Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad/1871/Nummer 327/In de vergadering der vereeniging ter bevordering van krijgswetenschappen
| ‘In de vergadering der vereeniging ter bevordering van krijgswetenschappen te ’s Hage is gisterenavond de diskussie over het stelsel van algemeenen dienstplicht voortgezet […]’ door een anonieme schrijver |
| Afkomstig uit het Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad, maandag 27 november 1871, [p. 1]. Publiek domein. |
[ 1 ]— In de vergadering der vereeniging ter bevordering van krijgswetenschappen te ’s Hage is gisterenavond de diskussie over het stelsel van algemeenen dienstplicht voortgezet en ingeleid door kapt. van Tuerenhout. Door dezen spreker werd op den voorgrond gesteld, dat alles wat op de defensie betrekking heeft, nog steeds in de eerste plaats aan de orde is, niet alleen in ons land, maar in de verschillende staten van Europa. Hij gaf aan, wat daaromtrent is gebleken in België, Frankrijk, Engeland, en hoe men in Rusland, Italië en zelfs in Japan tot het invoeren van algemeenen dienstplicht heeft besloten en uit de hoop, dat dit ook spoedig bij ons het geval moge zijn.
Daarna werd aangetoond, dat tusschen algem. dienstplicht en algemeenen oefenplicht, waarvan men bij ons veelvuldig spreekt, eigenlijk geen verschil bestaat.
De verplichtingen en rechten der dienstplichtigen in N.-Duitschland, die niet tot het aktieve leger behooren, werden door spr. daarom zoo uitvoerig behandeld, om aan te toonen, hoever wij ook in dit opzicht bij N.-Duitschland achterstaan. Men stelt zich daar steeds ten doel, om bij de bevordering der militaire belangen zoo min mogelijk zoowel maatschappelijke als individueele belangen te schaden. Hierdoor heeft het Pr. stelsel veel voor boven het onze, hetwelk spr. met voorbeelden staafde.
Daarna ging hij over tot eenige algemeene denkbeelden omtrent de toepassing van het stelsel op ons land, en stelde daarbij op den voorgrond, dat hij niet een onverbeterlijke organisatie wilde aangeven, doch alleen doen zien, welke resultaten men, zooveel mogelijk met behoud van het thans bestaande, door invoering van algemeenen dienstplicht zou kunnen verkrijgen.
Als eischen werden door hem o. a. gesteld afschaffing van plaatsvervanging, wijziging der bepalingen omtrent het aannemen van vrijwilligers, (lokaliseering van militie); kortere diensttijd en voorrechten voor wetenschappelijk ontwikkelden; inkrimping van den diensttijd voor meer geoefenden, enz. Hij kwam tot het besluit, dat men in oorlogstijd een leger van ruim 115.000 geoefende manschappen zou kunnen onder de wapens brengen; terwijl bovendien voor een behoorlijke aanvulling was zorg gedragen.
De Voorzitter stelde voor, de diskussie dien avond slechts te voeren over het in de vergadering van 12 Maart ll. behandelde, en die over het laatst besprokene wegens den grooten omvang der zaak uit te stellen tot een volgende vergadering. Daarop ontving de heer Stieltjes het woord, om nog eenige opmerkingen te maken omtrent het 14 April door den heer v. T. en andere heeren gesprokene. Na hem werd nog kort gesproken door den heer Robidé van der Aa, den voorzitter, de heeren Bredius en van Tuerenhout, voornamelijk over de wijze waarop de loting in Noord-Duitschland plaats heeft en over de eischen onzer grondwet. Men was van mening, dat deze geenszins aan de invoering van algemeenen dienstplicht in den weg stond.