Sprookjes uit de nalatenschap van Moeder de Gans/5

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
4 Sprookjes uit de nalatenschap van Moeder de Gans van Gebroeders Grimm

5. De zes getrouwe knechts

6

[ 14 ] In vroegere eeuwen was er eene oude koningin, die tegelijk eene tooveres was en de schoonste dochter onder de zon had. Maar zij dacht om niets dan om menschen in het verderf te storten, en als er een minnaar om hare dochter kwam, zeide zij, dat hij, die hare dochter hebben wilde, moest doen wat zij zou bevelen, of sterven. Velen, door de schoonheid van de prinses verblind, waagden het wel, maar zij volbrachten niet wat de koningin hun had opgegeven; alsdan moesten zij nederknielen en werden zonder genade onthoofd. Nu gebeurde het dat een prins ook van deze schoonheid hoorde vertellen en tot zijnen vader zeide: „lieve vader, laat mij er naar toe gaan; ik wil haar tot mijne vrouw vragen.” „Neen, nimmer!” antwoordde de koning, „als gij er heen gaat, loopt gij in uwen dood.”

Toen ging de prins liggen, werd doodziek en lag zeven jaren lang zonder dat een geneesheer hem helpen kon. Als de koning nu zag dat zijn zoon toch verloren was, werd hij zeer bedroefd en zeide tot hem: „ga heen [ 15 ] en beproef uw geluk; ik kan u anders niet redden.”

Toen de prins dit hoorde, stond hij op, was gezond en ging welgemoed op weg. Toen de prins door een bosch reed, gebeurde het, dat hij op eenigen afstand iets op den grond zag liggen. Naderbij komende zag hij dat het de buik van een mensch was, die op den grond uitgestrekt lag; doch de buik geleek door zijne dikte wel een kleine berg. Toen de dikke man den prins gewaar werd, stond hij op en zeide tot hem: „als gij iemand noodig hebt, neem mij dan in uwe dienst.” Maar de prins antwoordde: „wat zal ik met zulk een dik man beginnen?” „O,” zeide de ander, „dat is niets, als ik mij goed uitzet ben ik nog drieduizendmaal zoo dik.” „Als dat waar is,” zeide de koningszoon, „kan ik u gebruiken; kom, ga met mij.” Toen ging de dikke man met den prins, en nadat zij eenigen tijd waren voortgegaan, vonden zij een ander op den grond liggen met zijn oor op het gras. De prins zeide: „wat doet gij daar?” „Ik luister,” antwoordde de man. „Waar luistert gij dan naar?” „Naar alles wat op de wereld gebeurt, want ik hoor alles, zelfs het gras hoor ik groeien.” De prins hernam: „zeg mij dan wat gij aan het hof der koningin hoort, die de schoone dochter heeft.” De man sprak: „ik hoor het zwaard gonzen, waarmede een vrijer het hoofd wordt afgeslagen. De prins zeide: „ik kan u gebruiken, ga met mij.”

Zij trokken verder en zagen eens twee voeten en een stuk van de beenen op den grond liggen, maar het overige van het lichaam konden zij niet zien. Nog [ 16 ] een langen tijd voortgegaan zijnde, kwamen zij aan den romp en eindelijk aan het hoofd. „Ei, ei,” zeide de prins, „wat zijt gij lang! Wie zijt gij?” „O,” zeide de lange man, „dat is nog niets, als ik mij eens recht uitrek, ben ik wel drieduizendmaal zoo lang als de hoogste berg. Ik wil u gaarne dienen, als gij mij hebben wilt.” „Kom,” zeide de prins, „ik kan u gebruiken.”

Zij gingen nogmaals verder en vonden een man aan den weg zitten, die de oogen dichtgebonden had. De prins zeide tot hem: „zijt gij blind of hebt gij zwakke oogen, dat. gij niet in het licht kunt zien?” „Neen,” antwoordde de man, „ik kan den doek niet afdoen, want al wat ik met mijne oogen aanzie springt stuk; zulk eene kracht is in mijn gezicht. Kan dit u van nut zijn, dan wil ik u gaarne dienen.” „Kom, ga mede,” zeide de prins, „ik kan u gebruiken.”

Op nieuw gingen zij verder en vonden een man, die in de heete zon lag en toch aan zijn geheele lijf trilde en beefde. „Hoe kunt gij nu zoo koud zijn,” vroeg de koningszoon, „daar de zon zoo warm schijnt?” „Ach,” antwoordde de man, „hoe heeter het is, des te kouder ben ik; dan dringt mij de koude door merg en been; en hoe kouder het is, des te heeter ben ik, en midden in het ijs kan ik het door de hitte, en midden in het vuur door de koude niet uithouden.” „Gij zijt een wonderlijk mensch,” zeide de prins, „maar als gij mij dienen wilt, kunt gij medegaan.”

Nu gingen zij verder voort en zagen een man staan, die zijn hals uitrekte en over alles heenkeek. De konings[ 17 ] zoon zeide: „waar kijkt gij naar?” De man antwoordde: „ik heb zulke heldere oogen, dat ik over bosschen en velden, over dalen en bergen, en door de geheele wereld zien kan.” De prins zeide: „als gij wilt, kunt gij mede gaan, want zoo een ontbreekt mij nog.”

Nu kwam de prins met zijne zes knechts in de stad aan, waar de schoone en gevaarlijke prinses woonde. Hij ging naar de oude koningin en zeide: „als gij mij uwe dochter geven wilt, zal ik volbrengen wat gij mij op zult geven.” „Ja,” antwoordde de koningin, „driemaal zal ik u iets opgevsn, en als gij het iedere keer oplost, zult gij de man mijner dochter worden.” Hij zeide: „wat wilt gij mij het eerst opgeven?” Dat gij mij den ring terugbrengt, dien ik in de Roode zee heb laten vallen.” Toen ging de prins naar zijne dienaren en zeide: „het eerste is niet gemakkelijk te volbrengen; ik moet eenen ring uit de Roode zee halen; kom aan, geef mij nu raad.” Toen zeide die met heldere oogen: „ik zal eens zien waar hij ligt.” hij keek in de zee en zeide: „daar ligt hij bij dien steen.” „Ik zoude hem wel krijgen,” zeide de lange, „als ik hem maar eerst zien kon.” „O, dat zal ik wel maken!” riep de dikke; hij ging met zijnen mond op de zee liggen en dronk haar ledig, dat zij zoo droog werd als een stuk land. Nu bukte de lange slechts een weinig en haalde den ring met zijn eene hand uit de zee; toen verheugde de prins zich en bracht den ring aan de koningin, die den ring met verwondering bekeek en zeide: „ja, het is dezelfde; dit hebt gij volbracht, maar nu komt het tweede. Ginds voor mijn kasteel [ 18 ] grazen drie honderd vette ossen, die moet gij met huid en haar opeten, en beneden in den kelder liggen drie honderd vaten wijn, die moet gij er bij uitdrinken, en als van de ossen een beentje, en van den wijn een droppel overblijft, is uw leven verbeurd.” De prins zeide: „mag ik hiertoe geene gasten noodigen? Alleen smaakt het niet.” De koningin lachte honend en antwoordde: één moogt gij bij u nemen voor gezelschap, maar meer niet.”

Toen zeide de koningszoon tot den dikke: „gij zult heden mijn gast zijn en u eens recht mogen verzadigen”. De dikke ging aan den gang en at de drie honderd ossen met huid en haar op, en vroeg, of er niet meer dan dat beetje was. De wijnvaten dronk hij ledig zonder een glas noodig te hebben en den laatsten droppel likte hij nog van zijnen nagel af. Als de maaltijd gedaan was, begaf zich de prins naar de koningin en zeide, dat hij haren wil volbracht had. Zij was verwonderd en zeide: „zoo ver als gij heeft het niemand nog gebracht, maar nog ééne zaak moet gij volbrengen.” Zij dacht: Ik zal u wel krijgen, het hoofd zal u ook niet op den romp blijven”, en zeide: „heden avond breng ik mijne dochter bij u op uwe kamer; maar pas op dat gij niet in slaap valt; ik kom om twaalf uur bij u en is zij dan niet meer bij u, aan hebt gij het verloren.” „O,” dacht de prins, „dit is gemakkelijk, ik zal mijne oogen wel open houden”; echter riep hij zijne knechts, vertelde hun wat de koningin gezegd had en zeide: „wie weet wat voor een list dit is! Oppassen is de boodschap; draagt dus zorg dat de prinses niet uit mijne kamer komt.”

[ 19 ] Toen het nu nacht werd, bracht de koningin hare dochter bij den prins, en toen ging de lange knecht in eenen kring om hen beiden liggen en de dikke plaatste zich voor de deur, zoodat er geen mensch in of uit kon komen. Daar zaten zij nu bij elkander en de prinses sprak geen enkel woord; maar de maan scheen door het venster op haar gelaat, zoodat de prins hare schoonheid zien kon. Hij deed niets dan haar aanzien; hij was zeer verheugd en zijne oogen werden niet moede. Dit duurde tot elf uur, toen zij door de tooverkracht der koningin allen in eenen diepen slaap vielen en op dat oogenblik was ook de prinses verdwenen.

Zij sliepen door tot bijna kwartier voor twaalven, toen was de tooverkracht verdwenen en zij ontwaakten.
„O droefheid! O ongeluk!” riep de prins, „nu ben ik verloren!” De getrouwe dienaars begonnen ook te klagen en te jammeren, maar hij, die alles hooren kon, zeide: „houd slechts een oogenblik stil, ik zal eens luisteren.” Hij luisterde een oogenblik en zeide hierop: zij zit in eene rots, drie honderd mijlen van hier, en beklaagt haar lot”. „Nu kunt gij helpen,” zeide hij tegen den lange, „als gij opstaat zijt gij, met een paar stappen, aan de rots.” „Ja,” antwoordde de lange, maar hij, met zijn sterk gezicht, moet mede gaan om de rots weg te ruimen.” Toen nam de lange dezen op zijnen rug en in een oogenblik waren zij voor de betooverde rots. Spoedig deed de lange zijn kameraad den doek van het gezicht, en opeens sprong de rots in duizend stukken. Toen nam de lange de prinses op zijnen arm, droeg haar in een oogenblik terug, en [ 20 ] haalde ook nog zijn kameraad; en eer het twaalf uur sloeg, zaten zij allen weder als te voren en waren vrolijk en weltevreden. Toen het twaalf uur sloeg, kwam de oude koningin met een verachtend gelaat in de kamer, alsof zij zeggen wilde: „nu heb ik hem,” en dacht niet anders dan dat hare dochter, drie honderd uren ver, in de rots zat; maar toen zij nader bij kwam en hare dochter nog zag, schrikte zij geweldig en zeide: „deze kan meer dan ik!” Doch zij had nu geen voorwendsel meer om hare dochter aan den prins te weigeren. Intusschen fluisterde zij haar in het oor: „het is schande voor u, door zijne knechts gewonnen te worden, en bovendien, dat gij u geen man naar uwen zin verkiezen moogt.”

Nu had de prinses waarlijk zulk eene trotsche inborst, dat zij aan de inblazingen harer. moeder gehoor gaf. Den volgenden morgen liet zij driehonderd wagens hout bijeen brengen, en zeide tot den koningszoon: „de drie opgegeven dingen had hij volbracht, maar als zij hem trouwen zoude, moest iemand midclen in het vuur gaan staan en de hitte uithouden. Zij dacht: „al zouden de knechts ook alles voor hem doen, toch zal niemand zich voor hem laten verbranden.” Zij meende, dat de prins uit liefde tot haar er zelf zou ingaan, en dan was zij wederom vrij. Maar toen de knechts dit hoorden, zeiden zij: „wij allen hebben iets gedaan, behalve de koude; die heeft nog niets gedaan”. Daarop namen zij hem op, droegen hem in het hout en staken het in brand. Toen begon het te branden, dat het drie dagen duurde eer al het hout verteerd was, stond de koude knecht [ 21 ] midden in de gloeiende asch en beefde als een blad en zeide: „zoo koud ben ik nog nooit geweest; als het langer geduurd had, ware ik zeker bevrozen.”

Nu konden zij geene uitvluchten meer vinden; de prinses moest met den prins trouwen. Doch toen zij naar de kerk gingen, zeide de oude koningin: „ik kan het niet dulden,” en zond haar oorlogsvolk hen achterna, die alles ombrengen moesten wat hun voorkwam, eu hare dochter terug brengen. Doch de knecht die alles hooren kon had dit gehoord, en zeide het aan den dikke; deze spuwde eens of twee maal achter uit den wagen, en er ontstond zulk eene groote zee, dat al het oorlogsvolk daarin verdronk. Toen nu het volk niet terugkwam, zond de koningin geharnaste ruiters uit, maar de knecht hoorde hen komen en deed zijn kameraad den doek van het gezicht. Deze keek den vijand maar wat sterk aan, en zij sprongen uit elkander als glas. Nu gingen zij ongestoord verder, en toen zij in de kerk getrouwd en gezegend waren, namen de knechts hun afscheid en zeiden: „wij zullen verder ons geluk in de wereld gaan zoeken.”

Een half uur van het kasteel van den prins was een dorp, waar een zwijnhoeder zijne varkens weidde. Toen zij hier aankwamen zeide de prins tot zijne vrouw:
„weet gij wel regt wie ik ben? Ik ben geen prins, maar een zwijnhoeder, en deze hier is mijn vader, dien wij nu beiden moeten helpen.” Hierop ging hij met haar in eene herberg, en zeide tot den waard, dat men heden nacht de koningskleederen stil moest wegnemen. Den volgenden morgen opstaande hadden zij niets om aan [ 22 ] te trekken; de waardin gaf haar een ouden rok en een paar oude kousen. Zij deed alsof dit een groot geschenk was en zeide : „als deze niet uw man was, had ik u niets gegeven.” Toen geloofde de prinses dat haar man inderdaad een zwijnhoeder was; zij weidde met hem de varkens en zeide: „ik heb het door mijn trotschheid verdiend!” Dit duurde acht dagen; toen kon zij het niet langer uithouden, want hare voeten waren vol wonden. Toen kwamen er twee menschen, die haar vroegen of zij wel wist wie haar man was. „Ja”, antwoordde zij, „een zwijnhoeder; hij is zoo even uitgegaan om eenig lint te verkoopen !” Doch zij zeiden: „kom, ga eens met ons, wij zullen u bij hem brengen.” En zij brachten haar in het kasteel, en als zij de zaal inkwam, stond er haar man in koninklijke kleederen. Zij herkende hem echter niet voordat hij haar om den hals viel, haar kuste en zeide: „ik heb zooveel voor u geleden; nu was het billijk dat gij ook iets voor mij doorstondt.” Hierna werd de bruiloft gehouden, en die het verteld heeft, beweerde dat hij er ook bij was geweest.