Naar inhoud springen

Verdrag van Parijs/Titel II

Uit Wikisource

[ 19 ]

TWEEDE TITEL



Van de Instellingen van de Gemeenschap

[ 21 ]

Artikel 7

De Instellingen van de Gemeenschap zijn:
— een Hoge Autoriteit, bijstaan door een Raadgevend Comité;
— een Gemeenschappelijke Vergadering, hierna genoemd de «Vergadering»;
— een Bijzondere Raad van Ministers, hierna genoemd de «Raad»;
— een Hof van Justitie, hierna genoemd het «Hof».

HOOFDSTUK I
VAN DE HOGE AUTORITEIT



Artikel 8

De Hoge Autoriteit is ermede belast de in dit Verdrag vervatte doelstellingen, overeenkomstig de bepalingen daarvan te verwezenlijken.

Artikel 9

De Hoge Autoriteit bestaat uit negen leden, benoemd voor zes jaren en gekozen op grond van hun algemene bekwaamheid. [ 22 ] De aftredende leden kunnen worden herbenoemd. Het aantal leden van de Hoge Autoriteit kan door een besluit van de Raad, bij eenstemmigheid genomen, worden verminderd.

Alleen zij die het staatsburgerschap van een van de deelnemende Staten bezitten kunnen lid van de Hoge Autoriteit zijn.

In de Hoge Autoriteit kunnen niet meer dan twee leden van dezelfde nationaliteit zitting hebben.

De leden van de Hoge Autoriteit oefenen hun ambt volkomen onafhankelijk uit, in het algemeen belang van de Gemeenschap. Bij de vervulling van hun plicht vragen noch aanvaarden zij instructies van een Regering of enig lichaam.

Zij onthouden zich van iedere handeling welke onverenigbaar is met het boven-nationalc karakter van hun ambt.

Iedere deelnemende Staat verbindt zich dit boven-nationale karakter te eerbiedigen en niet te trachten de leden van de Hoge Autoriteit te beïnvloeden bij de uitvoering van hun taak.

De leden van de Hoge Autoriteit kunnen geen enkele beroepswerkzaamheid al of niet tegen vergoeding verrichten, noch direct of indirect enig belang verwerven of behouden in bedrijven of ondernemingen kolen en staal betreffende, tijdens de uitoefening van hun ambt en gedurende drie jaren na het einde daarvan.

Artikel 10

De Regeringen van de deelnemende Staten benoemen in onderlinge overeenstemming acht leden. Dezen gaan over tot de benoeming van het negende lid, dat gekozen is wanneer het ten minste vijf stemmen verkrijgt. [ 23 ] De aldus benoemde leden blijven in functie gedurende een tijdvak van zes jaren, te rekenen van het tijdstip van instelling van de gemeenschappelijke markt.

In het geval dat zich gedurende dit eerste tijdvak een vacature voordoet ingevolge één van de oorzaken bedoeld in artikel 12, wordt daarin voorzien volgens de bepalingen van de derde alinea van dat artikel, in onderlinge overeenstemming tussen de Regeringen van de deelnemende Staten.

In geval van toepassing van de derde alinea van artikel 24 in de loop van ditzelfde tijdvak, wordt in de vervanging van de leden van de Hoge Autoriteit voorzien overeenkomstig de bepalingen van de eerste alinea van dit artikel.

Na afloop van dit tijdvak vindt een algemene vernieuwing plaats; de aanwijzing van de negen leden geschiedt dan als volgt: de Regeringen van de deelnemende Staten gaan over tot de benoeming van acht leden met een meerderheid van 5/6 indien geen eenstemmigheid wordt bereikt, terwijl het negende lid aangewezen wordt door coöptatie volgens het bepaalde in de eerste alinea van dit artikel.

Dezelfde procedure wordt gevolgd bij de algemene vernieuwing welke nodig is in geval van toepassing van artikel 24.

Om de twee jaren wordt een derde van de leden van de Hoge Autoriteit vervangen. Telkenmale wanneer een algemene vernieuwing heeft plaatsgevonden, wordt de volgorde van aftreden onmiddellijk door het lot bepaald door de bemoeiingen van de voorzitter van de Raad.

De periodieke vernieuwingen na afloop van iedere tweejarige periode vinden afwisselend plaats, in de volgende volgorde:

benoeming door de Regeringen van de deelnemende Staten volgens het bepaalde in de vijfde alinea van dit [ 24 ]artikel, en coöptatie overeenkomstig het bepaalde in de eerste alinea. In het geval dat vacatures optreden door een der oorzaken bedoeld in artikel 12, wordt daarin voorzien volgens de bepalingen vanartikel, en coöptatie overeenkomstig het bepaalde in de eerste alinea.

In het geval dat vacatures optreden door een der oorzaken bedoeld in artikel 12, wordt daarin voorzien volgens de bepalingen van de derde alinea van bedoeld artikel, afwisselend in de volgende volgorde:

benoeming door de Regeringen van de deelnemende Staten volgens het bepaalde in de vijfde alinea van dit artikel, en coöptatie overeenkomstig het bepaalde in de eerste alinea.

In alle gevallen voorzien in dit artikel waarbij een benoeming gedaan wordt door middel van een besluit van de Regeringen bij oen meerderheid van 5/6 of door middel van coöptatie, beschikt iedere Regering over een veto-recht overeenkomstig de volgende bepalingen:

Wanneer een Regering gebruik gemaakt heeft van haar veto-recht ten aanzien van twee personen indien het een individuele vernieuwing betreft en ten aanzien van vier personen, wanneer het een algemene of een twee-jaarlijkse vernieuwing betreft, kan iedere verdere uitoefening van genoemd recht ter gelegenheid van dezelfde vernieuwing door een andere Regering aan het Hof worden voorgelegd; het Hof kan het veto van nul en gener waarde verklaren indien zij misbruik aanwezig acht.

Behalve in het geval van ontheffing als bedoeld in de tweede alinea van artikel 12 blijven de leden van de Hoge Autoriteit hun ambt vervullen totdat in hun vervanging is voorzien.

Artikel 11

De voorzitter en de vice-voorzitter van de Hoge Autoriteit worden benoemd uit de leden van dit lichaam voor [ 25 ]twee jaren en op dezelfde wijze als voorzien voor de benoeming van de leden van de Hoge Autoriteit door de Regeringen van de deelnemende Staten. Hun mandaat kan worden vernieuwd.

Behalve in het geval van algemene vernieuwing, geschiedt de benoeming na raadpleging van de Hoge Autoriteit.

Artikel 12

Behalve door periodieke vervanging eindigt de ambtsvervulling van een lid van de Hoge Autoriteit door overlijden of ontslag.

Op verzoek van de Hoge Autoriteit of van de Raad kunnen de loden van de Hoge Autoriteit, die niet meer voldoen aan de voor de uitoefening van hun ambt noodzakelijke vereisten of die op ernstige wijze zijn tekort geschoten, door het Hof van hun ambt ontheven worden verklaard.

In de gevallen bij dit artikel voorzien, wordt het desbetreffende lid voor de verdere duur van zijn amtsperiode vervangen overeenkomstig de bepalingen van artikel 10.

Er zal niet tot vervanging worden overgegaan, indien de duur van de nog overblijvende amtsperiode korter dan drie maanden is.

Artikel 13

De besluiten van de Hoge Autoriteit worden genomen door de meerderheid van haar leden.

Het reglement van orde bepaalt het quorum. Dit quorum moet echter groter zijn dan de helft van het aantal leden, waaruit de Hoge Autoriteit bestaat. [ 26 ]

Artikel 14

Ter uitvoering van de haar opgedragen taken en overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag geeft de Hoge Autoriteit beschikkingen, doet zij aanbevelingen en geeft zij adviezen.

De beschikkingen zijn verbindend in al hun onderdelen.

De aanbevelingen zijn verbindend ten aanzien van de daarin gestelde doeleinden, doch laten degenen, tot wie zij zijn gericht, de keuze van de middelen ter bereiking daarvan.

De adviezen zijn niet verbindend.

Wanneer de Hoge Autoriteit bevoegd is een beschikking te geven, kan zij zich bopalen tot het doen van een aanbeveling.

Artikel 15

De beschikkingen, aanbevelingen en adviezen van de Hoge Autoriteit worden met redenen omkleed on vermelden de adviezen, welke zij verplicht heeft ingewonnen.

Wanneer de beschikkingen en aanbevelingen van individuele aard zijn, binden zij de belanghebbende uit krachte van hem daarvan gedane kennisgeving.

In alle andere gevallen worden zij van kracht door het enkele feit van hun openbaarmaking.

De wijze van uitvoering van dit artikel wordt door de Hoge Autoriteit vastgesteld. [ 27 ]

Artikel 16

De Hoge Autoriteit neemt alle interne maatregelen ter verzekering van het goed functionneren van haar diensten.
Zij kan studiecommissies instellen, met name een economische studiecommissie.

In het kader van een door de Hoge Autoriteit vastgesteld algemeen huishoudelijk reglement is de voorzitter van de Hoge Autoriteit belast met het beheer der diensten en met de zorg voor het ten uitvoer leggen van de besluiten van de Hoge Autoriteit.

Artikel 17

Jaarlijks, tenminste één maand voor de opening van de zitting van de Vergadering, publiceert de Hoge Autoriteit een algemeen verslag van de werkzaamheden van de Gemeenschap en van haar administratieve uitgaven.

Artikel 18

Een Raadgevend Comité wordt ingesteld om de Hoge Autoriteit bij te staan. Het bestaat uit tenminste 30 en ten hoogste 51 leden en is samengesteld uit gelijke aantallen producenten, werknemers en verbruikers en handelaren.

De leden van het Raadgevend Comité worden door de Raad benoemd.

Wat de producenten en werknemers betreft wijst de Raad de representatieve organisaties aan, waartussen hij de beschikbare zetels verdeelt. Iedere organisatie wordt uitgenodigd een lijst samen te stellen bevattende tweemaal [ 28 ]zoveel namen als het aantal zetels, dat haar is toegewezen.

De benoeming geschiedt uit deze lijst.

De leden van het Raadgevend Comité worden in hun persoonlijke hoedanigheid en voor twee jaren benoemd. Zij zijn niet gebonden door enigerlei last of instructie van de organisaties, die hen hebben aangewezen.

Het Raadgevend Comité wijst uit zijn midden de voorzitter en het bureau aan voor de duur van één jaar. Het Comité stelt zijn reglement van orde vast.

De vergoedingen voor de leden van het Raadgevend Comité worden door de Raad, op voorstel van de Hoge Autoriteit, vastgesteld.

Artikel 19

De Hoge Autoriteit kan het Raadgevend Comité raadplegen in alle gevallen, waarin zij zulks nuttig oordeelt. Zij is gehouden dit te doen in die gevallen, waarin deze raadpleging door dit Verdrag is voorgeschreven.

De Hoge Autoriteit legt aan het Raadgevend Comité de op grond van artikel 46 opgestelde algemene doelstellingen en programma's voor en houdt dit Comité op de hoogte van de richtlijnen voor haar optreden op grond van de artikelen 54, 65 en 66.

Indien de Hoge Autoriteit zulks nodig acht, stelt zij het Raadgevend Comité een termijn voor het uitbrengen van zijn advies. Deze termijn zal tenminste 10 dagen bedragen, te rekenen van de datum van de mededeling, welke te dien einde aan de voorzitter wordt gedaan. [ 29 ]

Het Raadgevend Comité wordt door zijn voorzitter bijeengeroepen, hetzij op verzoek van de Hoge Autoriteit, hetzij op verzoek van de meerderheid van zijn leden om te beraadslagen over een bepaald omschreven vraag.

Het proces-verbaal van de beraadslagingen wordt tegelijkertijd met het advies van het Comité aan de Hoge Autoriteit en aan de Raad toegezonden. [ 30 ]

HOOFDSTUK II
VAN DE VERGADERING



Artikel 20

De Vergadering, samengesteld uit vertegenwoordigers van de volkeren van de Staten die in de Gemeenschap zijn verenigd, oefent het toezicht uit, waartoe haar de bevoegdheid bij dit Verdrag is verleend.

Artikel 21

De Vergadering is samengesteld uit afgevaardigden, die de Parlementen uit hun midden één keer per jaar aanwijzen of die door rechtstreekse algemene verkiezingen worden aangewezen, overeenkomstig de door iedere Hoge Verdragsluitende Partij vastgestelde procedure.

Het aantal van deze afgevaardigden is als volgt vastgesteld:

Duitsland 18
België 10
Frankrijk 18
Italië 18
Luxemburg 4
Nederland 10

De vertegenwoordigers van de bevolking van het Saargebied zijn begrepen in het aantal aan Frankrijk toegewezen afgevaardigden. [ 31 ]

Artikel 22

De Vergadering houdt jaarlijks een zitting. Zij komt van rechtswege de tweede Dinsdag in Mei bijeen. De zitting kan niet langer duren dan tot het einde van het lopende boekjaar.

De Vergadering kan op verzoek van de Raad in buitengewone zitting worden bijeengeroepen voor het geven van een advies over vraagstukken, die haar door de Raad zijn voorgelegd.

Zij kan eveneens in buitengewone zitting bijeenkomen op verzoek van de meerderheid van haar leden of op verzoek van de Hoge Autoriteit.

Artikel 23

De Vergadering wijst uit haar midden haar voorzitter en haar bureau aan.

De leden van de Hoge Autoriteit zijn bevoegd alle zittingen bij te wonen. De voorzitter of de leden van de Hoge Autoriteit die door haar zijn aangewezen, worden op hun verzoek gehoord.

De Hoge Autoriteit antwoordt mondeling of schriftelijk op de haar door de Vergadering of door de leden daarvan gestelde vragen.

De leden van de Raad zijn bevoegd alle zittingen bij te wonen en worden op hun verzoek gehoord. [ 32 ]

Artikel 24

De Vergadering beraadslaagt in openbare zitting over het algemeen verslag, dat haar door de Hoge Autoriteit wordt voorgelegd.

Indien aan de Vergadering een motie van afkeuring betreffende het verslag wordt voorgelegd, kan zij zich over deze motie niet eerder uitspreken dan tenminste 3 dagen nadat de motie is nedergelegd on door een openbare stemming.

Indien de motie van afkeuring is aangenomen met een meerderheid van 2/3 der uitgebrachte stemmen en tevens met een meerderheid van de leden, die in de Vergadering zitting hebben, moeten de leden van de Hoge Autoriteit gezamenlijk aftreden. Zij blijven de lopende zaken behartigen tot in hun vervanging is voorzien overeenkomstig artikel 10.

Artikel 25

De Vergadering stelt haar reglement van orde vast met een meerderheid van de leden, die in de Vergadering zitting hebben.

De handelingen van de Vergadering worden overeenkomstig de in dit reglement voorziene bepalingen openbaar gemaakt. [ 33 ]

HOOFDSTUK III
VAN DE RAAD



Artikel 26

De Raad oefent zijn bevoegdheden uit in de gevallen en op de wijze, in dit Verdrag voorzien, met name met het doel het beleid van de Hoge Autoriteit en dat van de voor de algemene economische politiek van hun landen verantwoordelijke Regeringen met elkaar te doen harmoniëren.

Te dien einde wisselen de Raad en de Hoge Autoriteit inlichtingen uit en plegen zij wederzijds overleg.

De Raad kan de Hoge Autoriteit verzoeken over te gaan tot het bestuderen van alle voorstellen en maatregelen, die hij nuttig of nodig acht ter bereiking van de gemeenschappelijke doelstellingen.

Artikel 27

De Raad is samengesteld uit vertegenwoordigers van de deelnemende Staten. Iedere Staat vaardigt één lid van zijn Regering af.

Het voorzitterschap wordt door de leden van de Raad bij toerbeurt uitgeoefend in de alfabetische volgorde der deelnemende Staten voor een tijdsduur van drie maanden. [ 34 ]

Artikel 28

De Raad wordt door zijn voorzitter op verzoek van een deelnemende Staat of op verzoek van de Hoge Autoriteit in vergadering bijeengeroepen.

Wanneer de Raad geraadpleegd wordt door de Hoge Autoriteit, beraadslaagt hij zonder noodzakelijkerwijze tot stemming over te gaan. Het proces-verbaal van de beraadslagingen wordt aan de Hoge Autoriteit overgelegd.

In het geval dat dit Verdrag instemming van de Raad eist, wordt deze geacht te zijn verkregen indien het voorstel van de Hoge Autoriteit de goedkeuring verkrijgt:

— van de volstrekte meerderheid van de vertegenwoordigers van de deelnemende Staten, met inbegrip van de stem van de vertegenwoordiger van een Staat die over ten minste 20 % van de totale waarde van de kolen- en staalproductie van de Gemeenschap beschikt;
— of, ingeval van gelijke verdeling van stemmen, en indien de Hoge Autoriteit haar voorstel na een tweede beraadslaging handhaaft, van de vertegenwoordigers van twee deelnemende Staten welke elk over ten minste 20 % van de totale waarde van de kolen- on staalproductie van de Gemeenschap beschikken.

In het geval dat dit Verdrag een besluit met eenstemmigheid of instemming met algemene stemmen eist, is dit besluit genomen of deze instemming verkregen, indien daarop de stemmen van alle leden van de Raad zijn verkregen.

De besluiten van de Raad, andere dan die welke een gequalificeerde meerderheid of eenstemmigheid vereisen, worden genomen door de meerderheid van de leden die in de Raad zitting hebben; deze meerderheid wordt geacht [ 35 ]te zijn verkregen indien zij de volstrekte meederheid van de vertegenwoordigers der deelnemende Staten omvat, met inbegrip van de stem van de vertegenwoordiger van een Staat welke over ten minste 20 % van de totale waarde van de kolen- en staalproductie van de Gemeenschap beschikt.

In geval van stemming kan ieder lid van de Raad door één enkel ander lid gemachtigd worden.

De Raad stelt zich met de deelnemende Staten in verbinding door tussenkomst van zijn voorzitter.

De besluiten van de Raad worden openbaar gemaakt overeenkomstig de bepalingen, welke hij vaststelt.

Artikel 29

De Raad stelt de salarissen, vergoedingen en pensioenen van de voorzitter en de leden van de Hoge Autoriteit en van de voorzitter, de rechters, de advocaten-generaal en de griffier van het Hof vast.

Artikel 30

De Raad stelt zijn reglement van orde vast. [ 36 ]

HOOFDSTUK IV
van het hof

Artikel 31

Het Hof verzekert de eerbiediging van het recht bij de uitleg en toepassing van dit Verdrag en deszelfs uitvoeringsvoorschriften.

Artikel 32

Het Hof is samengesteld uit zeven rechters voor zes jaar door de Regeringen der deelnemende Staten benoemd in onderlinge overeenstemming uit personen, die alle waarborgen voor onafhankelijkheid en bekwaamheid bieden.

Iedere drie jaar vindt een gedeeltelijke vervanging plaats. Deze heeft beurtelings betrekking op drie leden en op vier leden. Aan het einde van de eerste periode van drie jaar worden drie leden, die moeten aftreden, door het lot aangewezen.

De aftredende rechters kunnen opnieuw worden benoemd.

Het aantal rechters kan, op voorstel van het Hof, door de Raad bij eenstemmig besluit worden uitgebreid.

De rechters wijzen uit hun midden de voorzitter van het Hof voor drie jaren aan. [ 37 ]

Artikel 33

Het Hof is bevoegd uitspraak te doen op elk door een deelnemende Staat of de Raad ingesteld beroep tot nietigverklaring van beschikkingen en aanbevelingen van de Hoge Autoriteit op grond van onbevoegdheid, schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van het Verdrag of van enige uitvoeringsregeling daarvan dan wel van misbruik van bevoegdheid. Het onderzoek door het Hof kan echter geen betrekking hebben op een beoordeling van de toestand, die voortvloeit uit economische feiten of omstandigheden, met het oog op welke toestand de beschikkingen zijn gegeven of de aanbevelingen zijn gedaan, tenzij de Hoge Autoriteit het verwijt wordt gemaakt, dat zij haar bevoegdheden heeft misbruikt of de bepalingen van het Verdrag of enige op de uitvoering daarvan betrekking hebbende rechtsregel klaarblijkelijk heeft miskend.

Voor de ondernemingen en verenigingen, bedoeld in artikel 48, staat onder dezelfde voorwaarden beroep open tegen de hen individueel betreffende beschikkingen en aanbevelingen of tegen algemene beschikkingen en aanbevelingen, die volgens hun mening te hunnen opzichte misbruik van bevoegdheid inhouden.

Het beroep, bedoeld in de eerste twee alinea's van dit artikel, moet worden ingesteld binnen een termijn van een maand te rekenen onderscheidenlijk van de dag van kennisgeving of van die van openbaarmaking van de beschikking of de aanbeveling.

Artikel 34

In geval van vernietiging wijst het Hof de zaak terug naar de Hoge Autoriteit. Deze is gehouden de maatregelen te nemen, die de tenuitvoerlegging van de beslissing tot vernietiging met zich medebrengt. Indien een onderneming [ 38 ]of een groep van ondernemingen onmiddellijk en bijzonder nadeel heeft geleden van een beschikking of aanbeveling, waaraan naar het oordeel van het Hof een fout kleeft van zodanige aard dat zij een aansprakelijkheid voor de Gemeenschap medebrengt, is de Hoge Autoriteit gehouden, daarbij gebruik makende van de bevoegdheden welke haar door dit Verdrag zijn toegekend, de maatregelen te nemen, die op een billijke wijze het nadeel herstellen dat het onmiddellijk gevolg is van de vernietigde beschikking of aanbeveling, en zonodig een rechtvaardige schadevergoeding toe te kennen.

Indien de Hoge Autoriteit in gebreke blijft binnen een redelijke termijn de maatregelen te nemen, die de tenuitvoerlegging van een beslissing tot vernietiging mede brengt, staat een beroep tot schadevergoeding op het Hof open.

Artikel 35

Indien de Hoge Autoriteit overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag of van zijn uitvoeringsvoorschriften, gehouden is een beschikking te geven of eon aanbeveling te doen, en zich niet aan deze verplichting houdt, zijn, al naar het geval zich voordoet, de Staten, de Raad of de ondernemingen en verenigingen bevoegd zich terzake tot haar te wenden.

Hetzelfde geldt indien de Hoge Autoriteit, hoewel zij ingevolge een bepaling van dit Verdrag of deszelfs uitvoeringsvoorschriften bevoegd is een beschikking te geven of een aanbeveling te doen, zich hiervan onthoudt en deze onthouding misbruik van bevoegdheid betekent.

Indien na verloop van een termijn van twee maanden de Hoge Autoriteit geen beschikking heeft gegeven of geen aanbeveling heeft gedaan, kan binnen een termijn van een maand bij het Hof in beroep worden gekomen tegen de stilzwijgende weigering, die in dit nalaten is besloten. [ 39 ]

Artikel 36

De Hoge Autoriteit is verplicht de belanghebbenden in staat te stellen opmerkingen te maken vóórdat zij de geldstraffen of dwangsommen oplegt, welke in dit Verdrag zijn voorzien.

Tegen op grond van de bepalingen van dit Verdrag opgelegde geldstraffen en dwangsommen staat in volle omvang beroep open.

De verzoekers kunnen, ter ondersteuning van hun beroep overeenkomstig de bepalingen van de eerste alinea van artikel 33 van dit Verdrag, de onrechtmatigheid van beschikkingen of aanbevelingen, waarvan niet-opvolging hun is ten laste gelegd, aanvoeren.

Artikel 37

Indien een deelnemende Staat van oordeel is, dat in een bepaald geval een handelen of nalaten van de Hoge Autoriteit van dien aard is, dat daaruit fundamentele en duurzame moeilijkheden voor zijn economie ontstaan, kan hij zich tot de Hoge Autoriteit wenden.

Indien daartoe aanleiding bestaat, erkent de Hoge Autoriteit, na raadpleging van de Raad, het bestaan van een dergelijke toestand en geeft zij een beschikking over de maatregelen, welke overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag genomen moeten worden om onder waarborging van de wezenlijke belangen van de Gemeenschap aan deze toestand een einde te maken.

Indien, op grond van de bepalingen van dit artikel, bij het Hof beroep wordt ingesteld tegen deze beschikking of tegen een beschikking welke uitdrukkelijk of stilzwijgend het bestaan van de hierboven bedoelde toestand ontkent, [ 40 ]kan het Hof onderzoeken of het beroep op goede gronden berust.

In geval van vernietiging is de Hoge Autoriteit, binnen het kader van de uitspraak van het Hof, gehouden te beslissen omtrent de maatregelen, welke moeten worden genomen om de in de tweede alinea van dit artikel voorziene doeleinden te bereiken.

Artikel 38

Het Hof kan op verzoek van één der deelnemende Staten of van de Hoge Autoriteit de besluiten van de Vergadering of van de Raad vernietigen.

Het daartoe strekkende verzoek moet worden gedaan binnen een maand na het openbaar maken van het besluit van de Vergadering of van de mededeling van het besluit van de Raad aan de deelnemende Staten of aan de Hoge Autoriteit.

Dit beroep kan alleen worden gegrond op onbevoegdheid of schending van wezenlijke vormvoorschriften.

Artikel 39

Beroep op het Hof heeft geen opschortende werking.

Het Hof kan echter, indien het van oordeel is dat de omstandigheden zulks vereisen, opschorting van de naleving van de aangevochten beschikking of aanbeveling gelasten.

Het kan alle nodige andere voorlopige maatregelen voorschrijven. [ 41 ]

Artikel 40

Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 34, eerste alinea, is het Hof bevoegd op verzoek van de benadeelde partij een geldelijke vergoeding toe te kennen ten laste van de Gemeenschap, in geval schade is ontstaan bij de uitvoering van dit Verdrag door een dienstfout van de Gemeenschap.

Het Hof is eveneens bevoegd schadeloosstelling toe te kennen ten laste van een functionaris van de Gemeenschap, in geval de schade het gevolg is van een persoonlijke fout van deze functionaris in de uitoefening zijner bediening.

Indien de benadeelde partij deze schadeloosstelling niet van de functionaris heeft kunnen verkrijgen, kan het Hof een billijke schadevergoeding toekennen ten laste van de Gemeenschap.

Alle andere geschillen, ontstaan tussen de Gemeenschap en derden, waarop de artikelen van dit Verdrag en de daarop betrekking hebbende uitvoeringsvoorschriften niet van toepassing zijn, worden aan de nationale rechter voorgelegd.

Artikel 41

Alleen het Hof is bevoegd, bij \vege van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen over de geldigheid van besluiten van de Hoge Autoriteit en van de Raad, indien een geschil dat aan een nationale rechter is voorgelegd, deze geldigheid in het geding brengt.

Artikel 42

Het Hof is bevoegd uitspraak te doen krachtens een arbitrageclausule, vervat in een door of namens de Gemeenschap gesloten publiekrechtelijke of privaatrechtelijke overeenkomst. [ 42 ]

Artikel 43

Het Hof is bevoegd uitspraak te doen in alle andere gevallen, voorzien in aanvullende bepalingen van dit Verdrag.

Het kan eveneens een uitspraak doen in alle gevallen, die met de materie van dit Verdrag verband houden en waarin de wetgeving van een deelnemende Staat hem daartoe de bevoegdheid toekent.

Artikel 44

De uitspraken van het Hof kunnen ten uitvoer worden gelegd op het grondgebied der deelnemende Staten, overeenkomstig de bepalingen van artikel 92.

Artikel 45

Het Statuut van het Hof is vastgesteld bij een aan dit Verdrag toegevoegd protocol.