Naar inhoud springen

Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad/Jaargang 124/Nummer 203/Letterkundige Kroniek

Uit Wikisource
‘Letterkundige Kroniek. Frans Mijnssens Ida Wahl. (van Dishoeck - Bussum)’ door een anonieme schrijver
Afkomstig uit het Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad, zondag 25 juli 1920, tweede blad, [p. 1]. Publiek domein.
[ 1 ]

Letterkundige Kroniek.

Frans Mijnssens Ida Wahl.

(van Dishoeck — Bussum).


Aan het einde van elke goede literatuur komt in den aandachtigen lezer een besef van des levens tragische noodlottigheid. Het verschil tusschen verschillende soorten van boeken, verhalen en verzen is minder gelegen in het verwekte levensgevoel dan in de methode waarmee dat levensgevoel is uitgelokt. En dan is er dit groote onderscheid tusschen proza en poëzie, dat de poëzie de onmiddellijke rhythmische formuleering geeft van in het innerlijk van den dichter reeds volkomen geworden gedachte en ervaringsleven, terwijl het proza en speciaal de psychologische roman of schets den lezer door karakter-teekening en ontleding tot die volkomen levenswijsheid voorbereidt. Karakter-teekening en ontleding kunnen dus in de literatuur nooit doel zijn, maar alleen middel om te komen tot een besef van het tragische.
Maar naast karakter-teekening en ontleding zijn er andere middelen. Het tragische kan voor zijn eigenlijke onthulling worden voorbereid en aangeduid door stemmingen of door symboliek, de schrijver kan voorgevoelens opwekken, kan iets van het tragische te raden geven door een gebeurtenis die schijnbaar met zijn eigenlijk verhaal-schema het verband mist. Ook dit zijn middelen, geen essentieele bedoelingen.
Men moet zich even rekenschap geven van deze algemeene waarheden, om de bizondere geaardheid te vatten van Mijnssens Ida Wahl. Want in Ida Wahl is ons gegeven een literatuur-uiting, welke op een bizondere, tot dusver weinig gekende wijze geestelijk is geconstrueerd. En die constructie betreft de hoofdzaken, de essentieele bestanddeelen der literatuur.
Ge zult U een jonge vrouw denken, het kind van een dartelen, onstuimigen Vader, die zijn veelvoudig liefdesleven voortzet tot ver in zijn huwelijk, en van eene moeder met een strakke, onverzettelijke natuur. Deze jonge vrouw is gepraedisponeerd, zij wil uitleving van haar onstuimigen liefdesdrang, zij wekt voortdurend verlangen in telkens nieuw verschijnende minnaars, en heeft, aan den anderen kant, te kampen met conventioneele instincten, waaraan ze zich niet geheel ontworstelen kan.
Haar huwelijken zijn bij voorbaat tot mislukking gedoemd, zij worstelt zich los, maar zoekt toch telkens de veilig schijnende spheer van het huwelijk terug, totdat „de dagen korten” en zij ondergaat in weemoed om een geluk dat zij krachtend haar natuur nimmer bereiken kon. Dit tragisch motief wordt door Frans Mijnssen in vier op zich zelf staande, maar toch onderlinge innig verband houdende schetsen ontwikkeld, maar zóó, dat de lezer die dit boek sluit, niet meer het begrip heeft van de ontwikkeling maar alleen het begrip der tragiek. De oude professor die haar terugneemt naar de eetkamer, na de laatste poging van haar onrustige natuur, ook haar huwelijksverhouding met hem te doen vertroebelen, is de duldzame, de lijdzame, die haar verwint omdat hij haar verdraagt, hij is het Leven, het zacht-onweerstaanbare Leven zelf, dat meer dan alle romantische gebeurtenissen romantische naturen tot eindelijke stilte brengt. Dit is dus het merkwaardige in Mijnssens werk: dat het prozaïstisch, wat zeggen wil, zich ontwikkelend is gebouwd, en toch in onze herinnering dichterlijk, wat zeggen wil als onmiddelijk besef van het tragische (zonder de ontwikkeling daarheen) verschijnt.
Dit karakter van uiting te zijn van algemeen levensbesef, van levensbereikenis en niet van een pogen tot die bereikenis te naderen, blijkt op bizondere wijze in de inrichting der scènerieën en het karakter der neven-motieven. Het tragisch-onrustige leven van Ida Wahl is omgeven door zon- en zee- en blauwheid van Hollandsch badplaatsleven in de eerste, door de geurende dennenspheer der bergen in de voorlaatste, door den vollen warmen zomer achter de lange vensters van een statig huis in de laatste schets. Het besef van Ida’s tragiek komt in den lezer niet alleen door de zielkundige bëarbeidig der gespreks-nuances, maar ook onmidellijk door het beeld. Ida wordt niet, maar is tragisch door de lichtheden, waarmee haar versomberde wezen wordt omspiegeld. Het beeld van Ida en de Canter aan het slot van de eerste schets, wanneer zij juist tot de verloving hebben besloten die in de scheiding van hun huwelijk zal eindigen, geeft ons een navrant moment, dat later, bij het hooren van den naam Ida Wahl onmiddellijk en onontwijkbaar onze herinnering zal bezoeken. De schrijver plaatst de geconfisceerde gelieven tegen den blauwen achtergrond van lucht en zee. Zij heeft hem niet gekust, maar haar hoofd tegen hem aan verborgen. Dit is geen symboliek, de schrijver heeft niet gezegd: Zie ik wil hier nu de ongelukkig-bestemde liefde mee verbeelden. Neen, het tragisch wezen der vertelling spreekt zich onwillekeurig uit in dit gebaar. In de schets die in de bergen speelt, vertoont de schrijver ons even, een ondeelbaar moment, een andere liefdes-tragedie, de Duitsche kellnerin, die het leed der liefde heeft gekend, en in den stillen avond toch weer opnieuw de verleiding ontmoet. Is dit een voorbereiding voor wat ons daarna over Ida’s verder liefdeleven zal worden verhaald? Neen: eigenlijk heeft de schrijver willen zeggen: Zie, zoo is nu het leven en de liefde, zoo dolen de schoone en hunkerende menschenkinderen nu rond en laten zich blindelings grijpen door bitterzoet verlangen.

Waarom is dit alles nu van belang? Om dat Mijnssen meer wil dan literatuur, hij wil tooneel. En het komt ons voor, dat dèze schetsen bij uitstek het tooneel aan zijn juiste en lang vergeten roeping herinneren. Nietwaar, het tooneel wil ons geven het beeld. Maar dat is meestal zóó opgevat, dat men zoogezegd „voor het tooneel geschikte” werken gaf, om den acteur aanleiding te geven tot plastiek. Het „pakken” van een tooneelwerk was dikwijls pure oratorie in dienst van een gechargeerde werkelijkheid. Maar ’t goede tooneelstuk geeft de aanduiding, die den acteur in staat stelt door z’n plastische verbeelding een innerlijke levenswaarde te doen begrijpen, welke men ánders aanduidt in literatuur die niet bestemd is om nader plastisch te worden vertolkt. Bij Mijnssen spreekt immer het verzwegene. Mijnssen is — hoe paradoxaal het klinke voor de vaardige kenners van zijn werk — niet analyseerend, maar hij wekt door de groepeering zijner aanduidingen ons denken over het gestelde probleem op, zijn personen krijgen een zelfstandig leven, zijn spheer een zelfstandige kleur binnen ons nadenken. Omdat het werk van Mijnssen geen vrucht is van geestesspel, maar van levensbezinning.
Wij geven U voor dit kleine werk, waarin de worsteling van een rijk menschengemoed en een ongemeen kunstenaarstalent tot bereikenis komt, de verzamelde meesterwerken van gevierde tooneelschrijvers die de zalen tot lachen en weenen krijgen in duizend opvoeringen, ten geschenke. De algemeene erkenning van het bizonder karakter dezer tooneelspelen wacht slechts op den tooneelkunstenaar, die mèt Mijnssens werk, de ware roeping van het tooneel beseft.