Naar inhoud springen

Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad/1871/Nummer 187/Tweede Kamer

Uit Wikisource
‘Tweede Kamer’ door een anonieme schrijver
Afkomstig uit het Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad, maandag 10 juli 1871, [p. 3]. Publiek domein.
[ 3 ]

Tweede Kamer.

In de Zitting van Zaterdag 8 Juli 1871 is aan de orde het wetsontwerp tot bevordering van den aanvoer van vrije arbeiders in Suriname.
De min. van Koloniën verzoekt echter om, in verband met de verwerping van het Siak-traktaat, voor het oogenblik dit wetsontwerp niet te behandelen.
Dienovereenkomstig wordt besloten, waarop aan de orde is de wijziging van art. 7 der wet van 29 Juni 1854 (Eenzame opsluiting).
De heer van Zinnicq Bergmann had verlangd, dat ook de wet van 4 Juni 1851 zou zijn gewijzigd, om een bepaald stelsel van cellulaire gevangenisstraf te verkrijgen. Het amendement van den heer Gratama zal er een mengelmoes van maken. Spr. betoogt daarop, dat het stelsel van eenzame opsluiting in Belgie niet zoo goed is, als de heer Gratama beweert, en dat daar de Napoleontische wetgeving nog in vollen gang is. De Belgische rechter kan niet eens tot cellulaire gevangenisstraf veroordeelen; hij heeft alleen den dwangarbeid, die dan aan séparation onderworpen is. Daarop bestrijdt Spr. de wijze, waarop de min. de cellulaire straf wil toepassen. Deze wordt allengs regel, en dat moet niet. Waarom laat de min. nu de bepaling bestaan uit de wet van 1851, dat er bijzondere gevallen of omstandigheden moeten zijn, om de cellulaire straf toe te kunnen passen? Dat komt niet meer overeen met het tegenwoordige stelsel en met deze wet.
De hr. Gratama is een groot voorstander van eenzame opsluiting. Het amend. van Spr., om die straf ook tot het krimineele uit te breiden zal Spr. intrekken, om het beginsel dezer wet niet in gevaar te brengen, omdat bij aanneming daarvan niet voldoende cellen bestaan, omdat de min. later toch in dien geest een voorstel zal doen.
De hr. van Eck betreurt ook, dat aan de wet van 1851 niet de hand is gehouden. Daarom verheugt Spr. zich, dat de min. daarin verbetering wil brengen. De cellulaire gevangenen moeten min of meer als zieken beschouwd worden; bij hen moet de zedelijke verbetering op den voorgrond staan. Spr. acht het zeer wenschelijk, dat de cellulaire straf ook zal uitgebreid worden tot de gevallen van veroordeeling tot 5 jaren tuchthuisstraf. Daarmede behoeft men niet te wachten. In de, spoedig gereed komende gevangenis te Rotterdam is voldoende ruimte. Spr. vraagt ten slotte, of de min. niet bij de begrooting verklaard heeft, dat hij uitbreiding der eenzame opsluiting verlangde.
De hr. Saaijmans Vader vraagt, of men voortgaat met de statistiek betreffende de zedelijke verbetering der gevangenen. Spr. meent dit te mogen betwijfelen, omdat de min. heeft gezegd »cellulaire straf sluit de zedelijke verbetering niet uit.” — Op grond van eigen onderzoek dweept Spr. niet meer zooals vroeger met de cellulaire straf, en meent, dat men deze niet zonder voldoende zekerheid te bezitten mag uitbreiden. Wordt het doel, zedelijke verbetering, niet bereikt, dan moet men de straf niet uitbreiden. — Zou het ook niet beter zijn, om deze wet te laten wachten op een geheele herziening van ons strafstelsel?
De hr. van Lynden vraagt, of de min. ook eenige resultaten kan opgeven van de statistiek, door den vorigen Spr. bedoeld?
De heer van Loon zag tot zijn leedwezen dit wetsontwerp aan het einde der zitting behandelen, en tevens zoo weinig gegevens omtrent de cellulaire straf overleggen. Bij een zaak als deze mag men niet alleen afgaan op het subjektief gevoelen van den minister. Van deze wet toch kan een aanmerkelijke uitbreiding der straf het gevolg worden. Verwerping dezer wet zou alleen bedoelen, een verzoek van meerdere toelichting.
De heer Idzerda is voorstander van eenzame opsluiting, doch vestigt er de aandacht op, dat men vooral rekening houde van de gezondheid, leeftijd en lichamelijke ontwikkeling van den veroordeelde.
De Min. v. Just. heeft zijn subjektieve meening wellicht op den voorgrond gesteld, doch dan was dit, omdat jaren lange ondervinding de overtuiging diep bij hem wortel deed vatten. In bijzonderheden kan de min. niet treden, maar zeker is het, dat de grootste misdadiger door cellulaire straf nog tot inkeer komt. De wet van 1851 kan verbeterd worden, doch dit is niet dringend noodig; zij stelt de cellulaire straf niet als uitzondering. De Min. herhaalt voorts gaarne, dat hij wil voortgaan met uitbreiding der eenzame opsluiting. Dat de bezoeken bij de gevangenen oordeelkundig moeten geschieden, stemt de min. volkomen toe. Uitbreiding van het aantal cellen wordt door den min. beoogd. Hij zoekt naar grond; om daarop nog een nieuwe gevangenis te bouwen. Een overzicht te geven van de werking der cellulaire straf achtte de minister overbodig. De cirkulaire omtrent de statistieke opgaven heeft de minister gewijzigd. De invulling der tabel gaf geen waarborg en geen vruchten. Aan dergelijke statistieke opgaven ontzegt de min. alle waarde. Inderdaad moet zedelijke verbetering hoofdzaak zijn. Wordt dat doel door de eenzame opsluiting bereikt — en daarvan is de min. overtuigd — dan bewijst men daardoor een weldaad aan de maatschappij. Op het verzoek van den heer Idzerda zal men zooveel doenlijk letten. Na repliek komt art. 1 in behandeling.
De heer Gratama stelt — alleen om een stap vooruit te doen — voor, om de straf uit te breiden tot de gevallen van veroordeeling tot vijf jaren gevangenisstraf. Nadat de min. verklaard heeft met dezen maatregel liever te wachten tot de invoering van een nieuw strafwetboek, wordt het amend. verworpen, en daarop het wetsontwerp met 53 tegen 1 stem aangenomen.
Het wetsontwerp tot wijziging van hoofdst. IV. B der Staatsbegrooting dienst 1870, wordt daarop met algemeene stemmen aangenomen, waarna aan de orde is het wetsontwerp tot verlenging der werking van het Indisch tarief tot 1 Januari 1873.
De min. v. kolon. verontschuldigt de vertraging der nieuwe tabellen; het werk kost veel tijd. Behandeling vóór het a. s. voorjaar is niet waarschijnlijk; de min. raadt daarom af om den termijn korter te stellen.
De heer Fransen van de Putte meent, dat men geen uitstel had moeten voordragen, en vraagt, of de kamer in September zeker de nieuwe tarieven gereed zal vinden? Daarop dringt spr. sterk aan.
Nadat de min. heeft geantwoord, dat daartegen z. j. geen bezwaar bestaat, wordt het wetsontwerp met algemeene stemmen aangenomen.
Eenige konklusiën omtrent regeeringsbescheiden worden daarop aangenomen. De heer van Nispen verklaart zich tegen de konklusie van het rapport, betreffende de verrichtingen van het armbestuur over 1868. Daarop komt aan de orde het rapport van den overeenkomst betreffende de uitlevering van misdadigers tusschen Nederland en Italië.
De hr. van Eck verklaart zich tegen het dragen van de orde van de eikenkroon van Luxemburg, zonder dat men de vergunning des konings daartoe verkreeg. Spr. verlangt eerbiediging der wetten. Men maakt ons toch reeds te veel een met Luxemburg.
De Voorzitter meent, dat de heer van Eck, niet in de orde is en ziet het verband van diens rede met het traktaat niet in.
De hr. van Eck, antwoordt, dat de ambtenaar die het traktaat sloot, de Eikenkroon draagt.
De Voorzitter meent, dat de heer van Eck, met de bespreking van dat onderwerp afwijkt van het punt, dat aan de orde is. Wenscht hij dat te behandelen, dan zou de weg open staan om eene interpellatie in te stellen.
De heer van Eck is van een ander gevoelen, en zal geen gebruik maken van den raad des voorzitters, om dit punt in eene afzonderlijke interpellatie te behandelen, maar behaalt er zich toe de aandacht der regeering daarop te vestigen. Spr. oppert er voorts bedenking tegen, dat politieke misdadigers van de uitlevering zijn uitgesloten. Reeds in de kommissie heeft Spr. dat bezwaar geopperd. Toen zijn Spr.’s opmerkingen verworpen; maar intusschen zijn de onhebbelijkheden te Parijs uitgebroken en men heeft gezien, wat de Commune heeft gedaan. Spr meent alzoo, dat een brandstichter en moordenaar ook behoort te worden uitgeleverd, al heeft hij daarbij tevens staatkundige oogmerken gehad. Bij zulke misdaden heeft men te letten op de daad en niet op het doel.
De heer de Brauw weet niet bepaald, waarom de kommissie geen gewag heeft gemaakt van de opmerkingen van den heer van Eck. Spr. doet voorts uitkomen, dat dit traktaat geheel in overeenstemming is met andere traktaten van dien aard.
De Min. betoogt, dat de door den heer van Eck besproken uitzonderingsbepaling in overeenstemming is met het beginsel der wet van 1849. De Min. merkt daarbij echter op, dat misdadigers wel worden uitgeleverd, als zij, al is het dan ook met politieke oogmerken, misdaden hebben begaan, die daartoe aanleiding geven. Elk geval moet in dat opzicht op zichzelf beoordeeld worden.
Na repliek van den heer van Eck en dupliek van den Min. wordt de konklusie goedgekeurd.
Daarna werden nog eenige rapporten uitgebracht, waarna de vergadering overgaat in kommitee-generaal tot de behandeling der huishoudelijke begrooting der kamer.
Na de heropening der openbare zitting sluit de Voorzitter de vergadering tot nadere bijeenroeping.
In deze zitting is ingekomen een wetsontwerp regelende de invoering der Nederlandsche pharmacpea.