Naar inhoud springen

Staatkundig Dagblad van het Departement der Zuiderzee/1811/Nummer 21/Vlugge blik over verscheidene omwentelingen in de wijsbegeerte voorgevallen

Uit Wikisource
‘Vlugge blik over verscheidene omwentelingen in de wijsbegeerte voorgevallen’ door een anonieme schrijver
Afkomstig uit de Feuille politique du département du Zuiderzée = Staatkundig Dagblad van het Departement der Zuiderzee, zaterdag 21 december 1811, p. 6-8. Publiek domein.
[ 6 ]

Vlugge blik over verscheidene omwentelingen, in de wijsbegeerte voorgevallen.

(Extract uit den Mercure de France.)

(Vierde vervolg en slot; zie no. 10, 12, 14 en 16.)

De hersteller der letteren en der wetenschappen in ons vaderland, zegt hij, de groote Monarch, die met een’ algemeenen blik alle de instellingen, die hij voor Frankrijk bereidde, omvattede en daarin voorzag; schafte die scholen af, om lyceën derzelver plaats te doen vervangen en stichtte welhaast die groote universiteit, welke alles zal overtreffen, wat onze naburen het volmaaktst van dien aard bezitten.
De wijsbegeerte had in het eerst geenen stoel in de lyceën; doch in de akademien en lyceën van Parys toegelaten zijnde, zoo werd dezelve welhaast in die der departementen ingevoerd. De kweekelingen dier klasse moeten in de logica, in de metaphysica, in de zedekunde en in de geschiedenis der denkwijzen van de oud-wijsgeeren onderwezen zijn. De grondbeginselen van het wijgeerig onderwijs kunnen niet twijfelachtig meer zijn, na de zorg, die men genomen heeft, om den leermeesters, het gebruik van boeken aan te bevelen, van welker leerstellingen zij doordrongen moeten wezen. Deze boeken zijn onder de ouden: de zamenspraken van Plato, de analytica van Aristoteles, en de wijsgeerige verhandelingen van Cicero; en onder de moderne: Baco, Descartes, Pascal, de proeven over het menschelijk verstand van Locke; de analytische verhandeling van de eigenschappen der ziel door Charles Bonnet; Fenelon en Clarke over het aanwezen Gods, enz. Het lot der wijsbegeerte in de scholen in Frankrijk komt mij voortaan bevestigd voor. De oude leerwijze der school-geleerden kan met schrijvers, die wij zoo even hebben opgenoemd, en vooral met het gemak, om in de fransche taal te kunnen onderwijzen, niet overeenkomen. Deze leerwijze staat met geene der wetenschappen, die men hedendaags onderwijst, en de scheikunde, natuurkunde, natuurlijke geschiedenis en wiskunde, in eenige betrekking, en nogtans moet de ware wijsbegeerte den gang dier wetenschappen verlichten, den oorsprong en vorderingen daarvan doen kennen en [ 7 ] de geheime werkmiddelen des menschelijken geest in derzelver vorming leeren kennen. Zoodanig was de leer van Locke en van Condillac. Iedere andere leerwijze zou elk oogenblik van valschheid overtuigd worden en regelregt tegen de rede en ondervinding, die hedendaags tot grondslagen van alle de deelen van het onderwijs strekken, aandruischen. Men kan zelfs iedere wetenschap eene ware logica, die in praktijk gebragt is, noemen.
Middelerwijl, men moet zulks bekennen, heeft de wijsbegeerte van Locke en van Condillac talrijke vijanden, en zulks moet zoo zijn. De denkbeelden veranderen niet in eenen dag. Men beschuldigt hen, dat zij het materialismus voortaan en men vermengt hunne leerwijze met hetgeen gemeenlijk de moderne wijsbegeerte genoemd wordt. Ik zal, na die beschuliding te hebben beantwoord, in eenige ophelderingen wegens dit laatste punt treden.
De wijsbegeerte, die ik alhier verdedig, is geenszins het materialismus gunstig, zoo als het dan ook gemakkelijk valt zich hiervan door het gevoelen van derzelver stichters te overtuigen. Baco, derzelver opperhoofd, zegt stellig, » dat de ongeloovighieid een aanslag tegen het gezag en de magt van God is. Dat God de gronden van ons geloof aan zich heeft voorbehouden, zonder dat het mogelijk is, dezelve te betwisten. Dat de geheimnissen de overeenkomsten van God zijn, gelijk de wetten die der Koningen zijn. Dat slechts weinig wijsbegeerte tot het ongeloof leidt, en dat veel wijsbegeerte ons tot den godsdienst terug brengt.” Een schrijver, welke zich op dusdanige wijze uitdrukt, is zeer verre van een materialist te zijn en van iets voort te brengen, dat met de leer van de onsterfelijkheid der ziel strijdt, Locke is altoos zeer aan den christelijken godsdienst gehecht geweest, welks verdediging hij zelfs in een zijner schriften op zich heeft genomen. Hij heeft het bestaan van God zeer krachtig bewezen, en indien hij, als wijsgeer, eenigen twijfel omtrent de onsterfelijkheid der ziel heeft schijnen te werpen, een vraagstuk, dat slechts sints Descartes, terdege is uitgewerkt geworden, zoo is het zeker, dat, hij ten sterksten aan hare onsterfelijkheid geloofde. Condillac blijft in verscheiden zijner geschriften nog stelliger op de onstofffelijkheid der ziel staan, en het is onmogelijk het bestaan van God krachtiger en duidelijker dan hij doet, te betogen. Bonnet, eindelijk, is de grootste aanhanger der onstoffelijkheid, die mij bekend is. Hij heeft de volle geest- en redeneerkracht, die hij bezat, aangewend, om de mogelijkheid der vereeniging van ligchaam en ziel te bewijzen, en komt op honderd plaatsen in zijn werk, op die waarheid terug; men bespeurt, dat hij zijnen roem er in stelde, om dezelve door alle middelen, die hij in zijne magt had, te versterken. Welk schrijver heeft ooit met meer kracht en welsprekendheid de noodzakelijkheid van eene eerste werkdadige oorzaak betoogd. En in zijne natuurbeschouwing niet de vereeniging van de overtuigendste bewijzen ten voordeele van het bestaan der Godheid? Nimmer hebben deze stichters der gezonde wijsbegeerte eenige zedekundige, godsdienstige of staatkundige waarheid, aangetast. De rede en die waarheid hebben hun alle hunne schriften ingegeven, en [ 8 ] hunne ware leerlingen, die in grooten getalle door geheel Europa verspreid zijn, hebben volstandiglijk hun voetspoor gedrukt, en dezelfde wijsheid en gematigdheid betoond.
Wat doet men middelerwijl om alles, wat wijsgeer en wijsbegeerte heet, te kunnen veroordeelen? Men vermengt, Baco, Locke, Condillac, en Bonnet, die slechts geschreven hebben, om den gang des menschelijken geests te besturen, om den oorsprong van derzelver werkzaamheden te verlichten, niet de wijsgeeren, die eenige godsdienstige en staatkundige instellingen hebben onderzocht, en die dikmaals met te veel stoutheid en vrijmoedigheid de magt des troons en des altaars hebben overwogen. Welk een onderscheid niettemin tusschen die beide soorten van wijsbegeerte! De eene zachtzinnig, rustig, vredelievend, en zich zediglijk op daadzaken en ondervinding grondende, heeft zich nimmer bezig gehouden, dan met de bevordering der wetenschappen: zij heeft Lavoisier in de hervorming der scheikunde ten gids verstrekt, en geleidt nog dagelijks, in alle de deelen van de menschelijke kennis, een groot aantal doorluchtige geleerden. De andere, onrustig en staatzuchlig, is haar bestaan slechts aan de zwakheid van het bestuur verschuldigd. Weinig kent men die beide soorten, wanneer men de wijsbegeerte, die zich met den oorsprong en de voortgang onzer denkbeelden bezig houdt, met die verwart, welke met staatkunde en godsdienst vermengd is.