Naar inhoud springen

Verdrag van Parijs/Titel III

Uit Wikisource

[ 45 ]

HOOFDSTUK I
ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 46

De Hoge Autoriteit kan, te allen tijde, de Regeringen, de onderscheidene belanghebbenden (ondernemingen, werknemers, verbruikers en handelaren) en hun verenigingen, alsmede alle deskundigen raadplegen.

De ondernemingen, de werknemers, de verbruikers en handelaren en hun verenigingen zijn bevoegd de Hoge Autoriteit alle voorstellen of opmerkingen voor te leggen, welke betrekking hebben op de voor hen van belang zijnde vraagstukken.

Ten einde in het kader van de doestellingen van de Gemeenschap richting te geven aan het optreden van alle belanghebbenden en ter bepaling van haar eigen beleid overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag, moet de Hoge Autoriteit mot behulp van bovenbedoelde raadplegingen:

1° een voortdurende studie van de marktontwikkeling en het prijsverloop maken;
2° met regelmatige tussenpozen programma's opstellen, welke aanwijzingen inhouden omtrent de vooruitzichten van de productie, het verbruik, de uitvoer en de invoer;
[ 46 ]3° met regelmatige tussenpozen algemene doelstellingen omschrijven betreffende de modernisering, de richting van de productie op lange termijn en de uitbreiding van de productiecapaciteit;
4° op verzoek van de belanghebbende Regeringen deelnemen aan het bestuderen van de mogelijkheden tot het opnieuw te werk stellen van de arbeidskrachten, die ter beschikking zijn gekomen tengevolge van de ontwikkeling van de markt of van technische omschakeling, in de bestaande industrieën of door middel van het scheppen van nieuwe bedrijvigheid;
5° gegevens verzamelen, welke noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de mogelijkheden tot verbetering van het levenspeil en de arbeidsvoorwaarden van de werknemers in de industrieën welke aan haar zorg zijn toevertrouwd, en van de govaren, welke dat levenspeil bedreigen.

Zij maakt de algemene doelstellingen en de programma's openbaar, nadat deze zijn voorgelegd aan het Raadgevend Comité.

Zij kan de hierboven bedoelde studies en gegevens openbaar maken.

Artikel 47

De Hoge Autoriteit kan de voor de vervulling van haar taak noodzakelijke inlichtingen inwinnen. Indien nodig kan zij deze doen verifiëren.

De Hoge Autoriteit is gehouden geen ruchtbaarheid te geven aan de inlichtingen, die krachtens hun aard zijn onderworpen aan het beroepsgeheim en met name aan de inlichtingen, welke betrekking hebben op de ondernemingen en hun handelsbetrekkingen of de elementen van hun kostprijs. Onder dit voorbehoud is zij verplicht de gegevens, die [ 47 ]voor de Regeringen of voor andere belanghebbenden van nut zouden kunnen zijn, openbaar te maken.

De Hoge Autoriteit kan aan ondernemingen, die zich onttrekken aan de verplichtingen, welke voor hen voortvloeien uit de op grond van de bepalingen van dit artikel gegeven beschikkingen, of die willens en wetens onjuiste gegevens verstrekken, boeten tot een bedrag van ten hoogste 1% van de jaaromzet en dwangsommen tot een bedrag van ten hoogste 5% van de gemiddelde dagomzet per dag vertraging opleggen.

Op grond van schending van het beroepsgeheim door de Hoge Autoriteit, waardoor een onderneming schade heeft geleden, kan met inachtneming van het bepaalde in artikel 40 een eis tot schadevergoeding bij het Hof worden aanhangig gemaakt.

Artikel 48

Het recht van de ondernemingen tot het oprichten van verenigingen wordt door dit Verdrag niet aangetast. De toetreding tot deze verenigingen moet vrijelijk kunnen geschieden.

Zij kunnen elke werkzaamheid verrichten, die niet strijdig is met de bepalingen van dit Verdrag of met de beschikkingen of aanbevelingen van de Hoge Autoriteit.

Iedere vereniging heeft, in de gevallen, waarin dit Verdrag de raadpleging van het Raadgevend Comité oorschrijft, het recht de opmerkingen van haar leden betreffende de beoogde maatregelen aan de Hoge Autoriteit voor te leggen, met inachtneming van de door deze vastgestelde termijn.

Voor het verkrijgen van de voor haar noodzakelijke gegevens of ter vergemakkelijking van de uitvoering van de haar opgedragen taken doet de Hoge Autoriteit in de [ 48 ]regel een beroep op de verenigingen van producenten, mits deze, hetzij de aangewezen vertegenwoordigers van de werknemers en verbruikers zitting doen hebben in hun besturen of in de hieraan toegevoegde raadgevende comité's, hetzij op enigerlei andere wijze in hun vereniging voor de werknemers en de verbruikers de mogelijkheid openen op een bevredigende wijze hun belangen tot uitdrukking te brengen.

De in de voorgaande alinea bedoelde verenigingen zijn gehouden de Hoge Autoriteit de door deze noodzakelijk geachte gegevens betreffende hun werkzaamheden te verstrekken. De in de tweede alinea van dit artikel bedoelde opmerkingen, benevens de gegevens, welke worden verstrekt op grond van de vierde alinea, worden door de verenigingen eveneens aan de betrokken Regering medegedeeld. [ 49 ]

HOOFDSTUK II
FINANCIËLE BEPALINGEN

Artikel 49

De Hoge Autoriteit is bevoegd zich de nodige middelen voor de uitvoering van haar taak te verschaffen:

— door het instellen van heffingen op de productie van kolen en staal;

— door het opnemen van leningen.

Zij kan schenkingen ontvangen.

Artikel 50

1. De heffingen dienen tot het dekken van:

— de administratieve uitgaven, voorzien in artikel 78;

— de niet-terugvorderbare hulp met betrekking tot de wederaanpassing, als bedoeld in artikel 56;

— het gedeelte van de dienst der door de Hoge Autoriteit opgenomen leningen met betrekking tot de financieringsfaciliteiten, als bedoeld in de artikelen 54 en 56, dat mogelijk nog niet gedekt is door de dienst der verstrekte leningen, alsmede de mogelijke gevolgen van haar garantie van rechtstreeks door de ondernemingen opgenomen leningen, [ 50 ]een en ander nadat een beroep op het reservefonds is gedaan;

— de uitgaven bestemd voor de aanmoediging van het technisch en economisch onderzoek overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid van artikel 55.

2. De heffingen worden jaarlijks op de verschillende producten gelegd, berekend naar hun gemiddelde waarde met dien verstande, dat behoudens voorafgaande machtiging van de Raad, gegeven met een meerderheid van 2/3, de heffing niet meer dan 1% kan bedragen. De wijze van vaststelling en inning wordt door de Hoge Autoriteit na raadpleging van de Raad bij een algemene beschikking vastgesteld, waarbij zoveel mogelijk cumulatieve belasting wordt vermeden.

3. De Hoge Autoriteit kan de bijdragen van ondernemingen, die haar op grond van dit artikel gegeven beschikkingen niet naleven, verhogen met ten hoogste 5% per kwartaal vertraging.

Artikel 51

1. Gelden verkregen uit opgenomen leningen kunnen door de Hoge Autoriteit slechts worden aangewend voor het verstrekken van leningen.

Het plaatsen van leningen van de Hoge Autoriteit op de markten van de deelnemende Staten is onderworpen aan de voorschriften, die op deze markten gelden.

Indien de Hoge Autoriteit de garantie van deelnemende Staten voor het aangaan van bepaalde leningen nodig oordeelt, wendt zij zich tot de betrokken Regering of Regeringen na raadpleging van de Raad; geen Staat is verplicht zijn garantie te geven. [ 51 ]

2. De Hoge Autoriteit kan overeenkomstig de bepalingen van artikel 54 leningen, welke door derden rechtstreeks aan de ondernemingen worden verstrekt, garanderen.

3. De Hoge Autoriteit kan haar lenings- of garantievoorwaarden zodanig vaststellen, dat op deze wijze een reservefonds wordt gevormd, hetwelk uitsluitend bestemd is voor de verlaging van de heffingen, bedoeld in artikel 50, eerste lid, derde volzin, met dien verstande dat de aldus bijeengebrachte gelden niet kunnen worden gebruikt voor het verstrekken van leningen aan ondernemingen, in welke vorm dan ook.

4. De Hoge Autoriteit verricht niet zelf de met de uitvoering van haar financiële taken samenhangende bankierswerkzaamheden.

Artikel 52

De deelnemende Staten nemen alle passende maatregelen om binnen het grondgebied, bedoeld in de eerste alinea van artikel 79, en binnen het kader van de modaliteiten aanvaard voor de financiële afwikkeling van het handelsverkeer, het overmaken van gelden, afkomstig uit heffingen, geldboeten en dwangsommen en uit het reservefonds, te verzekeren, voorzover zulks nodig is voor hun besteding ten behoeve van de doeleinden, waartoe zij krachtens dit Verdrag zijn bestemd.

De modaliteiten voor het overmaken van gelden — zowel tussen de deelnemende Staten als naar derde landen — op grond van andere door de Hoge Autoriteit of onder haar garantie uitgevoerde financiële operaties, maken het onderwerp uit van overeenkomsten, welke door de Hoge Autoriteit worden afgesloten met de belanghebbende deelnemende Staten of de bevoegde instellingen, met dien verstande dat geen deelnemende Staat, die het deviezenverkeer aan wettelijke bepalingen heeft onderworpen, gehouden is [ 52 ]overmakingen te verrichten, waartoe hij zich niet uitdrukkelijk heeft verplicht.

Artikel 53

Onverminderd het bepaalde in artikel 58 en in Hoofdstuk V van de Derde Titel kan de Hoge Autoriteit:

a. na raadpleging van het Raadgevend Comité en de Raad goedkeuren, dat op door haar te stellen voorwaarden en onder haar toezicht, door verscheidene ondernemingen gemeenschappelijk financiële voorzieningen worden getroffen, welke naar haar oordeel noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de taken, omschreven in artikel 3 en verenigbaar met de bepalingen van dit Verdrag, in het bijzonder met artikel 65;
b. met instemming van de Raad, bij eenstemmigheid bepaald, zelve alle financiële voorzieningen met hetzelfde doel treffen.

Soortgelijke voorzieningen, getroffen of in stand gehouden door de deelnemende landen, worden ter kennis gebracht van de Hoge Autoriteit, die na raadpleging van het Raadgevend Comité en de Raad, aan de belanghebbende Staten de noodzakelijke aanbevelingen doet, indien dergelijke voorzieningen in haar geheel of gedeeltelijk strijdig zijn met de toepassing van dit Verdrag. [ 53 ]

HOOFDSTUK III
INVESTERINGEN IN FINANCIËLE HULP



Artikel 54

De Hoge Autoriteit kan de uitvoering van investeringsprogramma's vergemakkelijken door het verstrekken van leningen aan ondernemingen of door het geven van haar garantie voor andere door de ondernemingen aangegane leningen.

Op dezelfde wijze kan de Hoge Autoriteit, met instemming van de Raad, door deze bij eenstemmigheid bepaald, medewerken aan de financiering van werken en inrichtingen, die rechtstreeks en in hoofdzaak bijdragen tot het verhogen van de productie, het verlagen van de kostprijzen of het vergemakkelijken van de afzet van de producten, welke aan haar rechtsmacht zijn onderworpen.

Teneinde een gecoördineerde ontwikkeling van de investeringen te bevorderen, kan de Hoge Autoriteit zich, overeenkomstig de bepalingen van artikel 47, de afzonderlijke programma's vooraf doen voorleggen, hetzij door een afzonderlijk tot de belanghebbende onderneming gericht verzoek, hetzij door middel van een beschikking, welke de aard en het belang van de voor te leggen programma's omschrijft.

Zij kan, na de belanghebbenden in de gelegenheid te hebben gesteld hun opmerkingen te maken, een met redenen [ 54 ]omkleed advies geven over deze programma's in het kader van de in artikel 46 bedoelde algemene doelstellingen. Op verzoek van de belanghebbende onderneming is zij gehouden een dergelijk advies te geven. De Hoge Autoriteit deelt het advies aan de belanghebbende onderneming mede en brengt het ter kennis van de betrokken Regering. De lijst van adviezen wordt openbaar gemaakt.

Indien de Hoge Autoriteit van oordeel is, dat de financiering van een programma of de exploitatie van inrichtingen, welke het programma omvat, subsidies, hulp, bescherming of discriminaties met zich mede brengen, welke in strijd zijn met dit Verdrag, geldt het op deze gronden gegeven afwijzend advies als een beschikking in de zin van artikel 14 en houdt voor de betrokken onderneming het verbod in tot het uitvoeren van dit programma met andere dan eigen middelen.

De Hoge Autoriteit kan aan ondernemingen, welke het in de vorige alinea bedoelde verbod overtreden, boeten opleggen ten hoogste gelijk aan de bedragen, welke onrechtmatig zijn aangewend voor de uitvoering van het desbetreffende programma.

Artikel 55

1. De Hoge Autoriteit is verplicht het technisch en economisch onderzoek met betrekking tot de productie en de ontwikkeling van het verbruik van kolen en staal, alsmede de bedrijfsveiligheid in deze industrieën, aan te moedigen. Zij legt te dien einde alle passende verbindingen tussen de bestaande instellingen van onderzoek.

2. Na raadpleging van het Raadgevend Comité kan de Hoge Autoriteit de ontwikkeling van dit onderzoek bevorderen on vergemakkelijken, hetzij:

a. door een gemeenschappelijke financiering door de belanghebbende ondernemingen te bevorderen; [ 55 ]
b. door uit schenkingen verkregen middelen hiervoor beschikbaar te stellen;
c. door met instemming van de Raad middelen ter beschikking te stellen, die afkomstig zijn uit de heffingen, bedoeld in artikel 50, met dien verstande evenwel dat het hoogst toelaatbare percentage van de heffing, vastgesteld in het tweede lid van bedoeld artikel, niet wordt overschreden.

De uitkomsten van de onderzoekingen, welke gefinancierd zijn overeenkomstig de bepalingen sub b en sub c, worden ter beschikking gesteld van alle belanghebbenden in de Gemeenschap.

3. De Hoge Autoriteit geeft alle adviezen, welke dienstig zijn voor de verbreiding van technische verbeteringen, met name met betrekking tot het uitwisselen van octrooien en het verstrekken van exploitatie-licenties.

Artikel 56

Indien de invoering van nieuwe technische werkwijzen of van een nieuwe industriële uitrusting in het kader van de algemene doelstellingen van de Hoge Autoriteit een uitzonderlijk belangrijke vermindering van de behoefte aan arbeidskrachten in de kolenmijn- of staalindustrie veroorzaakt, welke tot gevolg heeft, dat in een of meer gebieden bijzondere moeilijkheden ontstaan bij de herplaatsing van beschikbaar gekomen arbeidskrachten, is de Hoge Autoriteit, op verzoek van de betrokken Regeringen:

a. verplicht advies te vragen aan het Raadgevend Comité;
b. bevoegd, overeenkomstig de voorschriften van artikel 54, hetzij in industrieën, welke aan de rechtsmacht van de Hoge Autoriteit zijn onderworpen, hetzij met instemming van de Raad in enige andere industrie, de financiering te [ 56 ]vergemakkelijken van door haar goedgekeurde programma's, die voorzien in het scheppen van nieuwe bedrijvigheid, welke economisch gezond is te achten en de mogelijkheid biedt tot een productieve wederinschakeling van de beschikbaar gekomen werkkrachten;
c. verplicht een niet­terugvorderbare hulp te verlenen, ten einde bij te dragen in de kosten van:
— de vergoedingen, welke het de werknemers mogelijk maken op herplaatsing te wachten;
— de vergoedingen voor verplaatsingskosten aan werknemers;
— de financiering van herscholing van werknemers, die zich genoodzaakt zien van beroep te veranderen.

De Hoge Autoriteit stelt de toekenning van de niet­terugvorderbare hulp afhankelijk van een ten minste gelijkwaardige bijzondere bijdrage door de betrokken Staat, tenzij de Raad met een meerderheid van 2/3 een afwijking van deze laatste bepaling toestaat. [ 57 ]

HOOFDSTUK IV
PRODUCTIE

Artikel 57

Met betrekking tot de productie maakt de Hoge Autoriteit bij voorkeur gebruik van de indirecte middelen die haar ter beschikking staan, zoals:

— de samenwerking met de Regeringen ter regeling of beïnvloeding van het algemene verbruik, in het bijzonder dat van de openbare diensten;
— het ingrijpen op het gebied van de prijzen en de handelspolitiek, zoals in dit Verdrag wordt voorzien.

Artikel 58

1. Indien de Hoge Autoriteit, bij het afnemen van de vraag, meent, dat de Gemeenschap zich in een uitgesproken crisisperiode bevindt en dat de maatregelen, voorzien in artikel 57, niet voldoende zijn om aan deze toestand het hoofd te bieden, moet de Hoge Autoriteit na raadpleging van het Raadgevend Comité en met instemming van de Raad een stelsel van productiequota invoeren, vergezeld voorzover nodig van de maatregelen, bedoeld in artikel 74.

Bij gebrek aan een initiatief van de Hoge Autoriteit kan een deelnemende Staat zich tot de Raad wenden. Deze [ 58 ]laatste kan bij eenstemmigheid aan de Hoge Autoriteit het invoeren van een quotastelsel voorschrijven.

2. De Hoge Autoriteit stelt, op grondslag van de in samenwerking met de ondernemingen en de verenigingen van ondernemingen gemaakte studies, de quota op een billijke grondslag vast, daarbij rekening houdend met de beginselen omschreven in de artikelen 2, 3 en 4. Zij kan met name de bezettingsgraad van de ondernemingen regelen door het leggen van daartoe geschikte heffingen op de hoeveelheden, waarmede de productie een bij algemene beschikking vastgesteld peil overschrijdt.

De aldus verkregen bedragen zijn bestemd voor het ondersteunen van die ondernemingen, welker productie gedaald is heneden het voorziene peil, ten einde met name zoveel mogelijk de werkgelegenheid in die ondernemingen te handhaven.

3. Het quotastelsel wordt opgeheven op voorstel van de Hoge Autoriteit na raadpleging van het Raadgevend Comité aan de Raad gedaan, behoudens tegengestelde beslissing bij eenstemmigheid door de Raad genomen, of op voorstel van de Regering van een der deelnemende Staten, behoudens tegengestelde beslissing van de Raad bij eenvoudige meerderheid genomen. De opheffing van het quotastelsel wordt openbaar gemaakt door de zorg van de Hoge Autoriteit.

4. De Hoge Autoriteit kan aan ondernemingen, die haar beschikkingen gegeven ter uitvoering van dit artikel overtreden, booten opleggen tot ten hoogste een bedrag gelijk aan de waarde van de ongeoorloofde productie.

Artikel 59

1. Indien de Hoge Autoriteit na raadpleging van het Raadgevend Comité vaststelt, dat de Gemeenschap verkeert in een periode van ernstige schaarste aan bepaalde of alle aan [ 59 ]haar rechtsmacht onderworpen producten en dat de middelen, voorzien in artikel 57, het niet mogelijk maken hieraan het hoofd te bieden, moet zij de Raad hiervan op de hoogte stellen en, tenzij deze bij eenstemmigheid anders beslist, de Raad de noodzakelijke maatregelen voorstellen.

Bij gebrek aan een initiatief van de Hoge Autoriteit kan een deelnemende Staat zich tot de Raad wenden. Deze laatste kan door een beslissing, bij eenstemmigheid genomen, vaststellen dat de vorenbedoelde toestand bestaat.

2. De Raad, besluitende bij eenstemmigheid op voorstel van on in overleg met de Hoge Autoriteit, beslist enerzijds aangaande de verbruiksprioriteiten en anderzijds aangaande de verdeling van de beschikbare hoeveelheden kolen en staal van de Gemeenschap over de industrieën, welke aan haar rechtsmacht zijn onderworpen, de uitvoer en het overige verbruik.

Op grondslag van de aldus bepaalde verbruiksprioriteiten stelt de Hoge Autoriteit, nadat zij de belanghebbende ondernemingen heeft geraadpleegd, de productieprogramma's op, welke de ondernemingen moeten uitvoeren.

3. Indien geen eenstemmigheid in de Raad wordt bereikt betreffende de maatregelen, bedoeld in het tweede lid, stelt de Hoge Autoriteit zelve, op grondslag van het verbruik en de uitvoer en onafhankelijk van de plaats waar de productie geschiedt, de verdeling van de beschikbare hoeveelheden kolen en staal van de Gemeenschap tussen de deelnemende Staten vast.

In ieder der deelnemende Staten geschiedt de verdeling der door de Hoge Autoriteit toegewezen hoeveelheden onder verantwoordelijkheid van de Regering, met dien verstande, dat deze verdeling de leveringen, bestemd voor andere deelnemende Staten niet kan aantasten en wat betreft de ge[ 60 ]deelten bestemd voor de uitvoer en voor het handhaven van de bedrijvigheid in de kolenmijn- en staalindustrie onder voorbehoud van overleg met de Hoge Autoriteit.

Indien het gedeelte, door een Regering bestemd voor de uitvoer, verminderd is ten opzichte van de grondslagen, welke zijn aangehouden bij de totale toewijzing aan een deelnemende Staat, zal de Hoge Autoriteit bij een volgende verdeling, voorzover nodig, de aldus voor verbruik beschikbaar gekomen hoeveelheden opnieuw tussen de deelnemende Staten verdelen.

Indien een zodanige vermindering van het gedeelte, dat door een Regering bestemd wordt voor het aan de gang houden van de kolenmijn- of staalindustrie, tot gevolg heeft een vermindering van de productie van de Gemeenschap, zal de toewijzing van overeenkomstige producten aan de belanghebbende deelnemende Staat bij een volgende verdeling verminderd worden met een hoeveelheid, overeenkomende met de aan hem te wijten productievermindering.

4. In alle gevallen is de Hoge Autoriteit belast met de verdeling op billijke grondslag over de ondernemingen van de hoeveelheden, bestemd voor de aan haar rechtsmacht onderworpen industrieën op basis van de in samenwerking met de ondernemingen en de verenigingen van ondernemingen gemaakte studies.

5. In de toestand bedoeld in het eerste lid van dit artikel, kan de Hoge Autoriteit overeenkomstig de bepalingen van artikel 57 na raadpleging van het Raadgevend Comité en met instemming van de Raad, besluiten tot het instellen van beperkingen van de uitvoer naar derde landen, geldende voor alle deelnemende Staten; bij gebrek aan een initiatief van de Hoge Autoriteit kan de Raad, besluitende bij eenstemmigheid, deze beperkingen op voorstel van een Regering instellen. [ 61 ]

6. De Hoge Autoriteit kan het stelsel, ingesteld op grond van dit artikel, opheffen na raadpleging van het Raadgevend Comité en de Raad. Indien de Raad zich met eenstemmigheid hiertegen uitspreekt, kan de Hoge Autoriteit deze uitspraak niet terzijde leggen.

Bij gebrek aan een initiatief van de Hoge Autoriteit kan de Raad de opheffing van dit stelsel doen geschieden door een besluit bij eenstemmigheid.

7. De Hoge Autoriteit kan de ondernemingen die de beschikkingen, gegeven ter uitvoering van dit artikel overtreden, boeten opleggen tot een bedrag van ten hoogste het dubbele van de waarde van de voorgeschreven producties of leveringen, welke niet hebben plaats gevonden of onttrokken zijn aan hun geoorloofde bestemming. [ 62 ]

HOOFDSTUK V
PRIJZEN

Artikel 60

1. Met betrekking tot de prijzen zijn verboden de gedragingen strijdig met de artikelen 2, 3 en 4, met name:

— oneerlijke concurrentiepractijken, in het bijzonder zuiver tijdelijke of zuiver plaatselijke prijsverlagingen, welke strekken tot het verkrijgen van een monopolie positie op de gemeenschappelijke markt;
— discriminerende practijken, die op de gemeenschappelijke markt het toepassen door een verkoper van ongelijke voorwaarden bij gelijksoortige transacties met name naar gelang van de nationaliteit van de kopers, inhouden.

De Hoge Autoriteit kan bij beschikking, gegeven na raadpleging van het Raadgevend Comité en de Raad, de gedragingen, welke onder dit verbod vallen omschrijven.

2. Teneinde het bovenstaande te bereiken:

a) moeten de prijsschalen en verkoopvoorwaarden, welke door de ondernemingen op de gemeenschappelijke markt worden toegepast, openbaar worden gemaakt in de mate en in de vorm, zoals deze door de Hoge Autoriteit na raadpleging van het Raadgevend Comité worden voorgeschreven; indien de Hoge Autoriteit van oordeel is, dat de door een [ 63 ]onderneming gedane keuze van het punt, dat als grondslag dient voor het opstellen van haar prijsschaal, een abnormaal karakter draagt en het met name mogelijk maakt de bepalingen van het onder punt b vermelde te ontduiken, doet zij passende aanbevelingen aan deze onderneming.
b) mag de toegepaste wijze van prijsnotering niet tot gevolg hebben, dat de prijzen, welke een onderneming op de gemeenschappelijke markt berekent, teruggerekend op de grondslag gekozen voor het opstellen van haar prijsschaal, leiden tot:
— verhogingen vergeleken met de prijs voorzien in de bedoelde prijsschaal voor een gelijksoortige transactie;
— of kortingen op deze prijs, waarvan de grootte overschrijdt:
— hetzij het bedrag, dat het mogelijk maakt de aanbieding in overeenstemming te brengen met de prijsschaal, opgesteld op grondslag van een ander punt, dat aan de koper de gunstigste voorwaarden biedt op de plaats van levering;
— hetzij de grenzen, vastgesteld voor elke categorie van producten bij beschikking van de Hoge Autoriteit na raadpleging van het Raadgevend Comité, waarbij eventueel rekening wordt gehouden met oorsprong en bestemming.

Deze beschikkingen worden te baat genomen, wanneer de noodzakelijkheid hiertoe blijkt, teneinde verstoringen op de gehele of een gedeelte van de gemeenschappelijke markt te voorkomen of om onevenwichtigheden te vermijden, die zouden optreden ten gevolge van een verschillende wijze van notering voor enig eindproduct en voor de ter vervaardiging daarvan benodigde grondstoffen. Het recht van de ondernemingen hun aanbiedingen in overeenstemming [ 64 ]te brengen met die van buiten de Gemeenschap gevestigde ondernemingen wordt hierdoor niet aangetast, onder voorwaarde echter, dat deze transacties worden medegedeeld aan de Hoge Autoriteit, die in geval van misbruik het voordeel aan deze afwijking verbonden, voor de betrokken ondernemingen kan beperken of teniet doen.

Artikel 61

Op grondslag van de in samenwerking met de ondernemingen en de verenigingen van ondernemingen, overeenkomstig de bepalingen van de eerste alinea van artikel 46 en de derde alinea van artikel 48, gemaakte studies en na raadpleging van het Raadgevend Comité en de Raad, zowel betreffende de wenselijkheid van onderstaande maatregelen als betreffende het prijspeil dat hierdoor wordt vastgesteld, kan de Hoge Autoriteit voor een of meer producten, welke aan haar rechtsmacht zijn onderworpen, vaststellen:

a) maximumprijzen, geldende op de gemeenschappelijke markt, indien naar haar oordeel een dergelijke beschikking vereist is voor het bereiken van de in artikel 3, met name onder c, omschreven doelstellingen;
b) minimumprijzen, geldende op de gemeenschappelijke markt, indien naar haar oordeel een uitgesproken crisis bestaat of dreigt te ontstaan, en zij een dergelijke beschikking nodig acht voor het bereiken van de in artikel 3 omschreven doelstellingen;
c) na raadpleging van de verenigingen van de belanghebbende ondernemingen of van deze ondernemingen zelve, en op een wijze welke aansluit aan de aard van de bij buitenlandse markten aangepaste minimum of maximum exportprijzen, indien een dergelijke regeling vatbaar is voor een doeltreffende controle en noodzakelijk blijkt, zowel wegens de gevaren, welke voor de ondernemingen uit de [ 65 ]toestand van de markt voortvloeien, als om in de internationale economische betrekkingen de doelstelling, omschreven in artikel 3, onder f, tot haar recht te doen komen; onverminderd, in geval van het vaststellen van minimumprijzen, de toepassing van de bepalingen van de laatste alinea van het tweede lid van artikel 60.

Bij de vaststelling van de prijzen moet de Hoge Autoriteit rekening houden met de noodzakelijkheid het concurrentievermogen zowel van de kolenmijn- of staalindustrie als van de verwerkende industrieën in stand te houden, overeenkomstig de in artikel 3 onder c omschreven beginselen.

Bij gebrek aan een initiatief van de Hoge Autoriteit in de bovengenoemde omstandigheden, kan de Regering van een deelnemende Staat zich tot de Raad wenden. Deze kan door een beslissing, genomen bij eenstemmigheid, de Hoge Autoriteit uitnodigen dergelijke maxima of minima vast te stellen.

Artikel 62

Wanneer de Hoge Autoriteit van oordeel is, dat een dusdanige handelwijze het meest geschikt is om te vermijden, dat de kolenprijs tot stand komt op het peil van de productiekosten van de met de hoogste kosten werkende mijnen waarvan het tijdelijk noodzakelijk wordt geoordeeld dat zij in bedrijf blijven ter vervulling van de in artikel 3 omschreven taken, kan de Hoge Autoriteit na raadpleging van het Raadgevend Comité, compensaties goedkeuren:

— tussen ondernemingen in hetzelfde bekken gelegen, waarvoor dezelfde prijsschalen gelden;
— na raadpleging van de Raad tussen ondernemingen, gelegen in verschillende bekkens.

Bedoelde compensatieregelingen kunnen bovendien worden ingesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 53. [ 66 ]

Artikel 63

1. Indien de Hoge Autoriteit vaststelt, dat kopers stelselmatig discriminaties toepassen met name op grond van voorschriften, welke gelden voor aankopen door van de overheid afhankelijke instellingen, doet zij de belanghebbende Regeringen de nodige aanbevelingen.

2. Voorzover zij zulks noodzakelijk oordeelt, kan de Hoge Autoriteit beschikken, dat:

a. de ondernemingen hum verkoopvoorwaarden zodanig moeten vaststellen, dat hun kopers en commissionnairs zich verbinden de voorschriften van de Hoge Autoriteit ter uitvoering van de bepalingen van dit artikel in acht te nemen;
b. de ondernemingen worden verantwoordelijk gesteld voor inbreuk op de aldus aangegane verplichtingen, door hun directe vertegenwoordigers of door commissionnairs, welke voor rekening van deze ondernemingen handelen.

Zij kan in geval van inbreuk op de aldus aangegane verplichtingen door een koper het recht van de ondernemingen van de Gemeenschap om met deze koper handel te drijven, beperken en wel zodanig, dat in geval van herhaling een tijdelijk verbod tot handel drijven kan worden opgelegd. In dat geval, en onverminderd het bepaalde in artikel 33, staat de koper beroep bij het Hof open.

3. Bovendien is de Hoge Autoriteit bevoegd aan de belanghebbende deelnemende Staten iedere passende aanbeveling te doen, teneinde de naleving van de ter uitvoering van de bepalingen van het eerste lid van artikel 60 gegeven voorschriften te verzekeren door iedere onderneming of instelling, welke zich bezig houdt met de distributie van kolen of staal. [ 67 ]

Artikel 64

De Hoge Autoriteit kan aan ondernemingen, die de bepalingen van dit Hoofdstuk of de ter uitvoering hiervan gegeven beschikkingen overtreden, boeten opleggen tot een bedrag van het dubbele van de waarde van de ongeoorloofde verkopen. In geval van herhaling wordt dit maximum verdubbeld. [ 68 ]

HOOFDSTUK VI
AFSPRAKEN EN CONCENTRATIES

Artikel 65

1. Verboden zijn: alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van verenigingen van ondernemingen en alle onderling samenhangende gedragingen, welke er direct of indirect toe zouden kunnen leiden om op de gemeenschappelijke markt de normale werking van de mededinging te beletten, te beperken of te vervalsen en in het bijzonder:

a. de prijzen vast te leggen of te bepalen;
b. de productie, de technische ontwikkeling of de investeringen te beperken of te beheersen;
c. de markten, producten, afnemers of voorzieningsbronnen te verdelen.

2. De Hoge Autoriteit verleent evenwel voor bepaalde producten ontheffing voor specialisatie-overeenkomsten en overeenkomsten tot gemeenschappelijke aankoop of verkoop, indien zij van oordeel is:

a. dat deze specialisatie, deze gemeenschappelijke aankopen of verkopen tot een duidelijke verbetering van de productie of de verdeling van de bedoelde producten zullen bijdragen;
[ 69 ]
b. dat de overeenkomst onmisbaar is voor het bereiken van deze doeleinden en niet van een meer beperkende aard is dan voor het doel van de overeenkomst noodzakelijk is, en
c. dat de overeenkomst niet aan de belanghebbende ondernemingen de macht zou kunnen geven om voor een belangrijk gedeelte van de betrokken producten op de gemeenschappelijke markt de prijzen vast te stellen, de productie of de afzet te beheersen of te beperken, noch deze ondernemingen zou kunnen onttrekken aan een daadwerkelijke mededinging van andere ondernemingen op de gemeenschappelijke markt.

Indien de Hoge Autoriteit, in het bijzonder rekening houdend met de toepassing van het onderhavige lid op de ondernemingen die zich met distributie bezig houden van oordeel is, dat bepaalde overeenkomsten wat haar aard en werking betreft volstrekt analoog zijn aan de hierboven bedoelde overeenkomsten, verleent zij voor deze eveneens ontheffing, indien zij van mening is, dat deze overeenkomsten aan de zelfde voorwaarden voldoen.

De ontheffingen kunnen worden verleend op bepaalde voorwaarden en voor een beperkte tijd. In dat geval vernieuwt de Hoge Autoriteit de ontheffing één of meerdere malen, indien zij vaststelt, dat op het ogenblik van de vernieuwing nog steeds voldaan wordt aan de hiervoor genoemde voorwaarden a t/m c.

De Hoge Autoriteit trekt de ontheffing in of wijzigt de voorwaarden hiervan, indien zij van oordeel is, dat als gevolg van een verandering in de omstandigheden de overeenkomst niet meer beantwoordt aan de hierboven gestelde voorwaarden, of dat de werkelijke gevolgen van deze overeenkomst of van haar toepassing strijdig zijn met de voorwaarden, welke voor het verlenen van de ontheffing vereist zijn. [ 70 ]

De beschikkingen, houdende verlening, vernieuwing, verandering, weigering of intrekking van de ontheffing, alsmede de beweegredenen hiervoor, moeten openbaar gemaakt worden; de in de tweede' alinea van artikel 47 genoemde beperkingen zijn in dit geval niet van toepassing.

3. De Hoge Autoriteit kan overeenkomstig de bepalingen van artikel 47 alle voor de toepassing van het onderhavige artikel noodzakelijke inlichtingen inwinnen, hetzij door een afzonderlijk tot de belanghebbenden gericht verzoek, hetzij door middel van een reglement, dat de aard van de overeenkomsten, besluiten of gedragingen welke te harer kennis moeten worden gebracht, omschrijft.

4. De krachtens het eerste lid van dit artikel verboden overeenkomsten of besluiten zijn van rechtswege nietig; voor geen enkele rechterlijke instantie van de deelnemende Staten kan op dezelve een beroep gedaan worden.

Alleen de Hoge Autoriteit heeft de bevoegdheid, onder voorbehoud van beroep bij het Hof, om zich uit te spreken over het al of niet strijdig zijn van de genoemde overeenkomsten of besluiten met de bepalingen van dit artikel.

5. De Hoge Autoriteit kan aan ondernemingen, die een van rechtswege nietige overeenkomst hebben gesloten, die door arbitrage, uitkoop, boycot of enig ander middel een van rechtswege nietige overeenkomst of een zodanig besluit of een overeenkomst, waarvoor de ontheffing is geweigerd of ingetrokken, hebben toegepast of gepoogd hebben toe te passen, of die door middel van willens en wetens onjuist of misleidend gestelde inlichtingen, een ontheffing hebben verkregen, of die zich aan gedragingen schuldig maken, welke in strijd zijn met de bepalingen van het eerste lid, boeten en dwangsommen opleggen tot ten hoogste het dubbele van de bereikte omzet van de producten, welke het voorwerp uitmaken van de overeenkomst, het besluit of de [ 71 ]gedraging, strijdig met de bepalingen van het onderhavige artikel, onverminderd een verhoging van dit aldus bepaalde maximum tot een bedrag van 10% van de jaaromzet der betrokken ondernemingen voorzover het de boete betreft en tot een bedrag van 20% van de dagomzet, voorzover het de dwangsommen betreft, indien de bedoeling heeft voorgezeten de productie, de technische ontwikkeling of de investeringen te beperken.

Artikel 66

1. Behoudens de bepalingen van het derde lid is aan voorafgaande goedkeuring van de Hoge Autoriteit onderworpen iedere handeling, die als zodanig en door toedoen van een persoon of een onderneming of van een groep personen of een groep ondernemingen binnen het grondgebied, bedoeld in de eerste alinea van artikel 79, tot direct of indirect gevolg heeft een concentratie van ondernemingen waarvan er tenminste een valt onder de toepassing van artikel 80, onafhankelijk van de omstandigheid of deze handeling betrekking heeft op eenzelfde product of op verschillende producten, en of zij geschiedt door een fusie, verwerving van aandelen of andere vermogensbestanddelen, leningen, overeenkomsten, of enig ander middel tot beheersing.

Voor de toepassing van de bovenvermelde bepalingen omschrijft de Hoge Autoriteit in een reglement, opgesteld na raadpleging van de Raad, de factoren welke kenmerkend zijn voor de beheersing van een onderneming.

2. De Hoge Autoriteit verleent de in het vorige lid bedoelde goedkeuring indien zij van oordeel is, dat de beoogde handeling aan de betrokken personen of ondernemingen, voorzover het betreft dat product of die producten, welke aan haar rechtsmacht zijn onderworpen, niet de macht geeft:

— de prijs te bepalen, de productie of de distributie te beheersen of te beperken, of de handhaving van een daad[ 72 ]werkelijke mededinging voor een belangrijk deel van de markt van genoemde producten, te belemmeren;
— of zich te onttrekken aan de regels van de mededinging, zoals deze voortvloeien uit de toepassing van dit Verdrag, met name door een kunstmatig bevoorrechte positie te scheppen, welke leidt tot een aanmerkelijk voordeel met betrekking tot de voorziening of de afzet.

Bij deze beoordeling houdt de Hoge Autoriteit overeenkomstig het beginsel van non-discriminatie, vermeld in artikel 4, onder b, rekening met de belangrijkheid van de ondernemingen van dezelfde aard welke in de Gemeenschap bestaan, voorzover zij zulks gerechtvaardigd acht om de nadelen, welke uit een ongelijkheid in de concurrentieverhoudingen voortvloeien, te vermijden of op te heffen.

De Hoge Autoriteit kan de goedkeuring binden aan elke voorwaarde, die zij passend acht ter bereiking van de doeleinden van dit lid.

Voordat zij zich uitspreekt over een handeling, welke betrekking heeft, op ondernemingen waarvan er tenminste één buiten de toepassing van artikel 80 valt, verschaft de Hoge Autoriteit zich de opmerkingen van de belanghebbende Regering.

3. De Hoge Autoriteit stelt van de verplichting tot voorafgaande goedkeuring vrij de groepen handelingen, welke naar haar oordeel door het belang van de activa of ondernemingen, waarop zij betrekking hebben, beschouwd in verband met de aard van de concentratie welke zij tot stand brengen, geacht moeten worden te voldoen aan de voorwaarden vereist in het tweede lid. Het reglement, dat te dien einde met instemming van de Raad wordt opgesteld, stelt eveneens de voorwaarden vast, waaraan deze vrijstelling wordt onderworpen. [ 73 ]

4. Onverminderd de toepassing van artikel 47 met betrekking tot de ondernemingen, welke aan haar rechtsmacht zijn onderworpen, kan de Hoge Autoriteit hetzij door een reglement, opgesteld na raadpleging van de Raad en hetwelk de aard van de handelingen, die aan haar moeten worden medegedeeld, nader omschrijft, hetzij door een binnen het kader van dit reglement afzonderlijk tot de belanghebbenden gericht verzoek, van natuurlijke of rechtspersonen, welke de betrokken rechten of activa hebben verkregen of opnieuw gegroepeerd of zullen verkrijgen of opnieuw groeperen, alle voor de toepassing van dit artikel noodzakelijke inlichtingen verkrijgen met betrekking tot handelingen, waarvan verwacht kan worden, dat zij de in het eerste lid bedoelde uitwerking zullen hebben.

5. Indien een concentratie is tot stand gebracht welke naar het oordeel van de Hoge Autoriteit is voltrokken in strijd met de bepalingen van het eerste lid, doch niettemin voldoet aan de voorwaarden, voorzien in het tweede lid, stelt zij de goedkeuring van deze concentratie afhankelijk van de storting door de personen, welke de betrokken rechten of activa hebben verkregen of opnieuw gegroepeerd, van de boete, voorzien in de tweede volzin van het zesde lid, met dien verstande dat in de gevallen, waarin duidelijk blijkt, dat de toestemming had moeten worden gevraagd, het bedrag hiervan niet lager kan zijn dan de helft van het maximum, voorzien in genoemde alinea. Bij gebreke van deze storting past de Hoge Autoriteit de maatregelen toe, welke hierna voorzien zijn ten aanzien van als ongeoorloofd aangemerkte concentraties.

Indien een concentratie is tot stand gebracht, welke naar het oordeel van de Hoge Autoriteit niet kan voldoen aan de algemene of bijzondere voorwaarden, waaraan een goedkeuring uit hoofde van het tweede lid zou zijn onderworpen, stelt zij door een met redenen omklede beschikking het ongeoorloofde karakter van deze concentratie vast en gelast, na de belanghebbenden in staat gesteld te hebben hun op[ 74 ]merkingen naar voren te brengen, de scheiding van de ondernemingen of activa, welke onrechtmatig verenigd zijn of de beëndiging van de gemeenschappelijke beheersing en al datgene, dat zij passend acht om de onafhankelijke exploitatie van de betrokken ondernemingen of activa te herstellen en de normale concurrentieverhoudingen te doen herleven. Iedere rechtstreeks belanghebbende kan tegen deze beschikkingen beroep instellen overeenkomstig de bepalingen van artikel 33. In afwijking van genoemd artikel heeft het Hof volledige bevoegdheid om te beoordelen, of de voltrokken handeling het karakter heeft van een concentratie in de zin van het eerste lid van dit artikel en de ter toepassing daarvan uitgevaardigde reglementen. Het beroep heeft opschortende werking. Het kan slechts ingesteld worden, nadat de hierboven voorziene maatregelen gelast zijn, behoudens toestemming van de Hoge Autoriteit, voor het instellen van een afzonderlijk beroep tegen de beschikking, welke de handeling ongeoorloofd verklaart.

De Hoge Autoriteit kan te allen tijde en behoudens mogelijke toepassing van de bepalingen van de derde alinea van artikel 39, die conservatoire maatregelen nemen of uitlokken, welke zij noodzakelijk acht om de belangen van mededingende ondernemingen en van derden te beschermen en om iedere actie te voorkomen, welke moeilijkheden in de weg zou kunnen leggen aan de uitvoering van haar beschikkingen.

Tenzij het Hof anders beslist, heeft een beroep geen opschortende werking t.a.v. de aldus getroffen conservatoire maatregelen.

De Hoge Autoriteit staat aan de belanghebbenden voor de uitvoering van haar beschikkingen een redelijke termijn toe, bij overschrijding waarvan zij dwangsommen tot een bedrag van 1‰ van de waarde der betrokken rechten of activa per dag kan opleggen.

Indien de belanghebbenden in gebreke blijven hun verplichtingen na te komen, neemt de Hoge Autoriteit boven[ 75 ]dien zelf maatregelen van tenuitvoerlegging; zij kan met name:

in de ondernemingen, welke aan haar rechtsmacht zijn onderworpen, de uitoefening van de aan de onregelmatig verkregen activa verbonden rechten opschorten, de gerechtelijke benoeming van een beheerder over deze activa uitlokken.
de gedwongen verkoop ervan doen plaatsvinden onder voorwaarden, welke de rechtmatige belangen van hun eigenaars beschermen, en
met betrekking tot natuurlijke of rechtspersonen, welke door middel van de ongeoorloofde handeling de rechten of activa hebben verkregen, de handelingen, beslissingen, resoluties of besluiten van de besturende organen der ondernemingen, welke onderworpen zijn aan een onregelmatig tot stand gekomen beheersing, vernietigen.

De Hoge Autoriteit is bovendien bevoegd aan de belanghebbende deelnemende Staten de noodzakelijke aanbeveling te doen, teneinde in het kader van de nationale wetgevingen de uitvoering van de maatregelen voorzien in de voorafgaande alinea's te verkrijgen.

Bij de uitoefening van haar bevoegdheden houdt de Hoge Autoriteit rekening met de te goeder trouw verkregen rechten van derden.

6. De Hoge Autoriteit kan boeten opleggen tot een bedrag van:

3% van de waarde van de verkregen of opnieuw gegroepeerde of te verkrijgen of opnieuw te groeperen activa, aan natuurlijke of rechtspersonen, die zich onttrokken hebben aan de verplichtingen voortvloeiende uit het vierde lid; [ 76 ]
10% van de waarde van de verkregen of opnieuw gegroepeerde activa aan de natuurlijke of rechtspersonen, die zich onttrokken hebben aan de verplichtingen voortvloeiende uit het eerste lid welk maximum na de twaalfde maand, welke op , de voltrekking van de handeling volgt, wordt verhoogd met een 24e voor elke vanaf dat tijdstip tot aan de vaststelling van de overtreding door de Hoge Autoriteit verstreken maand;
10% van de waarde van de verkregen of opnieuw gegroepeerde of te verkrijgen of opnieuw te groeperen activa aan natuurlijke of rechtspersonen, die door middel van onjuiste of misleidende gegevens voordeel van de bepalingen van het tweede lid hebben verkregen of getracht te verkrijgen;
15 % van de waarde van de verkregen of opnieuw gegroepeerde activa aan ondernemingen, welke aan haar rechtsmacht zijn onderworpen en die deelgenomen hebben aan of zich geleend hebben tot het voltrekken van handelingen, strijdig met de bepalingen van dit artikel.

Overeenkomstig de bepalingen van artikel 36 staat aan personen, die getroffen zijn door de in dit lid genoemde straffen, beroep open bij het Hof.

7. Indien de Hoge Autoriteit van oordcel is, dat ondernemingen van publiekrechtelijke lichamen of van particulieren in rechte of in feite op de markt van een der producten welke aan haar rechtsmacht zijn onderworpen een overheersende positie innemen of verkrijgen, welke hen aan een daadwerkelijke mededinging op een belangrijk gedeelte van de gemeenschappelijke markt onttrekt en deze positie gebruiken voor doeleinden, strijdig met de doelstellingen van dit Verdrag, richt zij tot hen alle aanbevelingen dienstig om te bereiken, dat deze positie niet gebruikt wordt voor die doeleinden. Bij gebreke van een bevredigende uitvoering [ 77 ]van genoemde aanbeveling binnen een redelijke tijd, stelt de Hoge Autoriteit door middel van in overleg met de betrokken Regering gegeven beschikkingen de prijzen en verkoopvoorwaarden, welke de bedoelde onderneming moet toepassen, vast, of stelt de- productie- of afleveringsprogramma's op, welke deze onderneming moet uitvoeren; een en ander onder de strafbedreigingen voorzien onderscheidenlijk in de artikelen 58, 59 en 64. [ 78 ]

HOOFDSTUK VII
AANTASTING VAN DE CONCURRENTIEVERHOUDINGEN

Artikel 67

1. Iedere maatregel van een deelnemende Staat, welke een merkbare terugslag te weeg zou kunnen brengen in de concurrentieverhoudingen van de kolenmijn- of staalindustrie, moet door de belanghebbende Regering ter kennis van de Hoge Autoriteit worden gebracht.

2. Indien een dergelijke maatregel van zodanige aard is, dat hij een ernstige verstoring van het evenwicht kan veroorzaken door een belangrijke vergroting van de verschillen tussen de productiekosten, anders dan door een wijziging in het rendement der productiefactoren, kan de Hoge Autoriteit na raadpleging van het Raadgevend Comité en de Raad de volgende maatregelen nemen:

Indien de overheidsmaatregel schade toebrengt aan de ondernemingen in de kolenmijn- of staalindustrie, welke aan de rechtsmacht van de bedoelde Staat zijn onderworpen, kan de Hoge Autoriteit de Staat machtigen deze ondernemingen steun te verlenen, waarvan grootte, voorwaarden en duur in overeenstemming met haar worden vastgesteld. Dezelfde bepalingen zijn van toepassing in geval van wijzigingen van lonen en arbeidsvoorwaarden, die hetzelfde gevolg hebben, zelfs indien deze niet door overheidsingrijpen zijn veroorzaakt. [ 79 ]

Indien de overheidsmaatregel schade toebrengt aan ondernemingen in de kolenmijn- of staalindustrie, welke aan de rechtsmacht van andere deelnemende Staten zijn onderworpen, doet de Hoge Autoriteit een aanbeveling aan die Staat, teneinde hierin te voorzien door maatregelen, welke deze Staat het meest verenigbaar acht met zijn eigen economisch evenwicht.

3. Indien de overheidsmaatregel de verschillen in productiekosten vermindert, doordat zij bijzondere voordelen verleent of bijzondere lasten oplegt aan de ondernemingen in de kolenmijn- en staalindustrie welke aan haar rechtsmacht zijn onderworpen, vergeleken met de andere industrieën van hetzelfde land, is de Hoge Autoriteit, na raadpleging van het Raadgevend Comité en de Raad, bevoegd de noodzakelijke aanbevelingen aan de desbetreffende Staat te doen. [ 80 ]

HOOFDSTUK VIII
LONEN EN MIGRATIE VAN WERKNEMERS

Artikel 68

1. De wijze van tot standkomen van lonen en sociale voorzieningen, gebruikelijk in de onderscheidene deelnemende Staten, wordt voorzover het betreft de kolenmijn- en staalindustrie, door de toepassing van dit Verdrag niet aangetast, behoudens de volgende bepalingen.

2. Indien de Hoge Autoriteit van oordeel is, dat abnormaal lage prijzen, welke door een of meer ondernemingen worden berekend, een gevolg zijn van door deze ondernemingen vastgestelde lonen, welke in vergelijking met het gebruikelijke loonpeil in het betrokken gebied abnormaal laag zijn, doet zij aan deze ondernemingen, na raadpleging van het Raadgevend Comité, de nodige aanbevelingen. Indien de abnormaal lage lonen een gevolg zijn van overheidsmaatregelen, treedt de Hoge Autoriteit in overleg met de belanghebbende Regering; bij gebrek aan overeenstemming kan zij na raadpleging van het Raadgevend Comité aan deze Regering een aanbeveling doen.

3. Indien de Hoge Autoriteit van oordeel is, dat een loonsverlaging een verlaging van de levensstandaard van de werknemers met zich medebrengt en tevens gebruikt wordt als middel voor een blijvende economische aanpassing der ondernemingen of als concurrentiemiddel tussen de ondernemingen, doet zij, na raadpleging van het Raadgevend [ 81 ]Comité, aan de belanghebbende onderneming of Regering een aanbeveling, teneinde aan de betrokken werknemers ter compensatie van deze verlaging bepaalde voordelen te verzekeren ten laste van de onderneming.

Deze bepaling is niet van toepassing:

a. op de algemene maatregelen, die door een deelnemende Staat worden toegepast om zijn evenwicht ten opzichte van het buitenland te herstellen, onverminderd in dit laatste geval de eventuele toepassing van de bepalingen van artikel 67;
b. op de loonsverlagingen voortvloeiende uit de toepassing van een glijdende loonschaal, welke wettelijk of bij overeenkomst is vastgesteld;
c. op de loonsverlagingen, welke het gevolg zijn van een daling van de kosten van levensonderhoud;
d. op de loonsverlagingen, toegepast ter correctie van vroegere abnormale verhogingen opgetreden onder buitengewone omstandigheden, welke opgehouden hebben te bestaan.

4. Afgezien van de gevallen, voorzien onder a en b in het voorafgaande lid, moet iedere loonsverlaging, welke alle of een belangrijk gedeelte van de werknemers van een onderneming betreft, medegedeeld worden aan de Hoge Autoriteit.

5. De aanbevelingen, welke in de voorafgaande leden zijn voorzien, kunnen door de Hoge Autoriteit slechts worden gedaan na raadpleging van de Raad, tenzij deze worden gericht tot ondernemingen, die niet een bepaalde, in overeenstemming met de Raad vast te stellen, betekenis hebben.

Indien in een van de deelnemende Staten een wijziging van de voorschriften met betrekking tot de financiering van [ 82 ]de sociale voorzieningen, of de middelen ter bestrijding van de werkloosheid en de gevolgen daarvan of een wijziging in de lonen de gevolgen heeft, welke in het tweede en derde lid van artikel 67 zijn bedoeld, is de Hoge Autoriteit bevoegd de bepalingen van dat artikel toe te passen.

6. Indien de ondernemingen niet handelen overeenkomstig de aanbevelingen, die hun zijn gedaan in verband met de toepassing van dit artikel, kan de Hoge Autoriteit hun boeten en dwangsommen opleggen tot het dubbele van het bedrag van het op de kosten van de arbeid ten onrechte bespaarde bedrag.

Artikel 69

1. De deelnemende Staten verbinden zich, ten aanzien van de werknemers die de nationaliteit van een der deelnemende Staten bezitten en geschoold zijn voor een beroep in de kolenmijn- en staalindustrie, elke op de nationaliteit van deze werknemers gegronde beperking met betrekking tot hun tewerkstelling in deze industrieën op te heffen, behoudens de uit de noodzakelijke zorg voor de openbare orde en de volksgezondheid voortvloeiende beperkingen.

2. Voor de toepassing van deze bepaling zullen zij gemeenschappelijk de verschillende soorten van vakarbeid en de kenmerken van vakbekwaamheid omschrijven, bij onderlings overeenstemming de beperkingen, voorzien in het voorafgaande lid, vaststellen en onderzoeken, op welke wijze het technisch mogelijk gemaakt kan worden het aanbod en de vraag op de arbeidsmarkt in de gehele Gemeenschap tot elkaar te brengen.

3. Bovendien zullen de deelnemende Staten voor de andere categorieën werknemers, dan die bedoeld in het voorgaande lid, in het geval dat de ontwikkeling van de productie in de kolenmijn- en staalindustrie geremd zou worden, door een [ 83 ]tekort aan daartoe geschikte werknemers, hun immigratiebepalingen zodanig aanpassen, dat een einde aan deze toestand wordt gemaakt; in het bijzonder zullen zij de herplaatsing van werknemers uit de kolenmijn- en staalindustrie van andere deelnemende Staten vergemakkelijken.

4. De deelnemende Staten zullen met betrekking tot lonen en arbeidsvoorwaarden iedere discriminatie tussen nationale werknemers en geïmmigreerde werknemers verbieden, onverminderd bijzondere maatregelen met betrekking tot grensarbeiders; in het bijzonder zullen zij onderling nagaan welke regelingen noodzakelijk blijven teneinde te voorkomen, dat de bepalingen met betrekking tot de sociale zekerheid een belemmering vormen voor de verplaatsing van werknemers.

5. De Hoge Autoriteit moet aan de handelingen van de deelnemende Staten, bij de toepassing van de in dit artikel voorziene maatregelen, richting geven en deze vergemakkelijken.

6. Dit artikel tast de internationale verplichtingen van de deelnemende Staten niet aan. [ 84 ]

HOOFDSTUK IX
VERVOER

Artikel 70

Erkend wordt, dat de instelling van de gemeenschappelijke markt noopt tot het toepassen van zodanige vervoertarieven voor kolen en staal, dat aan verbruikers, die in overeenkomstige omstandigheden verkeren, overeenkomstige tarieven worden berekend.

Met betrekking tot het vervoer tussen de deelnemende Staten zijn met name verboden discriminaties in vrachtprijzen en vervoersvoorwaarden, van welke aard dan ook, welke zijn gebaseerd op het land van oorsprong of bestemming van de producten. De opheffing van deze discriminaties brengt in het bijzonder de verplichting mede om ten aanzien van het vervoer van kolen en staal, afkomstig uit of bestemd voor een ander land van de Gemeenschap, de schalen, vrachtprijzen en tariefbcpalingen van welke aard dan ook toe te passen, welke geldig zijn voor het binnenlandse vervoer van dezelfde producten, wanneer deze over het zelfde traject worden vervoerd. [ 85 ]

De schalen, vrachtprijzen en tariefbepalingen, van welke aard dan ook, welke van toepassing zijn op het vervoer van kolen en staal binnen ieder land afzonderlijk en tussen de landen van de Gemeenschap, worden openbaar gemaakt of ter kennis gebracht van de Hoge Autoriteit.

De toepassing van bijzondere binnenlandse vervoertarieven, in het belang van een of meeijfproducenten van kolen of staal, is onderworpen aan voorafgaande goedkeuring van de Hoge Autoriteit, die zich ervan overtuigt, dat zij overeenstemmen met de beginselen van dit Verdrag; zij kan haar goedkeuring tijdelijk of voorwaardelijk verlenen.

Onder voorbehoud van de bepalingen van dit artikel, alsmede van de overige bepalingen van dit Verdrag, blijft het vervoerbeleid, met name de opstelling en wijziging van de vrachtprijzen en vervoersvoorwaarden, van welke aard dan ook, alsmede de bemoeienis met de vrachtprijzen ter verzekering van' het financiële evenwicht van de vervoersondernemingen, onderworpen aan de wettelijke bepalingen of uitvoeringsvoorschriften van elk der deelnemende Staten; dit geldt eveneens voor de maatregelen met betrekking tot coördinatie of mededinging tussen de verschillende takken van vervoer of tussen de verschillende vervoerswegen. [ 86 ]

HOOFDSTUK Χ
HANDELSPOLITIEK



Artikel 71

Op de bevoegdheid van de Regeringen der deelnemende Staten met betrekking tot de handelspolitiek wordt door de toepassing van dit Verdrag geen inbreuk gemaakt, tenzij dit Verdrag anders bepaalt.

De bevoegdheden op het gebied van de handelspolitiek met betrekking tot derde landen, welke door dit Verdrag aan de Gemeenschap worden verleend, kunnen niet verder gaan dan de bevoegdheden, welke zijn toegekend aan de deelnemende Staten in de internationale overeenkomsten waarbij zij partij zijn, behoudens de toepassing van de bepalingen van artikel 75.

De deelnemende Staten verplichten zich elkaar wederkerig die bijstand te verlenen, welke nodig is voor de toepassing van maatregelen, die door de Hoge Autoriteit in overeenstemming worden geacht met dit Verdrag en met de geldende internationale overeenkomsten. De Hoge Autoriteit is bevoegd voorstellen aan de belanghebbende deelnemende Staten te doen met betrekking tot de wijze, waarop deze wederzijdse bijstand kan worden verleend.

Artikel 72

Op voorstel van de Hoge Autoriteit of op verzoek van een deelnemende Staat kunnen, bij eenstemmig besluit van [ 87 ]de Raad, worden vastgesteld: minimum tarieven, beneden welke de deelnemende Staten zich verbinden hun douanerechten op kolen en staal tegenover derde landen niet te verlagen en maximum tarieven, boven welke zij zich verbinden deze rechten niet te verhogen.

Binnen de grenzen, welke bij een dergelijk besluit zijn vastgesteld, kan iedere Regering haar tarieven bepalen volgens haar nationale wettelijke voorschriften. De Hoge Autoriteit kan op eigen initiatief of op verzoek van een deelnemende Staat een advies geven tot wijziging van de tarieven van de desbetreffende Staat.

Artikel 73

Het beheer over de in- en uitvoervergunningen in de betrekkingen met derde landen berust bij de Regering, op wier grondgebied de plaats van bestemming van de invoer of de plaats van oorsprong van de uitvoer is gelegen.

De Hoge Autoriteit is bevoegd toezicht te houden op het beheer van en de controle op bedoelde vergunningen, voorzover deze betrekking hebben op kolen en staal. Zij doet, voorzover nodig na raadpleging van de Raad, aanbevelingen aan de deelnemende Staten zowel om te vermijden dat de genomen maatregelen verdergaande beperkingen met zich medebrengen dan de toestand, die het instellen of handhaven daarvan rechtvaardigt, nodig maakt, als om een coördinatie van de maatregelen, welke genomen zijn op grond van de derde alinea van artikel 71 en op grond van artikel 74, te verzekeren.

Artikel 74

In de hieronder vermelde gevallen is de Hoge Autoriteit bevoegd alle maatregelen te nemen overeenkomstig dit Verdrag en met name in overeenstemming met de in artikel 3 [ 88 ]omschreven doelstellingen benevens aan de Regeringen alle aanbevelingen te doen overeenkomstig de bepalingen van de tweede alinea van artikel 71:

  1. Indien wordt vastgesteld, dat dumping of andere practijken, welke door het Handvest van Havana zijn veroordeeld, worden toegepast door landen, welke geen lid van de Gemeenschap zijn of door ondernemingen in die landen;
  2. Indien er een verschil bestaat tussen de aanbiedingen van ondernemingen, welke niet aan de rechtsmacht van de Gemeenschap zijn onderworpen, en de aanbiedingen van die ondernemingen, welke wel hieraan zijn onderworpen, terwijl dit verschil uitsluitend toe te schrijven is aan het feit, dat de aanbiedingen van de eerstgenoemden berusten op concurrentieverhoudingen, welke strijdig zijn met de bepalingen van dit Verdrag ;
  3. Indien een van de producten, vermeld in artikel 81 van dit Verdrag, in het gebied van een of meer deelnemende Staten wordt ingevoerd in verhoudingsgewijs toegenomen hoeveelheden en onder zodanige voorwaarden, dat daardoor ernstig nadeel wordt of dreigt te worden berokkend aan de productie van overeenkomstige of rechtstreeks concurrerende artikelen in het gemeenschappelijke marktgebied.

Aanbevelingen tot het instellen van kwantitatieve beperkingen krachtens het hierboven onder 2 vermelde, kunnen echter niet worden gedaan, dan met instemming van de Raad en krachtens het hierboven onder 3 vermelde slechts, indien aan de bepalingen van artikel 58 is voldaan.

Artikel 75

De deelnemende Staten verplichten zich de Hoge Autoriteit in kennis te stellen van te sluiten handelsovereenkomsten,of regelingen met een soortgelijke strekking, voorzover deze betrekking hebben op kolen en staal of de invoer [ 89 ]van andere grondstoffen en speciale uitrusting voor de productie van kolen en staal in de deelnemende Staten.

Indien het ontwerp van een overeenkomst of regeling bepalingen bevat, welke de toepassing van dit Verdrag belemmeren, doet de Hoge Autoriteit binnen tien dagen na de ontvangst van de haar gedane mededeling de noodzakelijke aanbevelingen aan de belanghebbende Staat; in alle andere gevallen kan zij een advies geven.