Naar inhoud springen

Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad/1871/Nummer 197/Frankrijk

Uit Wikisource
‘Frankrijk’ door een anonieme schrijver
Afkomstig uit het Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad, donderdag 20 juli 1871, [p. 3]. Publiek domein.
[ 3 ]

Frankrijk.

Thiers heeft een groot dinee ter eere van Mac Mahon gegeven, waarbij ook generaal Faidherbe tegenwoordig was. Met den laatste had Thiers ’s avonds een langdurig onderhoud. Men zegt, dat er met de Duitschers onderhandeld wordt over de ontruiming van het depart. Seine et Oise en van de forten om Parijs, waartegen zij het departement der Beneden Seine wat langer zouden bezet houden.

Men is zeer ontevreden dat de departementen van de Somme, de Aisne en de Beneden Seine niet ontruimd worden, daar het eerste halve milliard nu betaald is. Het zal echter wel binnen een paar dagen geschied zijn.

Het voorstel van den Parijschen afgevaardigde Wolowski om ’s lands regeering weder naar de hoofdstad terug te brengen zal eerst over eenige dagen inkomen. De uitslag is zeer twijfelachtig, daar een goot deel der afgevaardigden de stad der omwentelingen niet vertrouwt.

Onder de nieuwe belastingen worden genoemd eene op katten en kamervogels, 5 franks voor de eerste, 1 fr. voor de laatste. Het briefport zou worden verzwaard: een brief naar Amerika b. v. fr. 1.60 in plaats van 60 centimes. Ook de vracht der fiakres is verhoogd, dewijl het in Parijs aan paarden ontbreekt.

De Constitutionnel meldt dat de graaf van Chambord van Brugge, waarheen hij zich van Chambord begeven had, naar zijne gewone verblijfplaats, Frodsdorf in Bohemen is vertrokken.

Er is op nieuw ernstig sprake van de subsidiën aan de verschillende stoombootmaatschappijen te verminderen. Voor het laatste jaar ontving de Maatschappij tot overbrenging van brieven van ’t Vasteland naar Korsika 640.000 fr.; de postdienst van de Middellandsche zee 3.694.437 fr.; brievenvervoer tusschen Calais en Dover 190.000 fr.; de stoomvaart op Brazilië 2,396,172 fr.; die op Indië en China 7,256,682 fr.; en die op Nieuw-York en de Antillen 9,495,464 fr. makende een gezamenlijk bedrag van 23,582,464 fr.

De direktie van de Fransche bank heeft — naar men zegt — 200 franks rente aangeboden, aan ieder die hare bureaux van 18 Maart tot 25 Mei hebben verdedigd. Een zilveren medalje wordt bovendien voor ’t zelfde doel geslagen[.]

Te Parijs worden de processen tusschen huurders en verhuurders zóó talrijk, dat men daar twee sektiën van den specialen jury heeft moeten instellen. Het verkooplokaal in de rue Drouot is overvol met te verkoopen meubelen, en men is reeds begonnen de gerechtelijke veiling der tilbare have van arme uitgezette huurders op de publieke straat te houden. De ellende is zeer groot.

Dat het 18 Juli ook te Parijs buitengewoon warm was blijke uit den thermometer-stand aldaar; te 6 ure ’s morgens 71°, te 12 ure 91° te 2 ure 95°.

Het Journal des Debats komt tot de overtuiging, dat de beroemde regel: »Quidquid delirant reges, plectuntur Achivi” voortaan aldus moet vertaald worden. »Alle dwaasheden van de regeering worden geboet door de pers.” Want nu ook weder wordt de pers gestraft voor de fouten van anderen, zegt het blad. Het keizerrijk deed dwaasheden, die Frankrijk ten verderve brachten; daarin vond men aanleiding om een knellende belasting te leggen op die arme dagbladen, die met uitzondering van een paar officieuse bladen, het keizerrijk bestreden, en met dezelfde warmte om vrijheid en vrede riepen. De revolutionaire partij maakte zich van Parijs meester op 18 Maart, omdat de troepen, die het geschut van den Montmartre moesten wegvoeren, geen paarden hadden meegebracht. De oude Parijsche pers in haar geheel, al de dagbladen, die ook het keizerlijk despotisme hadden bestreden, verhieven als één man hunne stem tegen deze overweldigers, en stelden daardoor hunne bureaux aan plundering en verwoesting, hunne redakteurs aan lijfsgevaar bloot van de bandieten der Commune. Nu de Commune is overwonnen, zijn het weder de dagbladen, die gestraft worden voor de dwaasheden en misdaden van de mannen van 18 Maart, door de wederinvoering van de borgstelling en het zegel. Onder het keizerrijk was de ergernis algemeen over de ook elders verspreide kleine dagbladen, die alleen de gemeenheden der groote stad vermeldden. Nu haast men zich om ten hunnen gunste de privileges weêr in te voeren, die het keizerrijk hun gaf. Zij blijven dan nu ook weer vrij van den drukkenden last van het zegel. Het is licht te begrijpen — aldus besluit het goed geschreven Fransche blad — dat er geld noodig is om de verderfelijke domheden te betalen van de lieden van 2 December en 18 Maart; maar waarom moet de pers meer dan eenige andere tak van nijvereid daartoe worden belast? Zijn dan de Fransche dagbladschrijvers meer dan al hunne medeburgers aansprakelijk voor die reeks van rampen, die in het tijdperk van 15 Juli 70 tot 15 Juli 71 over ons land zijn gekomen?

Iemand, die in de omstreken van Nancy woont, verhaalt omtrent den brand van het paleis der oude hertogen van Lotharingen te Nancy, de volgende bijzonderheden. De brand had plaats in den nacht van Zondag op Maandag. lk werd — zoo schrijft de korrespondent — verschrikt door het zien van een vreeselijken brand, die, wat aard en omvang betreft, aan den brand van het ministerie van financiën te Parijs herinnerde. Nu was het evenwel het oude paleis van de hertogen van Lotharingen, dat een prooi der vlammen was. Het vuur greep zoo snel om zich heen, dat de gendarmen, wier kazerne in de nabijheid gelegen is, plotseling werden gewekt door het instorten van de balken. Zij konden niets anders redden dan de voorwerpen, die zij bij zich hadden. Ten twee ure des morgens werd eerst een aanvang gemaakt met de regeling der blusch middelen. De brandklok mocht niet geluid werden voordat de Pruisischen kommandant zijn goedkeuring gegeven had. Eene omstandigheid, die zeer vreemd en dan ook tot allerlei vermoedens aanleiding geeft, is, dat de brand zich uitbreidde als een loopend vuur over eene lengte van meer dan 200 ellen. Bij mijn vertrek uit Nancy, Maandagavond te 10 ure, sloegen de vlammen nog uit de vertrekken die aan de kerk grenzen, welke laatste evenwel gelukkig behouden is. Dit oude hertogelijke paleis was een overblijfsel van de oude bouwkunde, dat door geen vreemdeling onbezocht werd gelaten. Het diende tevens voor museum van alle antikwiteiten, Lotharingen betreffende, en herinneringen van koning Stanislaus. Bovenal merkwaardig waren de prachtige behangsels en eene aanzienlijke verzameling van wapenen, kleinoodiën, munten, kleederen en meubelen. Slechts weinig van al die kostbaarheden werden gered; de tent van Karel den Stoute en 4 behangsels uit de 15e eeuw, benevens eenige weinige schilderijen konden aan de vlammen worden ontrukt. Uit gehechtheid aan die oude herinneringen zijn bijna alle burgers òf tijdens den brand, òf daarna om de puinhoopen te bewaken, behulpzaam geweest. Ook de Pruisische soldaten losten de pompier af. Het krachtdadig optreden van den prefekt wordt zeer geroemd. De soeverein, die het slot het laatst bezocht, was de keizer van Oostenrijk. Deze deed dan ook reeds langs telegrafischen weg van zijne deelneming blijken, en vroeg tevens met belangstelling aan den maire eenige nadere bijzonderheden.

De Figaro geeft een verhaal van een bezoek op Chislehurst gebracht. Chislehurst ligt evenals Montmorency langs de helling van een heuvel. Bij het dorp een bekoorlijken weg inslaande, komt men in tien minuten aan Cambdenhouse de verblijfplaats van Napoleon III. Niets doet aan een vorstelijk verblijf denken. Voor een eenvoudig verguld ijzeren hek, loopt een policeman op en neer; en langs den muur, die het park van den balling omringt, wandelt een dier trouwhartige burgers, die men altijd in den omtrek van het poortje der Echelle kon zien flaneeren. Door het hek, dat links begrensd wordt door het paviljoen van den koncierge, ziet men een laan, vervolgens een grasperk en eindelijk half verborgen door het gebladerte van een rij hoogstammige boomen, een groot vierkant huis, prozaïsch gelegen voor den ingang van een park. Op het oogenblik, dat ik aanbelde — het was 3 uur — trad de wandelaar op mij toe, nam mij zeer onbeleefd van het hoofd tot de voeten op en verwijderde zich na zijn nieuwsgierigheid bevredigd te hebben. Een vrouw deed mij het hek open. De Keizer? vroeg ik. Zij ging mij voor en geleidde mij door de laan naar de villa. Een groote deur geeft toegang tot een uitgestrekte gaanderij, die zich over de geheele lengte van den voorgevel uitstrekt en overvloedig verlicht wordt door een open hemel; een gedeelte van die gaanderij wordt ingenomen door een vierkante salon, die als antichambre dient en zeer eenvoudig gemeubileerd is: eenige schilderijen hangen aan den muur en een dik tapijt bedekt de vloer. De gaanderij is somber. Aan den ingang staat de trouwe Felix. Hij herkende mij. — Gij wenscht Z. M. te zien? vroeg hij mij. — Ja. — Hebt gij uw bezoek aangekondigd? — Neen. — De oude dienaar verliet mij en begaf zich naar het kabinet van den gevallen soeverein. — Ik heb u aangediend, zeide mij Félix, en de Keizer is verheugd u te zullen zien. Ik bracht als een getrouw vriend een condoléance-bezoek Napoleon stond voor z[ij]n bureau; hij droeg een dichtgeknoopten zwarten jas en was overigens zeer eenvoudig gekleed. Hij drukte mij de hand en verzocht mij te gaan zitten, waarop wij over Parijs en Frankrijk begonnen te spreken. Hij vroeg mij weinig, maar luisterde des te meer. Nooit had ik een pijnlijker onderhoud: het was mijn vurig verlangen een straal van hoop te werpen in die onmetelijke smart der ballingschap, maar dat wilde ik doen, zonder vleijerij en zonder illusiën te wekken. Mijn zorg was echter overbodig. De Keizer kwam mij gelaten voor en berustende in zijn ongeluk. Zich herinnerende, dat hij door het volk gekozen werd, wenscht hij slechts naar Frankrijk terug te keeren, wanneer hij door het volk wordt teruggeroepen. Hij vertrouwt op zijn toekomst en voedt de illusie, dat zijn rechtvaardiging uitsluitend door de kracht der gebeurtenissen zal geschieden. Van de personen en zaken van het oogenblik sprekende, ontviel hem geen enkel bitter woord; gelijk een dweepende muzelman, draagt hij alles op aan de goddelijke macht. Het stond geschreven! zeide hij, en wat gebeuren moet, staat geschreven! Napoleon III is weinig verouderd; zijn uiterlijk voorkomen is niet veranderd; zijn oogopslag is nog steeds koud en doordringend en zijn zeer zachte glimlach vormt nog altijd datzelfde vreemde kontrast met de algemeene uitdrukking van zijn gelaat. Ik vond, dat hij er beter uitzag, dan voor zijn vertrek naar den oorlog. Met de keizerin is het geheel anders gelegen. Op het oogenblik, dat ik mij verwijderde, trad zij het vertrek binnen. Onmiddellijk trof mij haar bleekheid en de uitdrukking van treurigheid, over het gelaat verspreid; men kan het haar aanzien, dat zij veel geweend heeft en haar zoo fijne en regelmatige trekken hebben die zuiverheid van lijnen verloren, die de schoonheid van haar aangezicht zoo opmerkelijk maakte. »Zeg vooral in Frankrijk, zeide zij mij bij ’t afscheid nemen, dat wij slechts lijden om de ongelukken van het vaderland.” Ik verliet de villa Cambden, de ziel van weemoed vervuld. Ik had een plicht volbracht. ’s Avonds ging ik naar het koncert van de Alhambra. De edele ballingen van de Commune, onder wie ik Razoua en Cournet meende te herkennen, maakten er goeden sier en vierden juist de overkomst van een nieuwen ontsnapte. Zij leiden een weelderig leven en betalen met goed geld, dragende de beeltenis van den tiran. Welk een les voor de geschiedenis!”