Sicco Ernst Willem Roorda van Eysinga/Collectieve wijsheid op ingenieursgebied

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Collectieve wijsheid op ingenieursgebied
Auteur(s) R.v.E.
Datum Zondag 22 november 1874
Titel Collectieve wijsheid op ingenieursgebied
Tijdschrift De Opmerker
Jg, nr, pg 9, 47, [1]
Opmerkingen Francesco Guicciardini vermeld als Guicciardini, Pierre-Joseph Proudhon als Proudhon
Brontaal Nederlands
Bron tresor.tudelft.nl
Auteursrecht Publiek domein

COLLECTIEVE WIJSHEID OP INGENIEURSGEBIED.


      Gedwongen mij tot genezing van een voetwond naar Rolle te begeven, waarheen ik natuurlijk niet al mijne boeken hebt meegesleept, kan ik heden, tot mijn leedwezen, den draad van Herbert Spencer’s Sociologische Beschouwingen niet voortzetten. Maar gelukkig kan ik een op zich zelf staand opstel van hem mededeelen in gelijken geest als de denkbeelden, die de lezer reeds kent. En ik gevoel mij daartoe te meer genoopt, nu onze Wetgevende Macht eerlang weder veel domheid zal willen uitkramen over droogmaling van de Zuiderzee, voltooiing van Holland op zijn Smalst, aanleg van een Staatsspoorweg tusschen Soerabaia en Malang, en dergelijke werken, waarvan zij geen verstand en waarmede zij niets te maken heeft.
      Tot heden wist bijna niemand de grenzen van officieele bevoegdheid aan te wijzen. Guicciardini zeide: »Vereenig zeven wijzen tot eene vergadering, en gij hebt zeven gekken.” Paul Louis Courier schreef: »Alles, wat de Staat ondersteunt, kwijnt, behalve speelhuizen en bordeelen,” en: »hoe minder de Regeering aan ons denkt, hoe gelukkiger wij zijn.” Proudhon verkondigde de leer der anarchie of regeeringloosheid.
      Om tot minder beroemde denkers over te gaan: onlangs betuigde in eene bijeenkomst van bouwkundigen te Amsterdam dezelfde mond diepen afkeer van scherper gemeentelijke verordeningen op het bouwen en hooge ingenomenheid met een ministerie voor Kunst.
      In al de aangevoerde meeningen ligt zoowel waarheid als dwaling tot grondslag. De man, die het best de plichten van den Staat heeft afgebakend, is Herbert Spencer. Hij deed dit o.a. in de opstellen The social organism en Specialized Administration. En hij was de eenige, die op de onbekende zee zich den koers liet wijzen door een kompas. Hij ging uit van een wetenschappelijk gronddenkbeeld en van waarnemingen op de bewerktuigde wereld.
      De maatschappij – zoo redeneerde hi , – bestaat uit levende wezens; dus is zij onderworpen aan de physiologie of biologie of levensleer, gelijk alle planten en dieren. Hij volgde de stelling der dierkundigen, dat de geschiedenis van een ras of volk de geschiedenis op grooter schaal is van den eenling of den mensch.
      Hij vergeleek ook nog de verschillende trappen van ontwikkeling der maatschappij, van den wilden stam tot de constitutioneele monarchie, met de verschillende trappen van bewerktuiging in de dieren, van de laagste tot de hoogste. Door dit betoog, dat ik later zal mededeelen, kwam hij tot de stelling, dat eene Regeering alles aan de vrije nijverheid moet overlaten, behalve rechtspleging en landsverdediging. Al het overige doet de Wetgevende Macht in beschaafde maatschappijen slechter dan de particulieren.
      Men zou bezeten moeten zijn van vaderlandisme om te beweren, dat onze bewindslieden en geachte sprekers op ander gebied minder ketterijen uitbraken dan de Britsche. Ik behoef slechts de geschiedenis van den eersten Indischen spoorweg te herinneren. Minister en Kamers wedijverden met elkander, wie den palm zou wegdragen van onkunde en blindheid, nadat de Indische Regeering op gelijke wijze had uitgeblonken. In ’s Lands hoogste raadzaal werd niet één wetenschappelijke pleitgrond of tegenwerping opgevangen. Geven wij nu het woord aan Herbert Spencer.
      Een proefsteen voor de bekwaamheid onzer senatoren is een desideratum. Wij leeren zelden, in hoeverre de berekeningen van staatslieden het doelwit nabij komen, of hoe ver zij er van verwijderd blijven.
      De langzaamheid en het ingewikkelde van maatschappelijke veranderingen belemmeren de bepaalde vergelijking van uitkomsten met voorafgaande berekeningen. Soms echter stellen parlementaire beslissingen ons in staat ze bepaald te schatten. Eene vóór eenige weken genomen beslissing (1865) leverde een maatstaf tot beoordeeling van onze Wetgevende Macht, te veelbeteekenend om ze voorbij te gaan.
      Op den zoom der Cotswolds, boven het dal der Severn, treft men zekere bronnen aan, die, omdat zij aan het einde zijn van den langsten der honderd stroomen, die den Theems vormen, door eene dichterlijke fictie „de bronnen van den Theems” zijn genoemd geworden. Namen, zelfs wanneer het dichterlijke ficties zijn, leiden tot besluiten; en besluiten, getrokken uit woorden, in plaats van feiten, zijn even geschikt om invloed uit te oefenen op het gedrag. Zoo gebeurde het, dat, toen er onlangs eene Maatschappij gevormd werd om Cheltenham en eenige andere plaatsen van water uit deze bronnen te voorzien, er groot verzet plaats greep. De Times gaf een opstel met het opschrift: »Dreigende opslorping van den Theems”, waarin de schrijver beweerde, dat het verzoek van deze Maatschappij aan het Parlement »ontsteltenis veroorzaakt had in de stad Oxford en dit ongetwijfeld doen zal door het geheele Theems-dal,” en dat »zulk een maatregel, zoo hij ten uitvoer wordt gelegd, het water van die edele rivier dagelijks met een millioen gallons zal verminderen.
      »Een millioen” is een onrustbarend woord, doet noodwendig denken aan iets onmetelijks. Als hij evenwel de woorden in denkbeelden had overgezet, zou de schrijver van het artikel in de Times zijne vrees hebben voelen bedaren. Als men bedenkt, dat een millioen gallons geborgen kunnen worden in eene kamer, zes en vijftig voeten (17,64 meters) lang, breed en hoog, zal men toestemmen dat de adeldom van den Theems niet veel gevaar zal loopen door de vermindering. De eenvoudige waarheid is, dat den Theems reeds boven het punt, waar de getijden invloed op hem uitoefenen, in vier en twintig uren achthonderd malen dat bedrag afvoert.
      Toen het wetsontwerp omtrent die voorgestelde watermaatschappij in het Huis der Gemeenten gebracht werd om voor de tweede maal gelezen te worden, werd het duidelijk, dat de verbeelding der leden aangedaan was door zulke uitdrukkingen als »de bronnen van den Theems” en »een millioen gallons daags”, bijna evenzeer als de verbeelding der onwetenden. Ofschoon de hoeveelheid water, die bij Teddington stroomt, nagenoeg in gelijke verhouding staat als een yard tot een Engelsche mijl, meenden toch vele Kamerleden, dat het verlies daarvan een bedenkelijk kwaad zou zijn.
      Geene meetmethode zoude nauwkeurig genoeg zijn om het verschil te doen zien tusschen den Theems zooals hij nu is, en den Theems minus de Cerney-bronnen, en toch werd met de meeste deftigheid in het Huis verklaard, dat, zoo de Theems op de voorgestelde wijze afnam, »de verhouding van het rioolwater tot het zuivere water op bedenkelijke wijze zou toenemen.” Eene minuut te nemen uit twaalf uren zou hetzelfde verlies geven, als aftapping uit den Theems van de hoeveelheid water, die de bevolking van Cheltenham begeerde. Niettemin werd beweerd, dat, zoo men deze hoeveelheid aan Cheltenham liet, men »de steden langs de oevers van den Theems zou berooven van hare rechten.” Ofschoon van den Theems, die langs elke dezer steden stroomt, negenhonderd negen en negentig duizendsten ongebruikt wegvloeien, hield men vol, dat er een schreeuwend onrecht zou worden gepleegd, indien één of twee dezer 999 deelen toegekend werden aan de inwoners eener stad, die nu dagelijks slechts vier gallons vuil water per hoofd kan krijgen.
      Maar de onbekwaamheid tot het begrijpen van het verband tusschen oorzaak en gevolg in een onderwerp, waarin slechts van hoeveelheden sprake was, kwam nog duidelijker aan het licht. Door verscheidene leden werd beweerd, dat de commissarissen voor de scheepvaart op den Theems zich tegen het wetsontwerp zouden hebben verzet, indien de commissie niet bankroet gemaakt had, en deze onderstelde oppositie van de commissarissen scheen gewicht in de schaal te leggen. Zoo wij de verslagen mogen vertrouwen, luisterde het Huis met de meeste deftigheid naar de bewering van een zijner leden, dat, zoo de Cerneybronnen werden afgeleid, »ondiepten en modderbanken zouden worden gevormd.” Niet één gelach, niet één kreet van »oh! oh!” schijnt te zijn teweeggebracht door de profetie, dat de waterafvoer en het uitschurend vermogen van den Theems in bedenkelijke mate zouden verminderen door er twaalf gallons per seconde aan te ontnemen.
      De geheele hoeveelheid dezer bronnen zou geleverd worden door een stroom, die zich beweegt door eene buis van één voet middellijn met eene snelheid van minder dan twee Engelsche mijlen in het uur. En toch, toen gezegd werd, dat de bevaarbaarheid van den Theems schade zou lijden door deze vermindering, vernam men geene enkele uitbarsting van spot. Integendeel, het Huis verwierp het wetsontwerp op de voorziening van Cheltenham van water met eene meerderheid van honderd achttien tegen acht en tachtig stemmen.
      Het is waar, dat de gegevens niet werden voorgesteld zooals hierboven. Maar het opmerkelijke feit is, dat, al ontbrak ook eene specifieke vergelijking, niemand dadelijk heeft ingezien, dat het water van bronnen, die ten hoogste eenige vierkante mijlen stroomgebied hebben, slechts een onmerkbaar klein deel kan zijn van het water, dat door de Theemskom stroomt en zich over verscheidene duizenden vierkante mijlen uitstrekt.
      Op zich zelf is dit eene zaak van weinig belang. Zij boezemt ons louter belang in als een staaltje van wetgevers-oordeel. De genomen beslissing is één van die gaatjes, waardoor een ruime horizon kan worden gezien, en het is een horizon, die onze minachting wekt. In een zeer eenvoudig geval wordt hier eene ternauwernood gelooflijke onbekwaamheid ten toon gespreid om te zien, hoeveel uitwerking zal volgen op zooveel oorzaak, en toch bestaat de bezigheid van de Vergadering, die deze onbekwaamheid ten toon spreidt, in het bestudeeren van gevolgen en oorzaken van een buitengewoon ingewikkelden aard.
      Al de levensprocessen in de maatschappij ontstaan uit mededinging en strijd van menschelijke handelingen, die in haren aard en bedrag bepaald worden door de menschelijke bewerktuiging, gelijk zij nu is, die evenzeer gevolgen zijn van natuurlijke oorzaken als elk ander gevolg en eveneens bepaalde quantitatieve verhoudingen tusschen oorzaken en uitwerkingen in zich sluiten.
      Elke wet onderstelt vooraf eene diagnosis en eene prognosis; beide houden schattingen van maatschappelijke krachten en van het door deze gedane werk in zich.
      Vóórdat een kwaad verholpen kan worden, moet het, tot den oorsprong opklimmende, aangewezen worden in de drijfveeren en denkbeelden van de menschen, gelijk zij zijn, levende onder de maatschappelijke bestaande voorwaarden –, een vraagstuk, hetwelk vereischt dat de daden, die tot de uitkomst leiden, geidentifieerd worden, en dat er een eenigszins waar begrip zal zijn van den aard harer uitwerkingen zoowel als van hare hoeveelheid. Vervolgens behoort eene schatting te worden gemaakt van de soorten en graden van invloed, die uitgeoefend zal wurden door de nieuwe factoren, welke de nieuwe wet in beweging zal brengen; men zal hebben te berekenen, wat de resultaten of saamgestelden zullen zijn van de nieuwe krachten, samenwerkende niet vooraf bestaande krachten, – een vraagstuk, nog ingewikkelder dan het andere.
      Wij zijn er op voorbereid ons zonder eenige aarzeling het antwoord te hooren toevoegen, dat menschen, die onbekwaam zijn om in een onderwerp van louter natuurkundigen aard een oordeel uit te brengen, dat ook slechts eenigszins waarde heeft, niettemin goede wettenmakers kunnen zijn. Dit zal door de meesten zoo natuurlijk worden geacht, dat eene stilzwijgende instemming met het tegendeel hun ongerijmd toeschijnt. En dat het hun ongerijmd toeschijnt, is een der vele teekenen van de diepe onkunde, die de overhand heeft. Het is waar, dat louter empirische algemeene gevolgtrekkingen, die de menschen maken uit hunnen omgang met hunnen naaste, voldoende zijn om hun eenig denkbeeld te geven van de naastbijliggende gevolgen, die nieuwe handelingen zullen hebben, en als zij deze zien, meenen zij zoo ver te zien als noodig is. Tucht evenwel in het bestudeeren van de natuurwetenschap zou hun leeren inzien, hoe ver men van het doel verwijderd blijft, als men louter op eenvoudige gegevens gegronde gevolgen berekent. En zoo er nog een bewijs noodig is, dat berekeningen van gevolgen op zulke grondslagen ten eenemale onvoldoende zijn, vinden wij het in den ontzettenden arbeid, jaarlijks aan de Wetgevende Macht opgelegd om te beproeven al het verkeerde ongedaan te maken, dat zij vroeger gedaan heeft.
      Zegt nu iemand, dat het nutteloos is bij deze onbevoegdheid te blijven stilstaan, daar toch het Huis der Gemeenten de keur der natie bevat en geen beter oordeelvellingen dan de zijne te krijgen zijn, antwoorden wij, dat hieruit twee besluiten te trekken zijn, die uit een practisch oogpunt veel gewicht hebben.
      In de eerste plaats zien wij hoe de intellectueele vorming onzer hoogere standen, waarop zij zich zoozeer beroemen, volslagen ontoereikende is om hun het vermogen te geven met eenige nauwkeurigheid de uitwerkingen, zelfs van eenvoudige verschijnselen, in gedachte te volgen, nog veel minder die van ingewikkelde verschijnselen. En in de tweede plaats mogen wij het besluit trekken, dat, zoo de gevolgen van die ingewikkelde verschijnselen, welke zich in de maatschappij voordoen en veel moeilijker te doorgronden vallen dan alle andere, zoo slecht door hen begrepen worden, het een voordeel zou zijn, hen in hunne bemoeiïng daarmede te beperken.
      Voornamelijk in ééne richting zullen wij reden hebben om weerstand te bieden aan de uitbreiding van den werkkring der Wetgevende Macht.
      Onlangs is het voorstel gedaan, dat van de klasse, die verachtend wordt beschreven als hare geestkracht verdeelende tusschen arbeid en het eten van slakken, de opvoeding geregeld zal worden door de klasse, die met evenveel recht zou kunnen beschreven worden als hare geestkracht verdeelende tusschen sociëteiten en jachtschotels. Dit ontwerp schijnt ons toe niet veelbelovend te zijn. Als men bedenkt, dat gedurende de laatste halve eeuw onze maatschappij hervormd is geworden door denkbeelden, die gekomen zijn van den vermeenden leerling, en den bulhond-achtigen tegenstand van den vermeenden leermeester hadden te overwinnen, is het doelmatige van de voorgestelde regeling niet zeer duidelijk. En die doelmatigheid blijkt nog minder, als men de bevoegdheid van den aanbevolen leermeester onderzoekt. Btitsch oordeel, gedistilleerd in hoogescholen en nog eens overgehaald in het Huis der Gemeenten, is een voortbrengsel, vatbaar voor zooveel verbetering in de hoedanigheid, dat wij het betreuren zouden de tegenwoordige manier van het te behandelen te zien uitgebreid en duurzaam vastgesteld.
      Rolle, 23 Oct. ’74.


R. v. E.