Naar inhoud springen

Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad/Jaargang 122/Nummer 86/Avond-uitgave/Vergadering van den Gemeenteraad

Uit Wikisource
‘Vergadering van den Gemeenteraad’ door een anonieme schrijver
Afkomstig uit het Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad, donderdag 28 maart 1918, avond-uitgave, tweede blad, [p. 1]. Publiek domein.
[ tweede blad, 1 ]

Vergadering van den Gemeenteraad

Vergadering van den Gemeenteraad op heden — Donderdag — 28 Maart 1918.
Aanvang te half 2.
Voorzitter mr. J. P. Fockema Andraeae, burgemeester.
Afwezig bij den aanvang der zitting de leden.: Ritmeester, Brouwer Nijhoff, v. d. Hegge Zijnen, Bieleman en Kettlitz.
Mededeeling wordt gedaan van de navolgende

Bij den Raad Ingekomen stukken.

Ten kantore van den gemeente-ontvanger is gestort een bedrag van ƒ 2401.85 wegens te weinig betaalde inkomstenbelasting.
Voor kennisgeving aangenomen.
Verzoek van dhr. Professor dr. P. H. Damsté, hoogleeraar, om eervol ontslag als curator van het Sted. Gymnasium.
Het ontslag wordt eervol verleend.
Adres van het bestuur der Utrechtsche Vereeniging tegen dwang inzake Winkelsluiting” met het verzoek eene beslissing te nemen op het, door dat bestuur d.d. 31 Aug. ’l7 bij den Raad ingediende verzoek, temeer nu is aangenomen een wetsontwerp tot invoering van den wettelijken zomertijd.
Naar de Rechtskundige Commissie voor bericht en raad.
Een adres van bewoners aan den Jutfaschen weg, waarin er op wordt gewezen dat de bewoners van de perceelen 29—75 zonder verlichting zitten, waardoor vooral de neringdoenden gedupeerd worden. Adressanten vragen electriciteit of gas als verlichtingsmiddelen, opdat zij niet langer des avonds in het duister zitten moeten.
Naar B. en W. voor bericht en raad.
De heer Van Lankeren dringt op zeer groote haast aan. Deze heele kwestie stuit af op ’n enkel woord in de verordening. De eigenaar van de voorliggende huizen moet toestemming geven voor de leiding door zijn grond. Kan dit bezwaar niet door een draad overspannen worden?
De Voorzitter zegt spoed toe.
Een adres van hoofden en onderwijzend personeel aan de Protest. fröbelscholen alhier, verzoekende nu eindelijk eens te willen beslissen omtrent de subsidie-quaestie der bijzondere fröbelscholen. De wijze waarop deze zaak tot dusver is behandeld geeft adressanten aanleiding te zeggen dat zij zich gekrenkt gevoelen. In een breed gemotiveerd adres vragen adressanten thans een datum te willen bepalen, waarbinnen nieuwe voorstellen in deze zullen worden aanhangig gemaakt.
Naar B. en W. voor bericht en raad.
De heer Van Lankeren vraagt wanneer de verordening te wachten is, zoodat de menschen krijgen, wat hun toekomt.
Wethouder De Wilde deelt mede, dat er met spoed aan gewerkt wordt. De adviezen zijn in ons bezit. Na 14 dagen of een maand zal het stuk bij den Raad kunnen inkomen.
Een adres van personeel aan Roomsche scholen, zich beroepende op art. 192 der grondwet, verzoekende aan hoofden en onderwijzers, verbonden aan door het Rijk gesubsidieerde bijzondere scholen, een gratificatie te willen verleenen tot een bedrag, als hun jaarwedden lager zijn dan die der openbare onderwijzers in deze gemeente.
Naar B. en W. voor prae-advies.
Een adres van den commissaris van politie de heer P. J. Dammers, verzoekende de wedde van een commissaris te willen bepalen op ƒ 3400—ƒ 4200 met twee jaarlijksche verhoogingen van ƒ 200 en de wedde van adressant te willen vaststellen op ƒ 4200.
Naar B. en W. voor prae-advies.
De heer d’Aulnis vraagt of de jaarwedde van adressant reeds door de regeering is verhoogd met ingang van 1 Januari?
De Voorzitter antwoordt, dat dit inderdaad zoo is. Het salaris van adressant is gebracht op ƒ 3800.
Een schrijven van het bestuur der afd. Utrecht van den Ned. Barbier- en Kappersbond, ten geleide van het verslag over den staat van werkzaamheden van den gehouden cursus in het heerenkappen over 1917.
Voor kennisgeving aangenomen.
Overgegaan wordt tot behandeling van

De Agenda.

Belastingen.

1. Voordracht tot het verleenen van afschrijving van gemeentelijke inkomstenbelasting, dienst 1917/18, wegens vertrek en overlijden.
Het betreft 8 personen met een totaal bedrag van ƒ 242,13; 47 met ƒ 1248,76; 39 met ƒ 985,37 en 46 met ƒ 1387,43.
Goedgekeurd.

Centraal Genootschap voor kinderherstellings- en vacantiekolonies

2. Voordracht om de gemeente te doen toetrden als lid van het Centraal Genootschap voor Kinderherstellings- en Vacantiekolonies.
De gemeente Utrecht wordt lid van het Genootschap tegen een jaarlijksche bijdrage van ƒ 1100. Zij verkrijgt, behalve het lidmaatschap, daardoor het voorbespreekrecht op 10 bedden in de gezamentlijke koloniehuizen ter keuze van de Gemeente, evenwel voor elk huis afzonderlijk 10 pct. van het aantal bedden. De gemeente Utrecht zal uit den aard der zaak door haar lidmaatschap bij eventueele aanvragen om plaatsing hetzelfde recht hebben als elk ander lid, doch bovendien zullen, ten gevolge van de overeenkomst met het genootschap, haar nog de 10 bedoelde plaatsen extra gewaarborgd blijven.
De heer Everwijn merkt op, dat als het subsidie te gering is, dit kan worden verhoogd. B. en W. stellen hier echter een heele andere wijze van doen voor. Spr. is het daarmee niet eens.
De heer Vermooten vraagt of ook andere gemeenten het voorbespreekrecht hebben over bedden. Dan blijven er langzamerhand geen bedden over.
Wethouder van Leeuwen zet breedvoerig uiteen, waarom deze voordracht is ingediend en waarom B. en W. deze wijze van doen hebben gevolgd. Wij behoeven ons niet ongerust te maken over de 10 bedden. Het Centraal Genootschap vindt deze regeling goed.
Den heer Everwijn is het niet met de opvatting van den Wethouder eens. Als ’t noodig is, wil spreker het subsidie aan het Genootschap verhoogd zien.
De Wethouder Van Leeuwen betoogt dat de waarschijnlijkheid bestaat, dat het subsidie hooger zal worden voorgesteld, alnaar deze voordracht dient om een betere behandeling te waarborgen van de zieke kinderen die tot nog toe in ziekenhuizen moesten worden opgenomen. De controle van den raad blijft dezelfde.
De voordracht wordt z. h. sr. goedgekeurd
De heer Everwijn verzoekt aanteekening in de notulen, tegen deze voordracht te zijn geweest.

Benoeming commissie schoolverzuim

3. Benoeming, wegens periodieke aftreding, van een lid van de Commissie tot wering van schoolverzuim D.
Door periodieke aftreding zal eene vacature ontstaan; ter voorziening daarin bevelen B. en W. het volgende dubbeltal aan: 1. K. A. Lancée (aftr.); 2. W. Hallebeek, onderwijzer bij het O. L. onderwijs.
Benoemd wordt de heer K. A. Lancée.

Woningbouw.

4. Nadere voordracht betreffende het verleenen van voorschotten en bijdragen aan de „Utrechtsche Woningstichting”, 'ten behoeve van haren woningbouw.
B. en W. stellen voor:
A. aan te vragen en te aanvaarden uit ’s Rijks kas: tegen eene rente van 4¼ pct., een tweetal voorschotten, t.w.:
a. een voorschot, groot 98 pct. van ƒ 123.500 of zooveer minder als in verband met de kosten der uit te voeren werken zal noodig blijken, af te lossen in 75 gelijke annuïteiten, ten behoeve van de verstrekking van een evengroot voorschot aan de „Utr. Woningstichting” voor den aankoop van grond en de bekostiging van den aanleg van wegen;
b. een voorschot, groot 98 pct. van ƒ 860,000 of zooveel minder als in verband met de kosten der uit te voeren bouwplannen zal noodig blijken, af te lossen in 60 gelijke annuïteiten, ten behoeve van de verstrekking van een evengroot voorschot aan de onder a genoemde stichting voor den bouw van 156 woningen en 6 winkelhuizen op den daarbedoelden grond;
B. na ontvangst uit ’s Rijks kas van de onder A, a en b vermelde voorschotten deze te verstrekken aan bovengenoemde stichting, o. m. onder de volgende voorwaarden: a. de voorschotten worden verstrekt tegen dezelfde rente en aflossing als de gemeente aan het Rijk moet betalen;
b. het voorschot, groot ten hoogste 98 pct. van ƒ 123.500, moet worden aangewend voor den verkoop en aanleg als zoodanig van bouwterrein; het voorschot, groot ten hoogste 98 pct. van ƒ 850.000, voor den bouw van woningen; de plannen en bestekken der gebouwen ook die voor eventueele latere verbouwing, alsmede de uitgewerkte begrooting van kosten zijn aan de goedkeuring van B. en W. onderworpen. De aanbesteding voor den bouw van de woningen moet geschieden bij openbare inschrijving.
De heer Van Lankeren wijst op de in 1913 te Scheveningen en onlangs te Amsterdam gehouden woningcongressen. Wie daar sprak van particulier initiatief, werd uitgejouwd. Ofschoon min. Treub bij de opening toch het particulier initiatief had verdedigd. Hier in Utrecht is ook nog steeds een dreinen tegen het particulier initiatief blijkens de verzwaringen van de bouwverordening, tot het particulier initiatief niet meer kon. Spreker noemt dat dreinen. Het komt steeds uit, alsof een particulier bouwer hier een gunst komt vragen. De gemeenteraad heeft zèlf de bouwerij stilgezet. Als die meening doorgedrongen is bij den Raad en bij zijn Voorzitter, dan zal de tijd aangebroken zijn, dat de particuliere bouwerij weer kan aanvangen. Tot 1913 toe is er nooit woningnood geweest. In 1907 is door het schaarsch worden van het geld het bedrijf gaan slapen. Alleen door geld en zéér veel geld te geven, zullen woningen gebouwd kunnen worden, dat blijkt ook alweer uit de voordracht van hedenmiddag. Als men werkelijk het woningvraagstuk wil oplossen, vraag dan even hulp en raad aan de goede bouwers in de stad, dan heeft men binnen ’n maand de oplossing.
De heer De Weerd: Waarom geven ze die adviezen niet?
De heer Van Lankeren: Vraag dat maar aan mijnheer Werker. Spreker vraagt in verband met deze voordracht enkele inlichtingen nopens tee financiën. Voorts verzoekt spreker inzage van de exploitatie-rekeningen van de woningbouwvereenigingen.
De heer Van Lier vraagt hoe ’t gaan zal met de bijdragen in de huren. Het is indertijd anders bedoeld, dan het nu in de practijk wordt toegepast. We geven nu bijslag omdat de huurders niet genoeg verdienen. Dat is dus een kwestie van loon. Men moet in dat verband rekening houden met het oploopen van de loonen. Anders geven we een bijdrage aan de werkgevers, die niet zorgen voor voldoende loonen. Als de loonen voldoende zijn opgeloopen, dat de menschen de huur wèl kunnen betalen, moeten wij met onze toeslagen op de huur ophouden. Krijgen we niet evenals van de Statsspoor bijdragen van de andere werkgevers, wier arbeiders hier komen te wonen. Is het voorts wel juist het architectenloon te berekenen als hier het geval is? Het is met de helft opgevoerd, alleen omdat de steenen, enz. zooveel in prijs gestegen zijn. Het geldt hier het in massa bouwen van eenzelfde soort woningen, dus tot op zekere hoogte chatlonewerk. De verhooging van het architectenloon van ƒ 10,000 tot ƒ 15,000 acht spreker niet gemotiveerd.
De heer Moltmaker brengt B. en W. een woord van dank voor hun pogingen om toch nog zoo spoedig mogelijk, ondanks de vele bezwaren die zich opdeden, met deze voordracht te komen. Spreker meent, dat de heer Van Lankeren hier niet eene rede had moeten houden, zooals hij gedaan heeft. Hij had beter gedaan aandacht te schenken aan wat van het woningcongres tot ons gekomen is, namelijk dat er een ontzettende woningnood heerscht, waarvan de arbeiders in hoofdzaak de dupe zijn.
De heer Van Lankeren: Smoesjes.
De heer Moltmaker: De huisbazen komen altijd met zulke groote woorden. Beter is het eens daden te toonen. Spreker wijst er de heer Van Lier op, dat de architecten allang aan dit werk bezig zijn geweest, terwijl het volkomen riskant was of het zou worden uitgevoerd. Aanvankelijk is spreker ook Van het groote bedrag geschrokken, maar bij nader inzien vindt hij het toch in ’t geheel niet te hoog voor de geleverde prestaties. Spreker verdedigt wijders de bijdrage der Staatsspoor, die daarvoor een woord van ank heeft verdiend.
De heer De Weerd heelt in de rede des heeren Van Lier een vrij-liberale klank gehoord van vreemd gehalte. De heer Van Lier zegt o. m. verhoog de loonen, maar dit raadslid zegt niet hoe wij tot die verhooging moeten komen. Spreker zet uiteen hoe in den geheelen arbeidersstand een achteruitgang is te constateeren en geheel verkeerd is het, de bijslag op de huren te doen ophouden als de loonen omhoog worden gebracht. Want loonsverhooging beteekent hier inhalen van achterstand, beteekent niet: belangrijke loonsstijging. De nood eischt thans den bouw van nieuwe woningen; de overheid heeft hier haar socialen plicht te vervullen. En niet moet worden ingegaan op de uitnodiging des heeren Van Lier, daar is het nu niet het oogenblik voor.
De heer Hoitsema had gehoopt ook van den heer De Weerd te vernemen dat een bijslag op de huur moet worden beschouwd als een abnormale toestand. Het geven van dien toeslag is toch inderdaad iets abnormaals. Dat de heer Ven Lier op dat abnormale de aandacht vestigde, was toe te juichen en verdiend niet de bestrijding die de heer De Weerd daarop gaf.
De heer Van Hassel wijst op de herhaaldelijke opslagen van de huur door de eigenaren, als de huurders een kamer van een nieuw behang voorzagen, uit zucht om netjes te wonen. Dan zijn in menig geval de eigenaren gekomen met de boodschap : „O, als dat er af kan, dan kan ik wel een kwartje opslaan.” Vele arbeiders wonen te duur in verhouding tot het door hen genoten loon; dat is geen verschijnsel van den laatsten tijd, maar dat dateert al sinds jaren. Men verwoont te veel, omdat men hoogere eischen aan het leven stelt. Men vergeet hier al te zeer, dat deze voordracht geboren werd in den nood der omstandigheden; die voordracht behoort zonder amendementen te worden aangenomen. Wat de salarissen der architecten aangaat, ziet men niet over het hoofd, dat de architect daarvan óók het toezicht-houdend personeel moet betalen?
De heer Swene informeert, voor hoe lang Staatsspoor haar bijdrage zal in stand houden. Daaromtrent moet men zekerheid hebben, in verband met de vraag, of de arbeiders te eeniger tijd wel de huren dezer woningen zullen kunnen betalen. Spreker ondersteunt het denkbeeld-Van Lier, doch in eenigszins anderen vorm en wil bepaald zien, dat de gemeente haar bijdrage zal herzien op hetzelfde tijdstip als waaraan de Minister van Binnenl. Zaken de rijksbijdrage heeft verbonden.

Vervolg in het Eerste Blad.