Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch/Agttiende brief

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Zeventiende brief Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch van [[Auteur:|Onbekend]]

Agttiende brief

Negentiende brief


[ 112 ]

AGTTIENDE BRIEF.

(in den voorigen ingeslooten.)

 Waardste Vriend!

Mijn brief van gisteren kwam te laat op den post, ik liet hem dus te rug haalen, om 'er deezen bij intesluiten, dan hebt Gij twee brieven voor één geld, en hier zult Gij niets tegen hebben.

Van Oedenrode stapte ik eens op naar Zon en Breugel, en toen ik aan het wandelen was, wandelde ik al voord, gelijk U deeze brief zeggen zal.

De afstand tusschen deeze twee laatste en het eerste Dorp is slechts één en ééne halve uur. De weg naar Zon loopt voor het grootst gedeelte door eene hei, en echter is hij niet onäangenaam; want van Oedenrode naar Zon gaande ziet men lings Bosschen, Velden, Akkers en hier en daar eene boeren- wooning; aan de regte hand heeft men eene groote heide, waarin een onäfzienbaare keten van Bergen ligt, welke, door de Zon bescheenen, een trotsch en overheerlijk gezigt opleveren.

Te Zon (dit heb ik, zo ik wel onthouden heb, [ 113 ] reeds in het voorige jaar U gemeld) heeft men den Hervormden Schoolmeester zonder reden afgezet, en eenen Roomschen in zijne plaats aangesteld, deeze is een domme, waanwijze en allerdweepzuchtigste kaerel; hij stoort zich aan geene Wetten, maar laat de Jeugd in Roomsche boeken leeren. – Sedert zeer lange tijden heeft men hier de gewoonte gehad, dat de Schoolmeester 's morgens om agt en 's middags om twaalf uuren met een klein Klokjen luid, om de Menschen, die op de Akkers, of ver van het Dorp, arbeiden, te waarschuwen, hoe laat het is; deeze Roomsche Dweeper volgt hierin de gewoonte, die in Roomsche landen plaats heeft, hij klept naamlijk altijd eerst met drie tusschenpoozen in den naam der Drieéénheid: klep, klep, klep! – klep, klep, klep! – klep, klep, klep! – en dan begint hij te luiden. – ô! Hoe dwaas, hoe bijgeloovig, hoe zot, hoe beuzel- en kinderächtig is dit niet!! – !!! – Aan het eene eind van dit Dorp ligt een Zerk, dien men den blaauwen Steen noemt; aan denzelven schrijft men eene bijzondere heiligheid toe, doch waaröm weet ik niet, ook bewijst men denzelven eene bijzondere eer, want als het hier Kermis is, gaat de Schutterij derwaards, trekt en schaart zich om denzelven, en doet eenige, ik meen drie, Salvo's ter eere van deezen dooden gevoelloozen Steen. – Is dit niet een bewijs van bijgeloovige dweepächtige wellevendheid. – Hier in dit Dorp heeft men in het voorleden jaar een huis gebouwd voor den Priester, het geen meer dan agt duizend [ 114 ] guldens kost. Dit gebouw is wat prachtiger dan 'er ééne Wooning der Predikanten in de Majorij is, schoon men, zelfs in het openbaar, op de pracht der Predikants-wooningen zoo sterk en haatlijk is uitgevaaren – maar deeze zijn ook Geuzen, en voor dezelven is zelfs het geringste hutjen nog veel te goed.

Van Zon ging ik naar Breugel. Hier hebben de Roomschen den Hervormden de Kerk ontnomen. Een bewijs dus van bijgeloovigen haat en vervolging.

Breugel verlaatende stapte ik naar Nunen. – Ik wandelde langs Hooidonk, een gehucht van weinige huizen, waar een Run- en Koornmolen op de Dommel ligt. Hier lag eertijds een Klooster, doch het is thands vervallen, echter ziet men 'er nog eenige Ruïnen van overig. Dit was een adelijk Klooster van reguliere Nonnen van den Regel van Augustinus, zijnde gesticht 1146.

Vervolgends ging ik langs Nederwetten, een klein ellendig Dorpjen, waar de Roomschen zich ook de groote Kerk toegeëigend hebben. Ik liet ook Gerwen, het geen onder Nunen behoort, aan mijne linke zijde liggen, want 'er is niets bijzonders te bekijken, doch ook hier heeft men zich meester gemaakt van de Hervormde Kerk.

Van Nunen moet ik U, behalven het geen ik U in het afgeloopen jaar verhaald heb, nog zeggen, dat men aldaar, wijl de Kerk door den bliksem gedeeltelijk was ingestort, een ander klein Kerkjen ten gebruike der Hervormden wilde gebouwd hebben; doch dit zou ten laste der [ 115 ] Tiendheffers, zijnde Roomsche Kanonniken, gekomen zijn; dan de President dier plaats, zijnde Roomsch, schoon zulks in dien tijd tegen de Wetten streed, wist het, geholpen zelfs van Hervormden (ten minsten dit word verhaald) op de lange baan te schuiven, hierdoor wierden die Kanonniken bevrijd om een Kerkjen te bouwen, of de oude te herstellen, schoon het geen tegenspraak leed, dat zij hier toe verpligt waren; hieröp verscheenen in 1794 de Franschen in de Majorij, en alles bleef steeken. De Hervormden van die plaats verrichteden toen hunnen Godsdienst in de Kerk te Gerwen, schoon zeer ver afgelegen; doch deeze Kerk thands in het bezit der Roomschen zijnde, word de Godsdienst der Hervormden nu in eene Kamer van hunnen Predikant verrigt.

Ik vernachtede in dit Dorp, en wandelde den anderen morgen over Opwetten, een gehucht van Nunen, waar een klein Kapelletjen, een Olie- en een Koornmolen op de kleine Dommel, benevens een oud slecht Kasteel, het Slotjen genoemd, gelegen is, naar Tongelre. Dit is een arm Dorp, welëer veel grooter dan thands: men ziet 'er eene soort van Heerenhuizing, met naam het Hof, doch van geen belang; de grote Kerk hebben de Roomschen, door het woelen van hunnen Priester, een' zeer bitter' bijgeloovig' kaerel, thands in hunne magt.

Vervolgends wende ik mijnen gang naar Eindhoven, waar ik een nacht bleef. Ik vernam 'er niets anders dan in het voorleden jaar. Men [ 116 ] verhaalde mij echter, dat de spits van den tooren, zijnde zeer laag en van eene lelijke bouwörde, 'er op deeze wijze is opgekomen: Men vertrouwde den Bouwmeester des toorens niet, om 'er eene behoorlijke spits op te stellen, maar liet 'er hem maar eene kleine kap op zetten, om die daarna weder weg te neemen, en door eenen anderen eene spits te laaten bouwen; dit hoorde de Bouwmeester en nam dit zóó euvel, dat hij, om zijne kunde te toonen, in het nabuurig Woensel eenen tooren bouwde, die in alle opzigten een kunststuk van bouwörde is. Toen hadden de Eindhovenaars berouw, doch dit was te laat, want hij was niet te beweegen, om aldaar nu eene dergelijke uitmuntende spits te bouwen. Zoo luid het verhaal, doch het waare is dit. In 1525, waaide de spits hier van den tooren, en men plaatste 'er toen bij voorraad eene kap op, om de spits 'er vervolgends weêr op te stellen, doch dit werk bleef steeken, en de kap staat nog op den tooren. – Bij dit alles wil ik nog bij voegen: dat dit Stadjen in 1543 door den beruchten Marten van Rossem wierd ingenomen. In 1552. brande Eindhoven af. – Het Klooster Ten Hage bij gemeld Stadjen, het geen ik U reeds op mijne voorige Reize leerde kennen, zou gesticht zijn geworden in 1420., en deszelfs Kerk brande in 1561. Weder af.

Eindhoven zeide ik in den vroegen morgen vaarwel; wandelde over Woensel, waar de Hervormden thans hunnen Godsdienst in het huis van den Schoolmeester, wijl zij en de Kerk en de [ 117 ] Predikants-wooning kwijt zijn, verrichten, naar Zon, daar ik mijn morgen-ontbijt hield; vervolgends stapte ik weder naar Oedenrode. Hier at ik, en, na gehouden middagmaal, nam ik weder de reize aan naar deeze Stad, doch ik ging door eenen anderen weg, dan waardoor ik in dat Dorp gekomen was. Ik wandelde door eene eenzaame heide naar Schijndel; van Schijndel langs eenen zeer aangenaamen weg naar Dungen: hier dronk ik op het Klooster (zijnde eene Herberg op eene hoogte, met naam de Eikendonk, omtrent eene halve uur van 's Bosch gelegen; op deeze hoogte stond eertijds het Klooster Barbarendaal, waarvan men deeze plaats nog het Klooster noemt) een lekker glaasjen bier; ruste wat uit, en kwam eindelijk, braaf vermoeid door de wandeling van deezen dag (ik had ook ruim zeven uuren gewandeld), even voor het sluiten der Poort hier aan. Ik at 's avonds als een Wolf, en sliep den volgenden morgen tot agt uuren. 'Er is zeker niets beter, om wel te kunnen eeten, dan eene goede wandeling, want, dus zegt Unzer[1] en hij heeft wel gelijk, want:

" De honger wijkt, wanneer wij geen beweeging maaken.
" Wij moeten werken, of het eeten zelve staaken. —"

Nu behoeft Gij U niet langer te verwonderen, waaröm deeze twee Brieven zoo lang zijn [ 118 ] achter gebleeven; de groote uitstap, door mij gedaan, is hiervan de eenigste reden, en dus geene vermindering onzer vriendschap, of verflaauwing van het aandenken aan mijnen besten Vriend; neen! – want ik blijf voor U altijd

Dezelfde. 

P.S. Te Zon heeft de Roomsche Schoolmeester de Sleutel der Hervormde Kerk, hij moet dus altijd de Kerk openen, zullen de Gereformeerden hunnen Godsdienst verrichten; doch keurt de Regeering van dit Dorp, die geheel Paapsch is, het niet goed, dan word de Kerk niet geöpend, (dit is meer dan eens gebeurd), en de Hervormden kunnen dan geenen Godsdienst houden. – Kan 'er dit wel door? – neen! gewis niet!!

  1. De Arts, I. Deel. I. Stuk. Bladz. 89.