Theo van Doesburg/Slotbemerkingen

Uit Wikisource
Ga naar: navigatie, zoeken
Slotbemerkingen
Auteur(s) Theo van Doesburg
Datum Augustus 1919
Titel ‘Slotbemerkingen’
Tijdschrift De Stijl
Jg, nr, pg 2, 10, 118-120
Genre(s) Proza
Brontaal Nederlands
Bron Digital Dada Library
Auteursrecht Publiek domein

[118]

SLOTBEMERKINGEN.

Als resultaat van redelijke doordenking van het onderwerp in kwestie en zonder een „gelijk-willen-hebben” als uitgangspunt te nemen van het korrectief op de Rede van Prof. Wattjes is het mij, ook zelfs na de bovenstaande herhaling en aanvulling van die Rede, — voor welke herhaling en aanvulling wij gaarne een plaats inruimden — niet mogelijk daaruit de gestelde verhouding der bouwkunst tot de overige z.g.n. zuivere kunsten anders te zien, dan ik in mijn commentaren, gepubliceerd in No. 6 en 8 van „De Stijl”, deed uitkomen.
Wanneer als uitgangspunt van een Rede, welke de bedoeling heeft, de verhouding der bouwkunst tot de kunst in ’t algemeen in helder licht te stellen, de twijfel 1) of de bouwkunst wel (een) kunst is
——————
1 Of deze twijfel al dan niet persoonlijk is kan niet ter zake doen wanneer in de gedachte-ontwikkeling ten gunste van dien twijfel wordt beslist.


[119]

vooropgesteld en de conclusie getrokken wordt: dat kunst ontspringt uit den drang naar het schoone zonder meer, de bouwkunst daarentegen niet uit dienzelfden drang, dan is het duidelijk, dat daarmede de bouwkunst als beelding in bepaaldheid van (evenwichtige) verhouding, — het wezen van alle kunst, — blijft ontkend, terwijl het zich ondergeschikt maken van de eerste aan de laatste daaruit als een onlogische inconsequentie volgt.
Het resultaat van logische doordenking stelt juist in het licht: dat het Kunstmoment één en ondeelbaar is, stelt in het licht, dat iets niet kunst kan zijn en tegelijkertijd niet-kunst; dat kunst die zekere eigenschap is, die alle andere eigenschappen als hare middelen absorbeert.
In goede schilderkunst b.v. absorbeert het hoogere, de idee, de techniek (in den uitgebreidsten zin: het wetenschappelijke, de kunde enz.) en de materie (het materiaal). Welnu, is het dan niet mogelijk dat de bouwkunst al hare constructiemiddelen: muren, vloeren, balken, kappen, goten, trappen, deuren, ramen, kolommen, luifels, balcons enz. als beeldingsmiddelen aanwendt om het kunstmoment één en ondeelbaar te verwezenlijken? Dit moet mogelijk zijn.
Het is zeer opmerkelijk dat Prof. Wattjes deze consequentie voor zekere gebouwen, bij benadering, aanvaardt. Sprekende over de aesthetische verzorging van gebouwen voor nijverheid en verkeer, — gebouwen zonder representatief karakter volgens den heer Wattjes, — als: fabrieksgebouwen, poldergebouwen, watertorens, silo’s, locomotief-loodsen enz., waarbij „aesthetische beperking een aesthetische eisch is”, zegt den heer Wattjes: „Deze gebouwen mogen niet leelijk zijn, doch moeten een bepaalde, zeer weinig sprekende, eenvoudige schoonheid hebben. Die schoonheid moet verkregen worden niet door toepassing van versiering of van kostbare materialen, doch uitsluitend door harmonischen opzet van het geheel en gevoelvolle détailleering van de onderdeelen” (Rede blz. 22). In het door mij gespatieerde is het kunstwezen, — in het bizondere der architectuur, — zeer duidelijk uitgesproken. „Harmonische opzet van het geheel en gevoelvolle détailleering der onderdeelen”, of m.a.w. evenwichtige verhouding van de onderdeelen tot het geheel en omgekeerd.
Daar het probleem, waarmede de kunst zich bezighoudt, — onverschillige klassieke of moderne —, in het bovenstaande is uitgedrukt, lijkt me geheel in strijd met het logische inzicht, dat in dezen tijd — wars van alle apartheid — de kunst, uit haar aard één en ondeelnaar, in soorten onderscheiden wordt, n.l. in „zuivere kunst” (Rede blz. 16), „gebruikskunst” (blz. 16) en „sierkunst” (blz. 17). Zuivere kunst zou dan zijn het product van die werkzaamheid welke voortvloeit uit drang naar het schoone zonder meer. Gebruikskunst, de techniek waarin den vorm aesthetisch geaccentueerd wordt; sierkunst, kunst voor zooverre zij gericht is op het versieren van gebruiksvoorwerpen. Men kan deze categoriseering gevoegelijk nog uitbreiden door er nijverheidskunst en constructieve kunst, — dit laatste geeft de heer Wattjes reeds aan op blz. 19 — bij te voegen. We zouden dan vijf kunstcategorieën te onderkennen hebben.
Bij redelijke doordenking getoets aan het nieuwe weten van den tijd, laat zich vragen: als zuivere kunst het product is van de werkzaamheid, die voortvloeit uit den drang naar het schoone en sierkunst is „altijd zuivere kunst” („omdat zij de nuttigheid niet verhoogt, maar uitsluitend het schoone beoogt”, aldus de heer Wattjes) waarin bestaat dan eigenlijk dat verschil tusschen zuivere en sier- (= zuivere) kunst? Wanneer gebruiksdingen door aesthetische verzorging van vorn (en kleur!) zoodanig gemaakt zijn dat de „techniek van de kunst doordrongen is en schoonheid wordt teweeggebracht, waardoor onderscheiden zij zich als kunst dan nog van „zuivere” kunst, daar in deze toch eveneens het hoogere de techniek doordringt en in zich opheft? En, waartoe is, wanneer het kunstmoment in het gebruiksding bereikt is, nog versiering noodig?
Prof: Wattjes geeft drie manieren aan waarop volgens zijn gedachtenontwikkeling schoonheid in gebruikskunst ontstaat: „Schoonheid in gebruikskunst kan worden verkregen, door de leege vormen van het gebruiksding schoon te ontwerpen of door versiering van het gebruiksding, of wel op beide wijzen is samenwerking”. Gevraagd mag worden: is het in het tweede geval de bedoeling het gebruiksding leelijk te ontwerpen en dan aesthetisch te redden door een versiering? Het ligt in den zin dat de bedoeling is: of door versiering van het gebruiksding.
Waar de Rede van Prof: Wattjes, naast andere toch ook de bedoeling heeft de noodzakelijkheid van de aesthetische verzorging van gebruiksdingen aan te toonen, zou uit de consequenties daarvan sierkunst wegvallen.


[120]

Het moet ieder, die zich daadwerkelijk of theoretisch met het wezen der kunst bezig houdt duidelijk zijn, dat deze deelbaarheid der kunst voor modern begrip ontoelaatbaar is.
De sierkunst immers beoogde geenszins het schoone z.m. maar zij beoogde het leelijke te maskeeren. Waar sierkunst van gebruiksdingen optrad, kon a priori worden aangenomen, dat het gebruiksding, — onverschillig of dit ’n huis was of een theelepeltje — uit zichzelf, van verhouding uit niet schoon was en uit zichzelf, van verhouding uit niet schoon zijnde, een ander, hooger element behoefde om een aesthetischen indruk te maken.
Inderdaad.
Aan deze deelbaarheid der kunst in dingen van het gebruik eenerzijds en dingen van zuivere schoonheid anderzijds danken wij al die prullen eener zelfgenoegzame wankultuur van de coulisse-architectuur af (dat is de bouwkunst waarbij de voorgevels, z.g.n. aesthetisch verzorgd, als coulissen een wanstaltig en verhoudingsloos huis hadden te maskeeren) tot het verhoudinglooze theekopje met het onmisbare bloemetje er op.
De ontwikkeling der kunst stelt in dezen tijd in het licht waarom het juist van kultuur op hooger plan getuigt, wanneer de sierkunst (kunstnijverheid incluis) zal worden opgeheven, waar toch bewezen en erkend is, dat deze sierkunst het uitvloeisel is van kultuur op lager plan. En zoo laat zich redelijk verstaan, waarom de verschillende vormen van kunst, ieder binnen haar gestelde beeldingsgrenzen (beeldhouw- bouw- en schilderkunst) zich met een probleem hebben bezig gehouwen, — het probleem van evenwichtige verhouding, van oneindige harmonie — het kunstprobleem, — om in een monumentalen Stijl de oplossing een en ondeelbaar, d.i. als kunst zonder meer te vinden.

LEIDEN, Augustus 1919. THEO VAN DOESBURG.