Naar inhoud springen

Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad/1873/Nummer 331/De Stand.

Uit Wikisource
‘De Stand. hare verhouding tegenover Rome besprekende, zegt dat […] voor de anti-revolutionaire partij drieërlei standpunt denkbaar is: […]’ door een anonieme schrijver
Afkomstig uit het Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad, maandag 1 december 1873, [p. 1]. Publiek domein.

[ 1 ]— De Stand. hare verhouding tegenover Rome besprekende, zegt dat in den strijd, die door Rome tegen het radikalisme ondernomen werd, voor de anti-revolutionaire partij drieërlei standpunt denkbaar is: Ze kan òf als bondgenoot van Rome tegen het radikalisme strijden; óf als bondgenoot van het radikalisme tegen Rome partij kiezen; òf eindelijk, elk bondgenootschap afwijzende, ook bij dezen strijd trouw aan haar leus blijven: »In mijn isolement ligt mijn kracht!” Beginnende met den eersten voorslag, wijst de St. er op, hoe mannen als v. Gerlach, in Duitschland, en Guizot, in Frankrijk, e. a. er de aandacht op gevestigd hebben, dat, daar ’t radikalisme zijn aanvallen tegen alle geloof richt en de protestantsche en roomsche kerken dezelfde slagen ontvangen en eenzelfde gevaar loopen, deze de warmste sympathie voor elkaar moeten gevoelen bij de worsteling en zich moeten vereenigen voor de verdediging van een gemeenschappelijk belang. Geen dezer kerken is alleen tegen den strijd bestand. Doch, zegt de St. verder, in het voorgestelde bondgenootschap schuilt een feil: er ontbreekt o. a. weerkeerigheid; »de roomsche kerk verklaart niet, dat ze met terzijzetting van onderling verschil ons steunen wil.” Waar de St. wil, dat protestanten en katholieken elkaar beslist en met geestdrift de hand moesten reiken, om het dierbaar kleinood van het heilbrengend, bovennatuurlijk geloof te redden — daar verbinden de roomsche schrijvers hieraan onmiddellijk de gedachte: »Protestanten, die eenmaal dezen stap doen, keeres van lieverlee tot de roomsche moederkerk terug.” Er wordt met zelfvoldoening op gewezen, dat de verzoening tusschen protestanten en katholieken dit voor de roomsche kerk zoo gunstige resultaat reeds droeg. — Zoo echter, zegt de St., is de voorslag niet door Guizot e. a. begrepen. Hun denkbeeld was: De twee kerken hebben eenmaal haar wederzijdsche grenzen. Dat blijve gelijk het is en als twee zelfstandige machten vereenige men zich. Doch behalve dat weerkeerigheid ontbreekt, ten bewijze waarvan de St. nog tal van voorbeelden aanhaalt, kan ook worden aangetoond, dat de krachten waarover men beiderzijds beschikt niet op voet van gelijkheid staan. — Gesteld dat het radikalisme, de revolutie, uitgeroeid werd, dan bleven de hervormde belijders van den Christus naar de schriften alleen met de ultramontranen. Wat zal dan de positie der eersten zijn? Of hun macht zal die van Rome evenaren, òf Rome geeft allen toeleg op om hen in de moederkerk te doen terugkeeren. Het laatste echter nimmer. Rome geeft dien toeleg nooit prijs. Waarborg voor eigen veiligheid zou dus uitsluitend in kracht tot verweer te zoeken zijn. Op de betrekkelijke macht der eventueele bondgenooten komt het bij elke profetie voor de toekomst aan. En dan acht de St. het buiten kijf, dat Rome verre, zeer verre de machtigste zou zijn. Toch zou de ongelijke verhouding in getalsterkte nog het minste vrees behoeven in te boezemen, bleek het nog maar, dat organisatie tegenover organisatie stond, het protestantisme als één korps tegenover het ééne Rome. Dit echter is er verre van af, noch in Duitschland, noch in Frankrijk, noch in ons land. De ultramontanen beschikken in de Kamer over 16 leden, en op hoeveel kunnen wij rekenen? vraagt het anti-revol. orgaan. Op vier, hoogstens zes leden. Konservatieven en liberalen zullen wel roomschen kiezen, maar een anti-revolutionair te benoemen komt hen niet in den zin. Alleen herziening van art. 194 zou daarin verandering brengen, maar dat wil Rome natuurlijk niet.