, en zou door eene geduurige overtreding derzelver aandenken geheel en al vernietigd hebben, indien niet ene Raadsheer, Papyrius genaamd, alle die weten in één ligchaam bij één gebragt, beschreven, en aldus voor de vergetelheid bewaard had. De ongunst der tijden heeft ons dit gedenkstuk der oudheid niet gelaten, doch in andere schrijvers, wien een gunstiger lot is te beurt gevallen, vinden wij verscheidene aanhaalingen uit dat wetboek, waarin de oudheid der taal bij den oordeelkundigen voor de echtheid dier wetten borg blijft (1)


(1) Men vindt het geheele jus Papyrianum met de beoordeeling der echtheid van deszelfs onderscheidene wetten, bij A. Terrasson: Hist. de la jurispr. Rom. Part. I. §. 4—9. Men zie ook Gravinæ opera Lib. II. §. 22. p. 165. volgends welken Rechtsgeleerden Romulus het recht der Natuur, Numa het recht der volken, en Servius Tullius het burgerlijke recht voor Rome zou gevestigd hebben.

EINDE VAN HET EERSTE DEEL.