Rotterdamsche Courant/1867/Nummer 16/Over ’t Hooger Onderwijs
| ‘Over ’t Hooger Onderwijs vindt men in de N. Utr. Ct. een artikel en in de N. Rott. Ct. een ingezonden stuk. […]’ door een anonieme schrijver |
| Afkomstig uit de Rotterdamsche Courant, vrijdag 18 januari 1867, [p. 1]. Publiek domein. |
[ 1 ]Over ’t Hooger Onderwijs vindt men in de N. Utr. Ct. een artikel en in de N. Rott. Ct. een ingezonden stuk.
De N. Utr. Ct. geeft namelijk het slot van haar beschouwingen over de geprojecteerde Medische School te Amsterdam.
Na eenige verdere klagten over het benoemen van professoren door de curatoren, komt het blad terug op zijn begrip van universitair onderwijs. Na ’t betoog in de vorige artikelen, dat voor medici de studie van andere, vooral classieke, wetenschap praktisch een onwezenlijk ideaal is, vraagt zij nu, of een groote medische school niet in ’t vak der medicijnen alleen een meer universitaire veelzijdigheid zal opleveren; of daar de studenten niet in plaats van als putters in een kooi te moeten drinken, althans als kanaries in een volière meer dan een waterbakje zullen hebben. Zij gelooft dat wel. Doch, zoo er mogelijkheid ware om aan de verschillende akademiën het medisch onderwijs evenzeer veelzijdiger te maken, zou de N. Utr. Ct. daaraan nog de voorkeur geven, omdat te groote uitbreiding van het aantal leerlingen bij de kliniek ligt oppervlakkige waarneming bij velen ten gevolge heeft. Die fout zou echter ook weder kunnen voorkomen worden door aan de nieuwe medische school kleinere clinieken met verschillende hoogleeraren aan te leggen. De hoofdzaak is, dat de jonge lieden, wanneer zij tegen een of andere rigting of methode van onderwijs bezwaar hebben, in de gelegenheid zijn, om zich bij andere leeraren te vervoegen en niet zich behoeven te bepalen bij nuttelooze klagten.
Het stuk in de N. Rott. Ct. is lang en niet overal zeer duidelijk. Het bevat beschouwingen over eene nieuwe inrigting van ’t Hooger Onderwijs. De schr. behandelt naar zijn zeggen de zaak buiten politieke en kerkelijke animositeit om, dat wil zeggen zonder de quaestie af te doen van de intrekking der godgeleerde faculteit, of van de centralisatie der akademiën.
De steen des aanstoots voor dezen schrijver is voorloopig in de eerste plaats het propaedeutisch examen. Schr. meent, dat de studiën daarvoor aan de gymnasia geschieden moeten, en wel in twee jaren aan den vijfjarigen cursns toegevoegd. Hij zou gymnasiën met volledigen en met halven cursus in grootere of in kleinere steden wenschen. De studie aan de Akademie zou daardoor vrijer kunnen zijn; de collegie-gelden zouden aan den Staat betaald moeten worden; de meerdere ontwikkeling der studenten zou op de leeraren gunstig werken; de examina en graden zouden kunnen verdwijnen, en — daar men hier te Lande nu eenmaal aan examina als waarborg van bekwaamheid de voorkeur geeft boven een proeftijd in hospitaal, pleitzaal of pastorie — zou men eind-examens kunnen invoeren.
Schrijver intusschen vreest, als het hooger onderwijs bij de wetgevende magt ter sprake komt, den invloed der politiek op de beide bovengenoemde netelige punten, en betreurt het, dat de heer Thorbecke niet tegelijk met eene wet op het middelbaar onderwijs, ook een op het hooger onderwijs heeft ingediend.
Het militaire onderwijs te Breda wordt in de Arnh. Ct. besproken, welke den inhoud mededeelt van de beide brochures, over die inrigting verschenen.
In de eerste is de schets van het tegenwoordig onderwijs het merkwaardigst; in de andere een voorstel tot wenschelijke hervormingen, waarmede de Arnh. Ct. gemakkelijk zou kunnen instemmen.
Sedert eenigen tijd wordt de quaestie hier en daar in de bladen besproken, of de gemeentebesturen geneesmiddelen tegen de veeziekte mogen verkoopen.
Iemand meende, dat zij niet behoorden tot de personen, welke de wet tot het bereiden en verkoopen van geneesmiddelen bevoegd verklaart.
Een ander geloofde, en dat op grond van de beraadslagingen bij de vaststelling van deze wet, dat de daarin vervatte bepaling alleen op geneesmiddelen voor menschen doelde.
Thans wordt tegen deze Regeringshandeling een nieuw bezwaar in ’t Utr. Dagblad door een inzender opgeworpen. De Regering verkoopt die geneesmiddelen tegen inkoopsprijs. Dit acht de schrijver een ongeoorloofde mededinging met de verkoopers dier middelen, van welke de Regering zelve patentregten eischt. Hij vraagt, waar het einde is van den weg, waarop de Regering zoodoende den voet zet, en of men niet weldra, ter voorkoming van cholera bijv., de Regering groote winkels van levensmiddelen en wollen kleederen tegen inkoopsprijs zal zien oprigten?
Van de bevoegdheid der Regering handelt op nieuw in het Volksblad een stuk over de oude quaestie van de motie-Keuchenius.
De Nieuwe Bijdragen voor regtsgeleerdheid hebben door het opnemen van ’t ministerieel rapport van 27 sept. en van ’t professoraal advies daarover, de zaak nog eens opgewarmd.
Nu acht het Volksblad ’t noodig om op nieuw het eigenlijke punt in quaestie aan te wijzen: namelijk de vraag, of de Ministers met hun voorstel tot ontbinding de ministeriële verantwoordelijkheid miskend hebben. ’t Volksblad houdt het tegendeel vol; althans hebben de Ministers gemeend dat niet te doen. Zij erkenden die verantwoordelijkheid, doch ontkenden, dat de benoemingen behooren tot het ressort der Wetgevende Magt. Hadden zij daarin gelijk? Dat blijft nog altijd de quaestie. En zijn er in de Kamer, die dit ontkennen, die daarom meenen, dat de ministeriële verantwoordelijkheid geschonden is, laten deze dan op eene of andere wijze, al ware het bij eene motie, daarover eene discussie uitlokken, »opdat men duidelijk wete, welke denkbeelden sommige leden in de Staten-Generaal zich vormen van eene zelfstandige uitvoerende magt.” De bevreemding, die dergelijke woorden in ’t Volksblad wekken, vindt, ter verklaring van dit feit, niets anders dan de gissing, dat ’t Volksblad zich in zijne opinie over deze zaak meer en meer sterk gevoelt, zoodat het nu zelfs eene stemming in de Kamer niet meer vreest. Eenigzins weggenomen wordt die bevreemding echter door ’t geen volgt, dat namelijk ’t Volksblad hoopt, dat er geen nieuwe motiën zullen worden opgeworpen.
Naar aanleiding der Schelde-quaestie en met verwijzing naar het succes der laatste Fransche brochure van prof. Vreede, verlangt ook het Volksblad liberale Regeringshulp, ook door mededeeling van stukken, voor hem, die het verdienstelijke werk wil ondernemen van een Fransche brochure over de Scheldequaestie te schrijven.
In de Purmerender Ct. is tusschen den heer Amersfoordt, voorstander der stoomgemalen, en een inzender, voorstander der watermolens, heen en weer geschreven. De N. Utr. Ct. vestigt de aandacht op een argument van den laatste: hoe wij ’t met enkel stoomgemalen zullen maken, als door een oorlog de toevoer van steenkolen bemoeijelijkt of afgesneden wordt. Zij wijst op andere inconveniënten, die daaruit zouden voortvloeijen en gelooft over ’t algemeen, dat men met ’t oog daarop ook bij de waterwerken het oude niet te ondoordacht geheel moet loslaten.
Een Inzender in de N. Rott. Ct. dringt in het belang der openbare zedelijkheid nadrukkelijk aan op de oprigting van een algemeene slagtplaats, gelijk in vele, ook niet bijzonder groote, steden in het buitenland gevonden wordt. De redactie vereenigt zich met dit stuk uitdrukkelijk, doch niet met zoo veel warmte, als het voorstel ons schijnt verdiend te hebben.
»Laat ons thans”, zegt het Dagblad, »de liberale erfenis inventariseren, gelijk de notaris doet, voetstoots, zoo als zij in bonte mengeling ter tafel wordt gebragt.”
Volgen 45 zinsneden uit de begrootings-verslagen, waarin van deze Regering het een of ander gevraagd of verwacht wordt, en tenslotte: »laat ons hier even pauseren en tot morgen de taak tot verdere inventarisatie van de heerlijke liberale erfenis verdagen!” »Of die voorgangers ook wat te doen hebben overgelaten!”
Deze vorm van polemiek is bijzonder goed gevonden. Wie hem ’t eerst uitdenkt, heeft er het voordeel van.
’t Is goed dat zulk een erfenis niet onder beneficie van inventaris kan worden aanvaard; anders zou welligt de raad gegeven worden, om ook wat de voorgangers verrigt hebben, ter zijde te schuiven en de schulden daarenboven niet af te doen.
Geen ongeluk, zonder geluk. Hoe zouden wij ’t met onze ruimte stellen, indien de sneeuw het Handelsblad en de Amst. Ct. niet belet had ons te bereiken. Ons blijft dien ten gevolge niets over dan de mededeeling van eenige opmerkenswaardige zinsneden uit de Tijd.
»Zoo wij ons niet vergissen”, zegt het blad, »maken wij, Katholieken, thans bijna de helft der geheele bevolking van Nederland uit. Daarin is eene kracht voor den Staat, die hoe langer hoe meer moet en zal gewaardeerd worden, ook door onze Protestantsche landgenooten, die, wat zij ook doen mogen, in den staat van ontbinding, waarin het Protestantisme verkeert, dewijl zij geen gemeenschappelijk vereenigingspunt meer hebben, òf zich moeten aansluiten bij de Katholieken, òf in verdeeldheid en twist door beginselloosheid verloren gaan.”
Verder ter onwillekeurige bevestiging van het vermoeden, dat de giften van den Paus dikwijls van de nooddruft genomen worden: »Het is jammer, dat er onder de gegoeden niet weinigen zijn, die worden teruggehouden door het valsch begrip, dat al die giften toch niet baten, dewijl ze bij den nood des Pausen zijn als een droppel water in de zee.”
De Tijd wijst echter op de Goddelijke hulp, en op de kracht tot opwekking van de mildheid in andere Landen, welke niet ontbroken heeft aan het voorbeeld door Nederland gegeven.
In waarheid is er veel geloof noodig, om de redding van het wereldlijk gezag te hopen, en een geheel eigenaardige overtuiging om in het behoud pair van dat gezag het heil der wereld te zien.