Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad/1871/Nummer 194/Frankrijk
| ‘Frankrijk’ door een anonieme schrijver |
| Afkomstig uit het Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad, maandag 17 juli 1871, [p. 3]. Publiek domein. |
Frankrijk.
Men leest in de France: Thiers, van wien men ten onrechte zeide, dat hij ziek is, heeft een bezoek gebracht aan den graaf van Parijs en zich met hem over verschillende onderwerpen, o. a. over het leger onderhouden. De graaf van Parijs keert naar Engeland terug.
In de Nationale vergadering van 15 dezer heeft de heer Béranger een nieuw wetsontwerp op de drukpers ingediend. Hij stelde voor, om voor de staatkundige misdrijven, door middel van de drukpers gepleegd, eene jury in te stellen. Elk jaar moet eene lijst opgemaakt worden van de leden der jury. In ieder departement bestaat die lijst uit 200 namen en in het departement der Seine uit 600. De leden worden gekozen door den departementalen raad, uit de gemeenteraden, naar verhouding der bevolking. In het departement der Seine wordt de liist samengesteld voor een derde door den provincialen raad, en verder: vijftig leden door het instituut; vijfentwintig leden door het hof van kassatie, uit de leden der magistratuur; vijftig leden door de orde van advokaten, uit de leden der balie en der rechtbank van koophandel; honderd leden door de kamer van koophandel, uit een lijst van notabelen van den handelstand; honderd leden door den gemeenteraad, te verdeelen over de verschillende wijken; vijfentwintig leden door de kamer van notarissen en prokureurs, en vijftig leden door het syndikaat van joernalisten, uit de dagbladschrijvers en uitgevers van dagbladen, die geen vonnis wegens drukpers-overtreding te hunnen laste hebben. Bij een ander voorstel wordt verlangd de benoeming eener kommissie van vijftien leden uit de kamer, om een ontwerp samen te stellen tot herziening der wet ter beteugeling van drukpers-delikten.
Men verzekert, dat de interpellatie van den heer Belcastel over de verzoekschriften der bisschoppen ingetrokken zal worden.
De minister van binnenl. zaken, de hr. Lambrecht, heeft aan de prefekten der door de Duitschers bezette departementen bekend gemaakt, dat de Duitschers bevel ontvangen hebben geene andere straffen op te leggen, dan die door de krijgsraden zijn uitgesproken. De prefekten worden daarbij uitgenoodigd het hunne te doen, om botsingen te voorkomen en zoo Duitsche militairen zich aan overtredingen schuldig maken, dit onmiddellijk ter kennisse te brengen van hunne chefs.
De minister van binnenl. zaken heeft in de kamer de verzekering gegeven, dat er geen ongeregeldheden te Nizza hebben plaatst, gehad. Er was slechts een vechtpartij in een koffiehuis geweest. Het Journal de Nice meldt hieromtrent van 12 Juli het volgende: De nacht van 10 Juli was stormachtig en somber. Een troep trok door de straten, onder een woedend geschreeuw, van: leve Garibaldi! weg met Frankrijk! Dood aan de Franschen! Twee Franschen werden met dolken gewond. Een daarvan is stervende. Er zijn talrijke arrestatiën gedaan.
De maire van St. Dénis heeft het volgende bevel van den Pruisischen kommandant dier stad bekend gemaakt. Daar een onderofficier het slachtoffer van een aanranding van 4 personen geworden en zwaar gewond is, gelast ik: 1. ieder partikulier, die na 10 ure des avonds in de straten wordt aangetroffen, wordt in hechtenis genomen; 2. alle koffiehuizen en openbare lokalen moeten des avonds te 10 ure gesloten zijn, met uitzondering alleen van drie, welke door de officieren bezocht worden: de Weener brouwerij, de brouwerij van de rue de Paris en de brouwerij Dreher. Generaal von Malachowski.
De heer de Parieu, die onder het ministerie Ollivier president van den Raad van State was, heeft eene brochure uitgegeven: »over het tweede keizerrijk en den tegenwooidigen toestand van Frankrijk.” Hij tracht aan te toonen, dat Napoleon III het slachtoffer geworden is van de Fransche zucht naar roem. Persoonlijk, zoo zegt hij, had de keizer veel meer literarische en diplomatische neigingen dan militaire, en een eenigszins weifelend karakter deed hem ongaarne gevaarlijke ondernemingen wagen. Vele aanzienlijke personen, ook Parieu, waren tegen den Italiaanschen oorlog, maar de demokratie dwong er toe. Daaruit ontsproten voor Frankrijk groote rampen, niet omdat de italiaansche eenmeid voor Frankrijk zoo gevaarlijk is, maar omdat die oorlog de partij van orde over de Romeinsche kwestie verdeelde en het wantrouwen van andere staten opwekte. Dit laatste was vooral het geval bij Pruisen, waaronder uitstekende staatslieden en legerhoofden een duidelijk begrensde politiek en een eensgezind volk, tegenover weifeling, tweedracht en middelmatigheid in Frankrijk stonden. Napoleon, die sedert 1859 gewoon was den eersten rol in Europa te spelen en van Pruisen veel minder wist dan van de overige Duitsche staten, achtte dezen tegenstander te gering. De slag van Sadowa was noodlottig voor den keizer, omdat èn de militaire partij en de oppositie dien voorstelden als eene vernedering van Frankrijk. In den beginne scheen Napoleon zich te troosten met de gedachte, dat hij door Oostenrijks integriteit te redden, in tijd van nood een bondgenoot zou hebben. Maar de oorlogspartij behaalde de overhand, in weerwil van den tegenstand van het half-parlementair ministerie. Nog 14 Juli weifelde Ollivier. De ministers Louvet en Ségris waren voor den vrede; Plichon en Parieu waren er tegen, om toen oorlog te verklaren. Den 14. Juli riep de keizer: de teerling is geworpen; maar in de twaalf dagen die voor zijn vertrek naar Metz verliepen, was hij zeer ongerust. De keizer — zoo zegt Parieu — werd tegen wil en dank tot den oorlog gedwongen door den strijd der partijen en de haat zijner onverzoenlijke vijanden, die tegen een oorlogzuchtige politiek waren en hem toch tegelijker tijd verantwoordelijk stelden voor alles wat den nationaler trots van Frankrijk kwetsen kon.