Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad/1871/Nummer 194/Mijnheer de Redakteur
| ‘Mijnheer de Redakteur [ingezonden]’ door S. |
| Afkomstig uit het Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad, maandag 17 juli 1871, [p. 3]. Publiek domein. |
[ 3 ]Mijnheer de Redakteur.
De weerbaarheid mag zich geluk wenschen, met de ondersteuning, die haar plan, om een wedstrijd te houden, bij de regeering van provincie en stad heeft gevonden, van de laatste te meer, omdat het preadvies van de meerderheid van B. en W. zoo geheel ongunstig was. — Zij is ongetwijfeld ten hoogste erkentelijk aan de wakkere mannen, die dit preadvies met warmte bestreden, en die voor de gunstiger voorstellen gestemd hebben.
Dat preadvies van de meerderheid van B. en Weth. verschijnt, door de toelichting van een der wethouders, den heer de Muralt, in een eigenaardig licht.
B. en Weth. »treden toch niet in de mérites van iedere dergelijke Vereeniging in hoever de een meer dan de andere ondersteuning verdient”, — zij »hebben geen vrijheid te beoordeelen hoever de strekking (provinciale, nationale, internationale) van de groote plannen van al die vereenigingen gaan.”
Ik wil er slechts op wijzen, mijnheer de redakteur! dat mij die opvatting van de taak van B. en W. voorkomt, weinig te strooken met art. 179 s. en v., gem. w.
Ik wil er ook niet hij stilstaan, dat deze bekentenis (van gemakzucht of gebrek aan belangstelling?) veel waarde ontneemt aan het verslag over den toestand der gemeente, dat door B. en W. jaarlijks wordt uitgebracht, en waarin omtrent al die vereenigingen mededeelingen voorkomen, - wel is waar op grond van de mededeelingen van de besturen dier vereenigingen, - maar toch in het lichaam van het verslag zelf, dus onder verantwoordelijkheid van B. en Weth. zelve, die door die opneming als het ware te verstaan moeten geven, dat zij vertrouwen genoeg stellen in die besturen, om hunne mededeelingen als juist aan te nemen, en ze daarom als officieele mededeelingen van hunnentwege aan den raad over te brengen.
Ik wil zelfs de vraag niet behandelen, of B. en Weth. als zij niet nagaan, welke Vereeniging meer of minder ondersteuning verdient, ook wel weten kunnen, welke Vereenigingen er zouden kunnen zijn, die in plaats van ondersteund, zooveel mogelijk tegengegaan moesten worden.
Waar ik alleen de aandacht op wil vestigen is de moraal, nl. deze:
dat Vereenigingen, die de ondersteuning van de stedelijke regeering wenschen, zich, »buitengewone gevallen” uitgezonderd, tot den raad zullen moeten wenden, omdat de meerderheid van B. en Weth. tot beginsel heeft aangenomen, op al deze en dergelijke aanvragen afwijzend te beschikken;
dat de gemeenteraad, deze en dergelijke aanvragen ontvangende, die om preadvies zal behooren te stellen in handen van eene speciale komm. en niet in handen van B. en Weth., omdat B. en Weth. verklaard hebben: niet in een onderzoek te treden van het meer of minder belang, dat zulke vereenigingen hebben, - dat zij niet anders kunnen adviseeren, dan zij beschikken, dat is op alles en allen »afwijzend”, - wat wel niet de bedoeling van den raad zal zijn, als zij eenig stuk in handen stelt van B. en Weth. om »hem te dienen van konsideratien en advies.”
Utr. 14 Juli 71.
S.