Naar inhoud springen

Staatkundig Dagblad van het Departement der Zuiderzee/1811/Nummer 14/Vlugge blik over verscheidene omwentelingen in de wijsbegeerte voorgevallen

Uit Wikisource
‘Vlugge blik over verscheidene omwentelingen in de wijsbegeerte voorgevallen’ door een anonieme schrijver
Afkomstig uit de Feuille politique du département du Zuiderzée = Staatkundig Dagblad van het Departement der Zuiderzee, zaterdag 14 december 1811, p. 6-8. Publiek domein.
[ 6 ]

Vlugge blik over verscheidene omwentelingen, in de wijsbegeerte voorgevallen.

(Extract uit den Mercure de France.)

(Tweede vervolg; zie no. 10 en 12.)

Jan Scot en sint Thomas gaven geboorte aan de Scottisten en aan de Thomisten. Deze twee partijen, door eenige onderscheidingen en eenige spitsvondigheden verdeeld, vereenigden zich tegen de noministen, die zelfs hevig genoeg in Duitschland door de pausen vervolgd werden. Vergeefs beveelden de noministen de beoefening van de heilige schrift, van de overlevering, van de kerkelijke en burgerlijke geschiedenis aan. Het was gemakkelijker, slechts een eenig werk te hebben te bestuderen, wa[ari]n men alles waande te vinden. Aristoleles, die in de dertiende eeuw veroordeeld was, zegevierde volkomen in de vijftiende. Het hof van Rome gelastte, zijn werken te onderwijzen, en men werd niet meer tot de graden van de universiteit toegelaten, zonder in staat te zijn, tot het antwoorden op zijne dialectica, zijne natuur-, zijne boven-natuur en zijne zedekunde. Het peripatismus heerschte in alle scholen. Voeg bij deze slechte leerwijzen eene misvormde taal en een barbaarsch latijn, en gij kunt oordeelen over den toestand, waarin zich de wetenschappen bevonden. De rhetorica was slechts de kunst, om met reusachtige figuren te spreken; de dichtkunst kroop voort zonder harmonie; de logica bestond in goede of kwade sluitredenen te maken; de bovennatuurkunde kon niet dan afgetrokkenheden verwezenlijken; in de natuurkunde dacht men alles te kunnen verklaren, door middel van de verborgen eigenschappen; de godgeleerdheid was slechts een zamenraapsel van twijfelingen en van waarschijnlijke stellingen. Men verklaarde de heilige schrift door zinnebeelden; de zedekunde liep alleen over beuzelachtige en belagchelijke vragen, van welke de twisten van Johannes XXII met [ 7 ]de Franciskanen, over de eigenschap van het brood, dat zij aten, een denkbeeld kunnen geven. Men was onkundig van de kunst, om waarnemingen te doen, en dienvolgens, om te redeneren; men stelde de wetenschappen, welke zich een’ onderlingen bijstand moeten bieden, te veel op zich zelve. Dat men zulks wel opmerke, de ware logica, of de kunst, om zijne redeneringen op zaken te gronden, gaat de andere wetenschappen vooraf; leidt en verlicht dezelve. Zoo lang zij niet is daargesteld, zullen wij noch natuurkunde, noch natuurlijke geschiedenis, noch scheikunde, noch wetgeving, noch zelfs wiskunde hebben. Alle deze wetenschappen zullen met haar herboren worden, en op derzelver beurt zullen zij haren loop verlichten en hare treden bevestigen.
Terwijl ons Westen in dien staat van onwetendheid en vernedering kwijnde, schitterde het Oosten nog eenigzins. De zoo schoone, vruchtbare grieksche taal was niet even als de latijnsche verbasterd geworden. Niettegenstaande de vervolgingen van eenige den beeldendienst vijandige Keizers, waren de wetenschappen, hoezeer dikmaals in haren gang opgehouden, bij voortduring aangekweekt geworden, en Griekenland bezit nog altoos verdienstelijke schrijvers. Arabie werd in de twaalfde eeuw door vorsten bestuurd, vrienden van de letterkunde, en onder hunne regering beoefende men, met goed gevolg, de geneeskunst, de sterrekunde en de dialectika; doch deze laatste wetenschap bragt, bij de Arabieren, dezelfde gevolgen voort als bij ons, en wierp de mahomedaansche geleerden in niets beteekenende en onoplosbare vraagstukken. Athene en Alexandrie hadden insgelijks hunne scholen; maar in de 15de eeuw, in het jaar 1455, maakte Mahomet II zich meester van Konstantinopolen en van Athene; eenigen tijd daarna bezweek Alexandrie onder de pogingen der Perzen, en welhaast, door eene ommekeer, welke niet dan al te gewoon is, maakte de allervolslagendste onwetenheid zich van die vermaarde streken meester, bijna op hetzelfde oogenblik, dat de verlichting in het Westen herboren werd, om sints dien tijd, niet dan snelle en meer afgebroken vorderingen te maken.
Het Oosten, deszelfs verlichting verliezende, deelde ten minsten een gedeelte daarvan aan het Westen mede. Beroemde Grieken vlugten naar Italie en bragten aldaar hunne taal, hunne kennis, hunne sijstemas van wijsbegeerte, het platonismus, dat onder de Medicis zegegevierde, en het peripatecismus, dat, onder diens opvolgers deszelfs beurt had, over. Deze Grieken deden de oude kennen en dit is nagenoeg de eenige dienst, welken zij Italie bewezen; het vernuftig volk van die strekjen had, vóór de aankomst der Grieken, deszelfs taal met goed gevolg aangekweekt. Reeds hadden Dante en Petrarcha meesterstukken voortgebragt en den waren letterkundigen roem van Italie gevestigd.
Welhaast door de bekoorlijkheden der letterkunde verleid, hechtten de geleerden zich van alle kanten aan de studie der ouden. Seneca en Cicero vormden geestdrijvers. Alle de sijstemas der grieksche wijsgeeren werden herboren en zelfs de veel-godenleer vond aanhangers. Maar even zoo zeer als men smaak opvatte voor alles wat naar de oudheid zweemde, even zoo [ 8 ] zeer boezemde de school-geleerdheid afkeer en verachting in. Zij werd verbannen en men zag hare taal als barbaarschen en onverstaanbaren onzin aan. Zij werd vooral bespottelijk gemaakt door eenen wijzen en uitgestrekten geest, door Erasmus, die, in een half-wilde eeuw, alle buitensporigheden vermijdende, een juist midden tusschen de al te ijverige katholijken en de geestdrijvende protestanten wist te houden. Van den anderen kant droegen de aanhangers der school-geleerdheid dezelve als een bolwerk voor den godsdienst voor, en de bedel-monniken, welker roem en kracht zij uitmaakte, verdedigden haar met al den ijver, die het belang en de partijzucht inboezemen. Te meer daar de vijanden van Aristoteles zich aan voor de zedekunde gevaarlijke dwalingen overgaven; men meende alzoo de waarheid en de deugd niet te kunnen vinden, dan door zijnen toevlugt in den boezem van dien wijsgeer te nemen, en door diens beslissingen als die van eene onfeilbare godspraak aan te nemen.
Middelerwijl wonnen de Duitschers, die van Geneve en de Engelschen, door de school-geleerdheid te verwerpen, zeer veel van den kant der studie. Van langzamerhand de grondbeginselen van Baco aannemende, namen zij de proefneming tot grondslag hunner wijsbegeerte en bestudeerden de godgeleerdheid in haren oorsprong. Vóór het oprigten der keizerlijke akademie bezaten wij in Frankrijk niets, dat de gestichten van openbaar onderwijs in Duitschland en te Geneve evenaarde. (Het vervolg hierna.)