Rotterdamsche Nieuwsblad/Jaargang 44/Nummer 13289/Boekenschouw

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Boekenschouw
Auteur(s) Anoniem
Datum Maandag 25 juli 1921
Titel Boekenschouw
Krant Rotterdamsch Nieuwsblad
Jg, nr 44, 13289
Editie, pg [Dag], derde blad, [1-2]
Brontaal Nederlands
Bron delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

[1]


[...]


Boekenschouw.

TOP NAEFF. Charlotte von Stein. Een Episode. Uitg. Em. Querido, Amsterdam.

      Veel heeft men gegrasduind in het liefdeleven der grooten, te veel eigenlijk. En zelden heeft dit delven in den tuin der min belangwekkende resultaten opgeleverd, want men zal het moeten erkennen, dat zelfs de minnende partijen zelf nauwelijks de verwikkelingen van hun eigen liefdesbetrekkingen hebben weten te ontwarren. En is het dan niet wat vermetel van den lezer van hun brieven dit na jaren te probeeren?
      In het onderhavige geval – Goethe—Charlotte Von Stein – zijn bovendien de brieven der eene partij verloren gegaan, n.l. die van Charlotte, door haar zelf verbrand! En dan nog, zouden Goethe’s brieven compleet zijn? De lezing van de in het licht gegeven bundels minnebrieven Goethe baart teleurstelling en evenals wanneer men de minnebrieven van andere groote geesten leest, rijst ook hier onwillekeurig bij den lezer de vraag of niet enkele brieven voorzichtigheidshalve uitgelicht zijn of men niet, voor ze in het licht te geven, de brieven geschikt heeft.
      Uit het weinige, volkomen onvolledige materiaal, dat haar ter beschikking stond, bouwde Top Naeff haar fraai geschreven studie op. Bij de lezing voelt men een eigenaardige bekoring van deze studie uitgaan. In de eerste plaats beluisteren we er in een „persoonlijk” oordeel en ten tweede het oordeel van een „vrouw”.
      Dit is de beste eigenschap van Top Naeff’s boekje, de waarlijk vrouwelijk zuivere aanvoeling van Charlotte Von Stein’s hartetoestand. Van groote waarde is de oprechtheid, waarmede de schrijfster het opneemt voor haar die ze beschrijft tegen de ruwheid, de harteloosheid van den „man” Goethe. De schrijfster wil objectief blijven en tracht dit ook te zijn, maar steeds komt haar vrouwelijke subjectiviteit onder de mom van objectiviteit om den hoek kijken. Ze is en blijft, „vrouw” in haar oordeel over den „man” Goethe, die dan daarenboven nog kunstenaar is.
      Charlotte Von Stein is voor Top Naeff de verongelijkte en wordt door haar haast als vanzelf ter waarschuwing, andere vrouwen voor oogen gesteld.
      Nieuws op literair-historisch gebied brengt de schrijfster zoo goed als niet, maar een zeer goede objectieve karakterontleding wordt den lezer in dit werkje geschonken.

THEO VAN DOESBURG. Klassiek-Barok-Modern. Uitg. „De Sikkel”, Antwerpen. Em. Querido, Amsterdam.

      Onder bovenstaanden titel is in druk verschenen een door den heer Theo Van Doesburg gehouden lezing, een lezing over de ontwikkelingsbeweging in de kunst. De schrijver, één der meest „moderne” onder de schilderende kunstenaarsbent, begint in het werkje er op te wijzen, dat het alge


[2]


meene beschouwen der kunst, zooals we dit kennen, verkeerd is, daar het berust op het dogma, dat de kunst in het algemeen of in het bijzonder in te deelen is in een opkomst, bloei- en verval-penode. Dit standpunt is steeds geweest een hinderpaal voor de ontwikkeling der kunst, daar de bovengenoemde indeeling foutief is. Ten eerste, omdat geen enkel stadium sterk gescheiden is van een voorgaand; ten tweede, omdat uitgegaa is van de vooronderstelling, dat elk nieuw standpunt sprongsgewijs, dus langs den weg der mutatie, tot stand komt; ten derde, omdat deze indeeling verlammend moet werken op de constante ontwikkeling der kunst-energie. Duidelijk zet de schrijver zijn standpunt uiteen en geeft dan een synthese van de drie scheppingsmomenten, van den menschelijken geest, die zoowel innerlijk als uiterlijk onze geheele beschavingsontwikkeling beïnvloed hebben en nog beïnvloeden, n.l. het klassieke, het barokke en het moderne. Het werkje is van waarde voor iedereen, die belang stelt in de ontwikkeling der beeldende kunst en men zal er eer toe komen moderne kunst te waardeeren, zooals ze gewaardeerd moet worden, als uiting van den tijdgeest, wanneer men kennis genomen heeft van het betoog van Theo Van Doesburg. Een aantal fraaie illustraties verduidelijkte het geschreven woord.

DIETZ EN LEOPOLD e. a. Een gezellige droom. Uitg. L. J. Veen, Amsterdam.

      Een aardige bundel vertellingen voor jongens en meisjes is dit nieuwe nummer van de „Ons Thuis-serie. Vlot vertelde verhalen zijn er in bijeenverzameld en naast deze vertelsels enkele versjes, die evenals het proza zeker in den smaak der jeugdige lezers en lezeressen, voor wie de bundel bestemd is, zullen vallen. Een eenvoudig, vriendelijk Lentebloemen-Menuet, gecomponeerd door Catharina van Rennes, voltooit het geheel. Dit boekje, dat ook, wat zijn inhoud aangaat, alleszins aanbevelingswaardig is, zal een graag ontvangen gast bij de jongeren zijn. De pakkende illustraties verhoogen de waarde van dit kinderboek.

ROMAIN ROLLAND. – „Het Leven van Tolstoï” – Uitgever Em. Querido, Amsterdam.

      De Fransche schrijver Romain Rolland is een vurig bewonderaar van Tolstoï, met wiens werken hij reeds in zijn jongensjaren, toen hij nog op de Normaalschool was, kennis maakte en die zulk een diepen indruk op hem teweegbrachten, dat zij hem nooit meer uit de gedachten zijn weggevaagd. Destijds, in 1886, verschenen Tolstoï’s werken met koortsachtige haast in de Fransche taal en zij werden gretig gelezen, vooral door de jongeren. Rolland deed meer dan Tolstoï lezen, hij maakte een diepgaande studie van de werken van den grooten Rus en daardoor kwam hij tot de overtuiging, dat Tolsloï in die boeken zijn eigen leven beschreef, er zijn ziel en zijn karakter geheel in ontleedde. Zoo heeft hij thans, uit de verzamelde werken van Tolsloï, diens leven beschreven en zijn karakter geschetst op een wijze, die veel kan bijdragen tot de kennis en het volkomen begrijpen van dezen grooten Russischen letterkundige en moralist. Tolstoï heeft er zich over beklaagd, dat hij niet voldoende werd begrepen in zijn groote, al-omvattende menschenliefde en het was wel zijn grievendst leed, dat men hem vooral in zijn naaste omgeving niet begreep. Had men daarin zijn zieleleven weten door te dringen, zooals Romain Rolland dit vermocht, dan zou hem zeker veel verdriet bespaard gebleven zijn. De wijze waarop Rolland zijn stof bewerkt heeft, getuigt niet alleen van diepe kennis, maar bovenal van een groote vereering voor den schrijver, die door hem tot onderwerp is gekozen. Ook in Nederland telt Tolstoï vele bewonderaars en zij zullen zijn werken nog beter kunnen genieten, wanneer zij kennis genomen hebben van de studie, die Rolland er van gemaakt heeft en die door Andries De Rosa zeer vloeiend in onze tual is overgebracht.

W. H. IDZERDA. Handboekje der practische Fotografie. Uitg. Mij. voor Goede en Goedkoope lectuur. Amsterdam.

      Voor ons ligt een tweede druk van dit zoo bijzonder handige, aan goede wenken en raadgevingen zoo rijke handboekje.
      Dat er zoo spoedig na den eersten druk reeds een tweede noodig was, is wel een bewijs dat het werkje, in een dringende behoefte voorzag. Veel wijziging bracht de schrijver in den herdruk niet aan. Het hoofdstuk „Oliedruk” liet hij vervallen, terwijl als nieuw opgenomen werden, enkele bladzijden gewijd aan de „Kinematografie voor den Amateur”. Ook voegde de heer Idzerda hier en daar enkele historische bijzonderheden toe. Deze nieuwe uitgave is evenals de vorige, door de uitgeefster buitengewoon goed verzorgt en verlucht met tal van illustraties.