[ 1 ]— Het Dagbl. v. Z. H. is zeer ingenomen tegen de aanneming door de Tweede Kamer van het amendement van den heer Dumbar over de missie te Rome. Het heeft o. a. de middelen aan de hand gedaan, waardoor de min. van buitenl. zaken, indien hij niet zijne portefeuill[e] wilde nederleggen, de uitvoering van den maatregel kon tegenhouden, nl. de Eerste Kamer verzoeken zijne begrooting te verwerpen of den koning aan te raden van zijn recht van Veto gebruik te maken. Dit is o. a. bestreden door de Arnh. Ct., die daarbij het besluit der Kamer een wettig besluit noemde. Tegen dit laatste nu komt het D. v. Z. H. op, althans altijd in zooverre men in de aanneming van het amendement een besluit wil zien tot opheffing van de missie te Rome. Daartoe is de Tweede Kamer niet bevoegd. Zij had slechts te beslissen over het globale bedrag voor de gezantschappen op de begrooting uitgetrokken; Of die gelden worden aangewend voor de bezoldiging van een gezant te Rome of voor die van een elders gevestigden; daarover beslissen de koning en zijn ministers, die alleen te zorgen hebben, dat het bedrag der toegestane gelden niet worde overschreden. Aan de Vertegenwoordiging verblijve het grondwettig recht om gelden toe te staan of te weigeren; maar aan ’s koning regeering verblijven dan ook de rechten, haar in de Grwt. toegekend. Dat de heer Dumbar dat ook scheen te gevoelen, leidt het blad af, uit diens verklaring, in antwoord aan den heer Saaymans Vader, dat zijn voorstel tot niets anders strekte dan om te debatteeren over een post op de begrooting, waartoe de Kamer ook volgens den heer Vader alle recht bezat. — Op dien grond betoogt het blad nu nader, dat de minister volstrekt niet gehouden is tot opheffing van de missie te Rome, want is het de bedoeling van de aanneming van het amendement geweest tot de opheffing te besluiten, dan is bet grondwettig terrein verlaten en een min. is volstrekt niet gehouden, zich aan zulk een ongrondwettigen dwang te onderwerpen.