Vorstenschool

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Vorstenschool[bewerken]

Dit is de naam van het drama dat Multatuli, Eduard Douwes Dekker in 1872 publiceerde in de vierde bundel IDEEN. als Idee 929 en 930

synopsis[bewerken]

In een duits koninkrijk leeft de koning als een vrolijke losbol. Hij houdt van een plezierig leven, feesten en de jacht. Het regeren laat hij over aan zijn eerste minister. Zijn huwelijk is slecht. Voor zijn vrouw heeft hij geen tijd, en zij woont apart in haar eigen kasteeltje ver van het hof. Op een avond is er een spontaan feestje aan het hof, met veel pret en gezang. Maar de eerste minister ontbreekt bij dit partijtje. Enige lakeien worden op pad gestuurd naar het hotel van de man, om hem op te halen. Ze komen onverrichter zake terug. De man was niet thuis, maar in werkelijkheid op werkbezoek bij de koningin. De koning heeft daar geen weet van, en valt uit zijn rol als er gesuggereerd wordt dat de twee "iets" met elkaar hebben.

Een onbekende - kennelijk de eerste minister - verschaft zich een alibi voor die avond, door voor te geven dat hij die avond "prettig" heeft doorgebracht bij een borduurstertje. Een buur van haar krijgt zwijggeld aangeboden. De vrouw komt in problemen, want ze wordt verder nagewezen als dame van lichte zeden door de buurt. Zezelf weet echter van niets. Ze woont samen met haar broer, na de dood van hun ouders, en is verloofd met een vriend van haar broer. Haar broer, die aan zijn stervende vader beloofd voor zijn zus en haar eer te zullen zorgen, gaat op onderzoek uit, en ontdekt dat het de eerste minister moet zijn geweest.

Er zijn hofintriges over en weer, om de eerste minister "pootje te lichten", of juist in het zadel te houden. Na wat verwikkleingen wordt uiteindelijk de schuldige gestraft, en het meisje in haar eer hersteld.

ontstaansgeschiedenis[bewerken]

druk-geschiedenis[bewerken]

eerste druk IDEEN-IV, 1872[bewerken]

Vorstenschool verscheen voor het eerst in druk in 1872, bij G. L. Funke. Het is dan deel van IDEËN-bundel-IV.

Dit boek werd gedrukt bij Woest en Co. te Haarlem. Het formaat van deze eerste druk is 15 ^ 22.5 cm, iets royaler dan de herdrukken.

Het boek werd in delen uitgegeven:

  • 1e stuk: 14 (?) okt, blz. 1-104, (VW-XV, p. 371)
  • 2e stuk: 22 okt, blz. 105-204, prijs f 1,- (VW-XV, p. 423)
  • 3e stuk: 24 dec, blz. 205-300, prijs f 1,- (VW-XV, p. 540)
  • 4e stuk: 3 jan, 1973, blz. 301-416, (VW, XV, p 562)

Vel 2 tot en met vel 8 en de pagina's 121 t/m 124 daarvan worden 500 vel extra afgedrukt. 500 vel wordt een riem genoemd. Een "Amsterdamsche riem" is trouwens 550 vel groot.

Overdruk VS, 1875[bewerken]

Reeds de eerste uitgaaf van IDEEN-bundel IV, speelt Funke met het idee om VS ook apart uit te geven. En laat daarom met toestemming van de auteur van elk vel 500 stuks extra drukken. Met het doel, snel een oplaag VS te kunnen uitbrengen, vlak voor het drama zou worden uitgevoerd. Die vellen blijven heel lang op de plank liggen. Niemand durft een integrale opvoering aan.

Pas februari 1875 komt deze separate druk in de handel

tweede druk IDEEN-IV, 1874[bewerken]

Aangezien er veel belangstelling is voor Vorstenschool, werd de vierde Ideën-bundel zeer goed verkocht. Eind 1873 meldt Funke dat er spoedig een tweede druk nodig zal zijn. Het formaat is kleiner dan dat van de eerste druk: post-octavo: 14 * 20 cm. Deze druk wordt uitgegeven in twee delen:

27 oktober 1874, Multatuli, Ideën 2e druk IVe bundel 1e stuk, Amsterdam, G. L. Funke, (Blz. 1-160) prijs f 1,-

8 december 1874, Multatuli, Ideën, Tweede door den auteur herziene druk, Vierde Bundel, 2e stuk, Amsterdam, G.L.Funke, (Blz. 161-362) prijs f 1,25

Al snel nadat deel 1 is uitgekomen, ontdekt Multatuli tot zijn schrik, dat er op pagina 92 in het toneelstuk een regel is weggevallen. Mocht het stuk worden uitgevoerd... Daarom wordt achterin het tweede deel het volgende erratum opgenomen:

Op blz. 92 gelieve men na: Juist daarom

intevullen den regel: Werp ik myzelf geen bloedschuld op 't geweten !

derde herziene druk IDEËN-IV,1874/75[bewerken]

Er was heel wat belangstelling voor Multatuli's drama, maar wie Vorstenschool wilde lezen, kon - tot 1874 - enkel dat doen door de dure eerste druk van Bundel-IV te kopen of te lenen. Bijgevolg verkocht deze bundel veel beter dan de andere nummers van deze reeks.

Funke werd nu geconfronteerd met een klein probleem: er was vraag naar complete sets IDEËN-bundels I tot en met VII in de eerste druk. Hij beschikte nog over exemplaren I, II en III. Deel V, VI en VII die waren net uit. Maar bundel-IV, daarvan was de eerste druk schoon op. Maar aangezien de nadrukken een kleiner formaat hadden dan de eerste drukken, pasten die niet tussen een rijtje eerste drukken, en dus werd de reeks praktisch onverkoopbaar.

De "derde herziene druk" voorzag hierin: het zetsel van de tweede druk die toch nodig was, werd een tweede maal gebruikt: tussen de regels van het zetsel werd 2 punt interlinie (loden plaatjes van 2 punt dik) was toegevoegd, werd het zetsel nogmaals afgedrukt.

Hierdoor kregen de pagina's eenzelfde uiterlijk als de eerste drukken. De pagina's veranderen natuurlijk door deze ingreep. Bijgevolg is ook de tekst van het "erratum" veranderd. De katern-signaturen en de titel-pagina werden aangepast, en zo werd het hele boek nogmaals afgedrukt.

Mogelijk lijkt dit - op papier - een vrij eenvoudige ingreep. Maar in een negentiende eeuwse drukkerij, moest alles met de hand worden gezet, en was slechts een beperkte hoeveelheid letter beschikbaar. Hooguit voor hoogstens 4 tot 6 vel. Voor die drukker betekende dit een hele zware opgaaf. Zetsel moest direkt na het drukken weer afgebroken "gedistribueerd", anders was er niet genoeg letter voor de volgende vellen van 16 pagina's. De indeling van de pagina's veranderde, de letter bleef langer in het zetsel.

Hoeveel exemplaren ervan zijn gedrukt, waarschijnlijk niet veel meer dan het overschot Meijer-drukken van Bundel I en II. Want zoveel waren er daar niet meer van over.

Op dit moment zijn er slechts 2 exemplaren van deze editie bekend. Een daarvan bevindt zich in de collectie van het Multatuli-Museum in Amsterdam, de ander is privé-bezit.

Tweede druk VS, 1875[bewerken]

Ook deze uitgaaf is - net als de "derde herziene druk" afkomstig van het veranderde zetsel van de tweede druk van IDEËN-bundel IV. Enkel de eerste vier pagina's zijn opnieuw gezet, om de vet-gedrukte cijfers te verwijderen uit de tekst waarmee de Ideën genummerd worden.

Handzetsel bevat snel fouten, zo ook hier, een nootje is weggevallen, en in een andere noot is het woord "Zaun" veranderd in "Zaan". Het "erratum" achterin ontbreekt volledig.

Hoeveel de oplaag bedroeg is onbekend, mogelijk 500 stuks, een gebruikelijk aantal in die tijd. Maar het kan heel goed een veelvoud ervan geweest zijn. Exemplaren van deze druk zijn niet zeer zeldzaam bij antiquaren te vinden, ze zijn zeker niet zeldzamer dan de "Overdruk".

Met enige nadruk moet hier worden opgemerkt, dat dit een "ongeautoriseerde" uitgaaf is. De auteur was niet op de hoogte, en heeft ook nooit toestemming gegeven voor deze editie. Hetzelfde geldt ook voor de "derde herziene druk" van bundel-IV, die kan beschouwd worden als een luxe versie van de wel geautoriseerde "tweede druk".

Voorwoord Overdruk VS, 1875[bewerken]

Voorjaar 1875 ontstaan er plannen voor een uitvoering. Funke, die de vellen van het drama uit 1872 nog op de plank heeft liggen, stelt voor die zonder voorwoord te binden en in de verkoop te brengen.

Multatuli protesteert daartegen, op dat moment is de tweede druk al lang en breed klaar, en in de tekst zijn vele veranderingen doorgevoerd. Een koper van de separate uitgaaf zou zich bekocht kunnen voelen. Na veel aandringen zwicht Funke, en Multatuli maakt een nieuw voorwoord, waarin hij ook aangeeft wat de belangrijkste veranderingen in de tweede druk zijn.

Februari 1875 komt deze separate druk in de handel. En heel waarschijnlijk zijn de exemplaren van de "tweede druk" tegelijk in de verkoop gegaan.

Vierde druk VS, 1875[bewerken]

De verkoop van de separate uitgave van VS gaat zeer voorspoedig, wanneer eenmaal voorjaar 1875 het stuk wordt uitgevoerd door het Rotterdamse gezelschap van LeGras en Haspels.

Funke meldt aan Multatuli dat hij een nieuwe druk nodig heeft. Dekker vraagt direct naar de drukproeven. Funke weigert dit, vanwege de haast die hij heeft. Hijzelf neemt de correctie op zich. Multatuli reist met het gezelschap mee door het land, en logeert steeds in andere steden. Binnen een week wordt het boek gezet, gecorrigeerd en in een oplaag van meer dan 4000 exemplaren gedrukt.

Analyse van de tekst heeft uitgewezen, dat een "tweede druk" is gebruikt als tekstbron voor de zetter. Enkele zetfouten in dat boek zijn onveranderd in de vierde druk overgenomen. Wel is de weggevallen regel uit de tweede druk van de IDEËN-bundel IV hersteld.

9 maart 1875 komt de "vierde druk" uit. (VW-XV, p 503) De volgende dag staat er een advertentie in Het nieuws van den Dag, de krant waarvan Funke de eigenaar is: De 4de druk van dit drama van MULTATULI is heden door den uitgever in bijna alle boekhandels verkrijgbaar gesteld.

de ontbrekende derde druk van Vorstenschool[bewerken]

In het rijtje separate drukken van Vorstenschool ontbreekt een derde druk. Pas in 1998 werd er een exemplaar van de "tweede druk gevonden. Maar een derde druk heeft er - met enige zekerheid - zelfs nooit bestaan.

Eerdere bibliograven als De Mare en Garmt Stuiveling hadden eenzelfde probleem. Garmt lost het op door in zijn "verantwoording" slechts drie separate drukken te vermelden, en de namen van de drukken niet te vermelden.

Van Vorstenschool verschenen tijdens Mulatuli's leven drie afzonderlijke drukken: (Februari) 1875, (Maart) 1875, en 1879, alle bij G.L. Funke, Amstterdam

Waarop dit doelt is niet geheel duidelijk. De "vierde" en de "vijfde" druk waren toch beide in maart.

zie: "Volledige werken van Multatuli", G.A. Van Oorschot, Amsterdam 1952, deel 6, p. 759

De Mare plaats in zijn bibliografie, de drie drukken van de IDEËN-bundels, vóór de drie separate drukken, die hij kende: 1875/1875/1877. Optisch ziet het er aardig uit, maar een derde druk, die pas veschijnt als er al twee jaar een "zesde druk is...

zie: A.J. de Mare, Lijst der geschriften van en over Eduard Douwes Dekker, E.J. Brill, Leiden, 1948, p. 55


Vijfde druk VS, 1875[bewerken]

Vrij snel na het uitkomen van de vierde druk, was er al een vijfde druk nodig. Pas nu was er ook voldoende tijd voor auteurs-correcties. Multatuli informeert bij Funke naar een aantal exemplaren van de "Overdruk". Enkel daarvan heeft Dekker weet. En juist in de "overdruk" stond het aangepaste voorwoord, waarover Dekker juist zo tevreden was...

Funke stuurt aan Dekker twee boekjes separate drukken VS. Maar de schrijver is zeer ontevreden met wat hij ontvangen heeft, en schrijft 20 maart 1875 terug aan Funke: (zie: VW-XVII p 535)

Bezig met het beloofde arrangement &c van 't Voorbericht, merk ik dat in de beide Exx. die ge my meebracht

1 vierde druk

1 overdrukt uit den IV bundel Ideen

niet staat overgenomen wat ik schreef en byvoegde in de 3n (?) druk. Nu moet ik eerst uit om er een te koopen, ten einde die wyzigingen overtenemen. Ik heb moeite te zien. (eerst om 1/2 6 in den morgen thuis van Delft!) - 't Kontrarieert me nu erg dat allebei die drukken zo inkompleet als 't ware de wereld ingingen. Ik kan nu niet meer wijs uit de veranderingen. - Ik doe beter U m'n arrangement te zenden met uitdrukkelijk verzoek tot grondslag te nemen den 2(?) druk. Ik bedoel die waarin voorkomt: Onverschillig of ze op 'n troon zitten of aan de letterbak staan' & de noot over het Tooneelverbond. Ik ben doodmoe.

ttDD

Ik wil graag proef ontv. en zal terstond terugzenden. Ter voorkoming van uitlatingen die me later hinderen, is 't noodig!

Kennelijk is de tweede druk VS verkocht in dezelfde papieromslag als de "Overdruk", anders val het bovenstaande niet uit te leggen. Die "overdruk" die krijgt Dekker echter niet meer in handen. De zin over troon en letterbak komt niet meer terug in de latere uitgaven.

Ook van de vijfde druk worden enkele duizenden exemplaren gedrukt, veel meer dan in die tijd gebruikelijk was. Funke had z'n bestseller, en Multatuli deelde mee in de winst.

Bloemlezing Heloïse, 1876[bewerken]

In deze bloemlezing komt ook een stuk voor uit Vorstenschool. Het is een deel van de monoloog van Louise, onder de titel "Roeping van Hooggeplaatsten". Daarin zet Multatuli zijn ideeën uiteen over leiderschap. Het begint met de regels:

De Vorsten kennen 't Volk niet, dat hen voedt.
Ze omringen zich met een kordon van Mid-
delmatigheid die door gebrek aan zwaarte
Omhoog viel...

En eindigt met:

Maar ingeschreven in de annalen van
De Mensheid, is die naam nog altyd niet...
En dáár behoort hij!
1867

De tekst bevat weinig afwijkingen en heeft geen plaats in de tekst-ontwikkeling van Vorstenschool. Deze tekst behoort wel tot de eerste gedeelten van het drama, die Multatuli schreef. Lang vóór het stuk in druk verscheen, las Dekker hieruit voor op zijn lezingen in het land.

Derde druk IDEEN-IV, 1877[bewerken]

De tekst-bron voor deze druk was de tweede druk van de IDEEN-bundel uit 1874. En niet de vijfde druk van VS, de tekstveranderingen daar komen niet terug in deze druk.

Zesde druk VS, 1879[bewerken]

Hier is de tekstbron voor de drukker wel de vijfde uit 1875 van de separate druk van VS. Multatuli begint wel aan de correctie, maar kan die niet afmaken. Uiteindelijk neemt Funke de correctie over, aangezien de drukkerij veel te lang moet wachten. Waar precies Multatuli is opgehouden, is niet helemaal uit te maken. Deze versie kan daarom niet doorgaan voor de "ausgabe letzter hand".

Le Grain de Sable[bewerken]

Dit verhaal van Michel Masson, of: Auguste Michel Benoît Gaudichot (1800-1883, Parijs) als deel van de verhalenbundel "Daniel le Lapidaire ou les Contes de l'Atelier" in 1830 voor het eerst verscheen, las Multatuli in zijn jeugd, voor hij in 1837 door zijn vader als lichtmatroos werd meegenomen naar het voormalig Nederlands-Indie.

Bij het ontwerp van de plot voor Vorstenschool heeft Douwes Dekker zwaar geleund op de verhaallijn in dit Franse verhaal.

Multatuli bekent in zijn brieven aan bijvoorbeeld Conrad Busken Huet zijn schatplichtigheid. Maar hij maakt daarvan geen melding in het voorwoord van Vorstenschool. Daar verwijst hij naar "de arabische vertellingen", wat nu bekend staat als "de verhalen van Duizend en een Nacht". En probeert zo de lezer op een verkeerd been te zetten.

Reeds in 1880 was een Belgische schrijver J. Steas de overeenkomsten al opgevallen. In een klein stukje in "de Vlaamsche School" [1] stipt Steas dat aan. Met Multatuli's drama is Steas toch nog zeer ingenomen.

Voor Dekker heeft het geen consequenties, het artikeltje wordt verder genegeerd. Pas in 1905 kan Kok in "multatuliana" zich er boos over maken. Daarna is het evenwel weer oorverdovend stil. Pas in 1950 vermeldt dr. Hans de Leeuwe Masson's verhaal in zijn proefschrift. Het Franse verhaal zelf -- en ook Steas artikeltje uit 1880 -- bleven nog altijd ongelezen. Wel weet de pomovendus te melden, dat Multatuli hooghartig van plagiaat werd beschuldigd... Nu dat woord is bij Steas niet te vinden.

overeenkomsten Le Grain de Sable en Vorstenschool[bewerken]

bibliografie van Vorstenschool-uitgaven[bewerken]

tekst-verantwoording[bewerken]

De onderstaande tekst van het voorwoord is genomen uit de Derde druk van IDEEN-bundel-IV,

die 1877 verscheen. Dit is de "laatste door de auteur herziene uitgaaf".


De negentiende eeuwse spelling is niet gemoderniseerd, ook het gebruik van de y zonder puntjes blijft.


De gebrekkige typografische mogelijkheden van deze pagina's maken het voor dit moment mij nog

onmogelijk, bijvoorbeeld klein-kapitalen weer te geven.


Een auteur als Multatuli maakte zeer veer gebruik van typografische stijlmiddelen om aan

zijn tekst extra betekenis te geven.


Ten overvloede haast, moet er nadrukkelijk op gewezen worden, dat de tekstversie die Garmt Stuiveling

publiceerde in "De volledige Werken" niet kan worden beschouwd als een betrouwbare tekstbron.

referenties en bronnen[bewerken]

  1. J. Steas, Schrijvers en Navolgers, in: De Vlaamsche School, 1880, p. 31

voorwoord[bewerken]

Een zaaier ging uit om te zaaien. JEZUS.

929. Er is veel gekibbeld over den oorsprong onzer denkbeelden. Wat gaat de gedachte

vooraf? Indrukken, ja, maar gewoonlyk geven wy, slordige ziel-ekonomisten, ons zoomin

behoorlyk rekenschap van hunne wording, als van de wys waarop wy ze tot denkbeelden verwerken.

(11, 503, 592)


Hoe, waarom, waaruit, het drama Vorstenschool dat nu volgt, ontstaan is, zou ik niet kunnen

zeggen. De hoofdoorzaak zal wel liggen in aandrang tot scheppen, voortbrengen, vormen... ach,

alles komt op rangschikken neer! Meer kunnen we niet. (244) Waarom zingt de nachtegaal,

waarom krast de raaf?


Meer zou ik kunnen meedeelen over de fata van dit libel Halfgeboren nog, heeft het reeds

vreeselyk gezworven. Op vele plaatsen heb ik het eerste, tweede en vierde bedryf voorgedragen, zoo

goed ik kon. Gemakkelyk was die taak, reeds uit ’n fysisch oogpunt, niet. Vooral niet op plaatsen,

waar ik te doen had met de hoogere beschaving van byzondere soort, die ik eenigszins kenschetste in

610, en die den lezer nader bekend zal wezen, zoodra hy ’n bladzy ouder is. Op weinig

uitzonderingen na, viel me overal ’t hollandsch loon der kunst ten-deel: mooi! Van die uitzonderingen

noem ik ditmaal alleen Arnhem, waar ik uit de houding van ’t publiek zoowel, als uit ’n paar

afkeurende regels in de hoogstliberale courant van dat Geldersch Athene, te weten kwam dat de

mooivinders zich vergist hadden.


Niemand minder dan myzelf is ’t geoorloofd uitspraak te doen in de gewichtige kwestie tusschen «mooi»

of «niet mooi» daar ik allicht, uit doorgaande ontevredenheid met m’n eigen werk (61) partydig

wezen zou aan den Arnhemschen kant Dit gevaar is te grooter, omdat de redaktie van bedoeld blad zich,

niet bepaalde tot ’n ongerechtvaardigde afkeuring -- zoo’n fout wordt slechts door leeken begaan --

doch wel degelyk die afkeuring gemotiveerd heeft op ’n wys, die weinig tegenspraak toelaat. Letterlyk

kan ik de gebezigde uitdrukkingen niet weergeven, omdat de kunstkritiek van die courant in geen enkel

Europeesch muzeum gekolligeerd wordt, en ’t inderdaad voor ieder ander dan de redaktie zelf, moeielyk

wezen zou, een nummer optesporen dat ’n week overleefde.Met vriendelyke uitnoodiging alzoo, ’t

bedoeld artikel, door korrekten herdruk -- ne varietur, asjeblieft ! -- nogmaals ter voorlichting

onder de oogen van ’t Publiek te brengen, wil ik van myn kant die redaktie eenigszins te-hulp komen

in ’t klassiek-maken van haar arbeid, door de mededeeling dat m’n Vorstenschool, of ’n deel daarvan,

of ’n voornaam deel -- summa summarum ’t heele ding om dat deel « beneden de aandacht is van ’n

beschaaft auditorium. » Zóó staat er.


Ziehier dus reeds één verdienste in m’n stuk: het kan dienen als graadmeter van onze beschaving. Wie ’t

met eenig genoegen leest, heeft behoefte aan school, katechizatie en roede. Wie ’t mooi vindt, wordt

van de beurs gedrongen, en in de Societeit gedeballotteerd. *) En mochten er par impossible onverlaten

worden gevonden, die zich aan ’n roekeloos « heel mooi » te-buiten gingen... ze zyn ryp voor het tuchthuis.

  • ) Noot van 1876. De heer Roorda, die zeer keurig is op taal, deelde my de opmerking mede, dat deballotteeren geen woord is. Hy heeft gelyk. Fransch is ’t niet, en hollandsch is ’t ook niet. Maar... als we ’t maakten tot ’n woord ? Wy hechten nu eenmaal daaraan zekere beteekenis, waarvoor we, by al te puristische schifting, ’n lastige omschryving zouden moeten maken.

M’n stuk zal vertaald worden, waarschynlyk byv. in ’t Duitsch. By die gelegenheid hoop ik den vreemdeling ’t

oordeel over de Nederlandsche beschaving gemakkelyk te maken door de mededeeling dat by ons te-lande volgens

de schatting, van ’n hoofdorgaan der liberale party, zulk werk ternauwernood goed genoeg is, of misschien

nog niet eens goed genoeg, voor ’t kanalje.

Mocht daarop die vreemdeling begeerig zyn, ’t zielevoedsel der beschaafden in ons land te leeren kennen,

dan verwys ik hem naar Arnhem, en ik houd me verzekerd dat het kleinste krantenredakteurtje in die stad hem

leveren zal wat-i zoekt.


Minder ingenomen ben ik met ’n ander deel van ’t geslagen vonnis. De Arnhemmer betuigt dat het stuk «den schryver

onwaardig is.» Tegen deze uitspraak moet ik protest aanteekenen. Dat m’n Vorstenschool te laag zou staan voor

den smaak der bewoners van Arnhem en van de redaktie dier courant, kan waar zyn. Ik nam ’t peil dezer beide

autoriteiten in zake « beschaving » niet nauwkeurig genoeg waar, om te beoordeelen hoe hoog iemand of iets

moet geplaatst wezen, om niet in die stad ’n armzalig figuur te maken. Maar Vorstenschool nog beneden myzelf

te stellen, is even onjuist, als dat het boven m’n andere IDEEN zou staan. Wat my betreft, ik verzoek vriendelyk

met ’n even laag merk te worden gebeneficieerd, als aan m’n stuk te-beurt valt. En revanche verbind ik my,

ook de redaktie van de Arnhemsche courant altyd juist even hoog te stellen als háár arbeid, en nooit te beweren

dat ze nog onbeduidender is dan de dingetjes die ze voortbrengt.

930. Ja, habet sua fata ! Maar ik ga die voorby. Ze mochten eens beneden de aandacht wezen van ’n beschaafd

publiek.


Ter inleiding van dit drama, zou ik -- vooral met het oog op den toestand van ons tooneel zoowel, als van ons

dramatisch repertorium - veel te zeggen hebben. Redenen die voor den lezer van minder belang zyn, nopen my de

beschouwingen daarover tot ’n andere gelegenheid uittestellen. Eén zaak echter moet ik reeds nu aanroeren: de

zonderlinge wyze waarop men in ons landje de roeping van den dichter opvat.


By de voordracht van het tweede Bedryf, hebben velen geroepen: dat is de Koning!

Zoogenaamde royalisten -- ikzelf ben royalist, en wel uit liefde voor ’t gemene best ! -- riepen dit met wrevel, met afkeer, byna met woede.

Zoogenaamde demokraten -- ikzelf ben demokraat, en daarom: leve de koning ! - riepen ’t met toejuiching.

Ik verzoek van dien wrevel en van die toejuiching verschoond te blyven.

’t Is me niet gebleken of er ook letterzetters zyn, die in m’n vrind PUF ’n kameraad herkend hebben. Voor zoo’n kameraad zou de herkenning niet vereerend zyn, doch dit mogen de heeren onder elkander uitmaken. Zéker is ’t, dat ik geen enkelen PUF ken. Worden er onder de typografen, luie liederlyke karakterlooze sujetten gevonden... het doet me leed om hunnentwil, doch men duide ’t my niet euvel dat m’n schets op hen gelykt. ’t Ware hùn zaak geweest, zich van ’t gelyken op m’n schets te onthouden. De dichter die slechts zulke verkeerdheden zou mogen aanroeren, als in onze Maatschappy niet gevonden worden, zou ’n schrale keus hebben van ’t bruin dat hem toch onmisbaar is om ’t licht te doen uitkomen, en weldra zou men in alle scheppingen van deze soort, z’n wanhopige toevlucht moeten nemen tot menscheneters. Wie weet of ook deze hulpbron niet spoedig verstopt werd door verwanten van bankiers, die misschien klagen zouden dat men hun familie aan de kaak stelde. *)

  • ) Noot van 1874. Ik verneem dat sommigen tegenwoordig schryven: « op de kaak » op-grond der

beteekenis van 't laatste woord, dat ton zou beduid hebben. Wel mogelyk. Maar thans, meen ik, moesten we ons houden aan de opvatting van de laatste eeuwen, en van onzen tyd. Wy immers nemen sedert lang de bedoelde spreekwys in den zin van: aan den schandpaal. Het opwarmen van archaïsmen is ’n armoedig middeltje om te pronken met wat nieuws. Bovendien, de stipt-etymologische methode in ’t vaststellen der beteekenis van de woorden, levert zonderlinge rezultaten. (V, blz. 321.) Is ’n tuin geen tuin, en town geen stad meer, omdat Zaun eigenlijk: omheining beteekent? Gaarde moet dan evenzeer afgekeurd worden, want ook dit woord doelde eenmaal slechts op bewarende afsluiting. Voor ’t latynsche woord filia zouden we dan geen equivalent hebben, want dochter beteekent melkster. Waar zou het heen? Behalve sommige interjektien en onomatopeën, heeft misschien geen enkel woord z’n oorspronkelyke beteekenis behouden. En wie zal ons zeggen hoe ver we moeten teruggaan ? Indien kaak, dat dan eenmaal ton beteekend zou hebben, naar onze opvatting is veranderd in: schandpaal, kan dat woord, vóór het = ton werd, zeer mogelyk weer ’n andere beteekenis hebben gehad. De zeer aesthetische, doctor in God, V. VLOTEN trekt, naar ik verneem, party voor BILDERDYKS’s -hoogst smaakvolle !-- echt- en slaapkoetsen, omdat men in de zooveelste eeuw... enz. We kennen die pseudo-geleerde praatjes. ’t Woord koets is N. B. van hongaarschen oorsprong. Doch al ware dit anders, wy gewone menschen ryden nu eenmaal in ’n koets, en slapen in ’n bed. Wie dichterlykheid zoekt in ’t verdraaien van zulke dingen, mag ze er mynenthalve in meenen te vinden. Ik benyd hem z’n smaak niet, als ik maar niet hoef meetedoen.

Wat ik over letterzetters opmerkte, is ook op koningen van toepassing. Het rondventen der verkeerdheden van personen als zoodanig, alleen met het doel om den verdoemelyken honger naar de feilen van z’n naaste te stillen, is ’t werk van booswichten, en onder hen nog slechts van dezulken die behoefte voelen aan schandaal, ter aanvulling van ontbrekend talent. Nog altyd meen ik zulke middeltjes niet noodig te hebben -- zie den Arnhemmer, die me boven Vorstenschool stelt – maar ik zou ze blyven versmaden, al bleek er dat Arnhemmer en ik ons vergisten. Het schooljongensachtige: ei kyk, hy heeft ’n vlek op z’n abéboek...ik weet wat van hem...

Nu ja, ik weet iets van U, Nederlanders! Ik weet van u -- de vlek is leelyk ! -- dat ge my, na al wat ik deed, ter verantwoording noopt tegen zulke Kleinstädterei. Ik verzeker u dat onze Koning -- en om zynentwil doet het me hartelyk leed -- my zoo min bekend is als de letterzetter PUF, en dat ik m’n données te hoog gryp, om me bezig te houden met de chronique scandaleuse van personen.

’t Kost me dikwyls reeds moeite genoeg, my neertebuigen de schandaal-kroniek van den heelen tydgeest. Die tydgeest zal, als koningen, als ’n koning, als de Koning, voorbygaan. Myn werk gaat niet voorby. Meent men dat ik marmertomben uitbeitel -- of al waren ’t dan maar zerkjes van zandsteen -- voor vlinders van één dag? Na honderde jaren ’t de vraag niet zyn, of ik my de moeite getroost heb zekeren koning of zekeren letterzetter te bedoelen. Hoogstens zal men vragen, of de koningen die in myn tyd leefden -- hoe heetten ze ook ? -- my behoorlyk hun dank betuigden voor m’n arbeid?

Wie nu, in weerwil van dit alles, in den GEORGE van ’t drama, den tegenwoordigen Koning van Nederland meent te herkennen, wordt uitgenodigd met gelyke scherpzichtigheid te openbaren, wie er dan met LOUISE bedoeld wordt ? Met HANNA? Met den lakei die de kachel aanmaakt? Met den groom van jonker SCHUKENSCHEUER? Met den niet geschoten wolf? Zou dat beest ook misschien de Gemeente-wet beduiden? Of de Brielsche feesten? Of de mazelen der kindertjes van de juffrouw links-achter-boven-voor?

Wel zeker ! En zulke uitpluizers zullen dan met-een ophelderen om welke reden de dichter, wiens fantazie rondgaloppeert in ’t heelal, juist hùn buurtje verhief tot doelwit van de verontwaardiging die z’n verzen maakte. Lieve menschen, ik ken uw heele buurt niet. *) Hemel uw grietjes en mietjes zoo hoog op als ge verkiest, maar ga u in-godsnaam niet inbeelden dat myn FANCY zich met die deerns inlaat.

  • ) Ik erken evenwel, met de toespeling op den schandelyk lagen aanslag van grondeigendom -- geheel afgescheiden natuurlyk van de lyst waarin ik die plaatste -- het oog gehad te hebben op Nederlandsche toestanden. Die uitval is inderdaad aan ’t adres van onze Eerste-Kamerleden.

Wanneer ik iets te zeggen heb aan ’n bepaald persoon, dan noem ik hem by z’n naam. Dat deed NATHAN ook, in Samuel zooveel.

Of er evenwel voor PUF -- en anderen ! -- uit m’n stuk niet iets zou te leeren vallen? Misschien wel. Doch ’t werd niet met dit doel geschreven, om de zeer eenvoudige reden dat ’n artist geen katechizeermeester is. Ik verwys hieromtrent naar een-en-ander dat ik over de roeping der Kunst in m’n vorigen bundel schreef.

Men zegt dat onze grootouders de eerste thee die zy in handen kregen, gereed maakten als spinazie. Ik verzoek m’n drama te lezen, te gebruiken en te beoordeelen als... ’n drama. Om hiertoe eenigermate den weg te wyzen, sla ik by dezen ’n ondertitel voor:

V O R S T E N S C H O O L, OF V L U C H T I G E S C H E T S

VAN ’N PAAR VERSCHILLENDE WYSEN WAAROP HOOGGEPLAATSTE PERSONEN HUN ROEPING ZOUDEN KUNNEN OPVATTEN.

Dit namelyk is, met het oog op ’t program en ’t motto dezer IDEEN, de hoofdzaak, en niet het povere, door LOUISE en my even onachtzaam behandeld, kuiperytje, dat trouwens meermalen - ik meen zelfs in de arabische vertellingen -- tot grondslag van romannetjes gediend heeft.

Noot van 1874. De voorgestelde aanvulling van den titel -- die door den heer VOSMAER zoo grappig-hartelyk wordt afgekeurd had slechts ten-doel-iets als argumentum van ’t stuk te leveren, ’n waarschuwing tegen ’t verwringen tot klein schandaal, van wat ik wenschte te geven als... iets anders. Onnoodig was die waarschuwing voorzeker niet ! Meer nog, er bleek me hier-en-daar dat ze vruchteloos gebleven is. Velen schryven dan ook hieraan toe, dat m'n arme Vorstenschool nog altyd niet werd opgevoerd. Dit is wel jammer voor me. Ik had zoo gaarne myn kontingent bygedragen tot het belangryk onderdeel der nogal noodzakelyke ! --Volksopvoeding, dat SCHOUWBURG heet. Bovendien is me nu de gelegenheid afgesneden, om te leeren welke fouten ik gemaakt heb tegen de eischen van het tooneel. Hoe kan er vooruitgang zyn in ’t vak van tooneelschryvery, indien het ’n auteur niet gegund is z’n arbeid te keuren ? Ziehier dus alweder ’n punt waarin de hollandsche schryver achterstaat by z’n kollegaas in ’t Buitenland. In Frankryk, en zelfs in Duitschland, is ’n nieuw drama van ’n schryver van eenigen naam, ’n evenement. Ten-onzent wordt het in den modder gesmoord. Waarom heeft het «Tooneelverbond» niet, op ’t vertoonen van Vorstenschool aangedrongen ? Nog altyd ben ik bereid, zooveel in myn vermogen is, wenken te geven over de mise en scène en de régie, ofschoon die in ’n zoo eenvoudig gecharpenteerd stuk overbodig moesten zyn.

Ook in dezen herdruk blyf ik tamelyk zuinig met legende. Een kompleete handleiding voor regisseurs, zou misschien de dubbele uitgebreidheid van ’t gansche stuk vorderen, en alzoo noopte my de vrees voor overbodige aanduiding -- 'n hollandsch tooneelschryver tast in ’t blinde! -- tot onthouding, misschien ook van ’t niet-overbodige. Men bedenke overigens dat myn werken als lektuur verschynen. Mocht ten-langen-laatste ’n tooneelgezelschap in Nederland my de eer aandoen, m’n stuk te willen spelen, dan eerst zou de tyd daar zyn, vollediger voorschriften te geven omtrent dekoratie, kostuum, houding, beweging, toon en voordracht. In de tegenwoordige uitgaaf kan ik niet meer leveren dan juist even voldoend is om nagenoeg begrepen te worden door lezers.

Noot van 1876. Weinige maanden na ’t schryven van bovenstaande noot beleefde de Vorstenschool -- welk stuk bovendien door de zorg van m'n hooggeachten Uitgever afzonderlyk verschenen was -- ’n tweeden druk, waarby ik 't volgend verdrietig Naschrift gaf:

,,Ik ben redelyk getrouw gebleven aan m’n voornemen om weinig legende te leveren, maar ’t was my onmogelyk me daarvan geheel te onthouden, gelyk ik had kunnen doen indien ik voor volledige opmerkingen en aanwyzingen plaats gevonden had in ’n afzonderlyke uitgaaf voor tooneel-regiën. Dit zou evenwel slechts te-pas komen indien m’n Vorstenschool de eer eener opvoering in Nederland waard was. By den overvloed van keurige voortbrengselen -- vertaalde en onvertaalde -- waarover de tooneelbesturen te beschikken hebben, is het niet vreemd dat dit werk nog altyd niet aan de beurt gekomen is. Onlangs zelfs is me gebleken dat twee direkteuren van een der aanzienlykste theaters in ons land, nog niet eens den titel van m’n stuk had en hooren noemen, toen ik reeds bezig was met de korrektie van de tweede uitgaaf die -- als men de verschyning in de IDEEN meerekent -- reeds de derde was. Dit bewyst ten-duidelykste dat het lezend Publiek welks gekuischte smaak allerwege erkend wordt by Tooneelbestuurders niet op ’t spelen van m’n stuk heeft aangedrongen, waaruit alweder volgt dat deze industrieelen groot gelyk hadden m’n werk te ignoreeren, en zich slechts bezig te houden met de stukken die wel behagen aan dat Publiek. Hoe dit rymt met de zoo spoedig ontstane behoefte aan ’n tweeden -- of eigenlyk derden -- druk, is my ’n raadsel. Er is gebleken dat m’n Vorstenschool niet goed genoeg is voor ’t Volk met welks smaak, oordeel en ontwikkeling de ondernemers van 'n schouwburgzaak moeten te-rade gaan om zich staande te houden.

Geen of weinig legende alzoo, omdat m’n stuk toch niet gespeeld wordt. Ter-nauwer-nood veroorloof ik my hier ’n paar opmerkingen... waarlyk slechts ter bladvulling, en geenszins omdat nederlandsche tooneelspelers behoefte, zouden hebben aan terechtwyzing van den auteur, ’n zwak dat in andere landen wel bestaat, en waarin we dus alweer zoo byzonder gunstig afsteken by ’t Buitenland.

De opmerkingen zyn deze:

Ten-eerste. De lakeien in de schouderweer-scene moeten zich wel wachten hansworstery in hun rol te brengen. De eisch van ’t komieke is hier onverstoorbare ernst.

Ten-tweede. Ook jonker SCHUKENSCHEUER overdryve niet! De acteur die hem voorstelde als clown, zou den gek te veel eer aandoen. Hy behoort vooral geen blyk te geven dat-i zich zyner dwaasheid bewust, en dus... wys is.

Ten-derde. Misschien helaas, is de opmerking noodig, dat de zwygende scène in het laatste tooneel, ’n zeer grondige studie vereischt.

Ten-vierde. Wat LOUISE aangaat...doch waartoe meer ? Deze schepping en dus ook de voorstelling van dat karakter op de ,,planken die de wereld beteekenen" zyn immers beneden de aandacht van ’t nederlandsch Publiek?

Tot dusverre ’t Naschrift by den tweeden druk. In dienzelfden druk evenwel mocht ik dankend vermelden dat er ’n meer dan voldoend antwoord was gegeven op de vraag: waarom het Tooneelverbond niet op de vertooning van m’n stuk aandrong? Dit geschiedde in ’t volgend nootje:

Onder de velerlei Vereenigingen die de leus: ,,tot heil des Volks’’ in de vlag voeren, is het ,,Tooneelverbond"’ een der belangrykste. Wie ’t wèl meent met beschaving, vooruitgang, zeden en nationale onafhankelykheid, behoort dat genootschap met alle kracht steunen. Vreemde bajonetten zouden ’n al te gemakkelyk werk vinden in ’n verduitscht of verfranscht Nederland!

Wat overige ons de in den tekst gedane vraag aangaat, de heer Mr. I. N. VAN HALL, secretaris van die vereeniging, heeft tweemalen op het ten-tooneele brengen van VORSTENSCHOOL aangedrongen ( Tijdschr. ,,Het Ned. Tooneel 2e Jaargang, blz. 141, en Jaargang 1874/75 No. 2) in n bewoordingen die me schadeloos stellen voor de minachting waarmee m'n arbeid wordt opgenomen door 't groote publiek, naar welks smaak theaterdirektien wel genoodzaakt zyn zich te richten. Ik betuig den heer van hall voor z'n keurig gestyleerde pittige stukjes m'n oprechten dank."

By den vyfden druk -- in afzonderlyke uitgaaf -- had ik ’t genoegen ’n voorbericht te mogen voegen, dat ik hier met innige dankbaarheid herhaal:

,,Sedert dien tyd -- na de beide eerste uitgaven namelyk -- heeft er in de fata van Vorstenschool ’n volslagen omkeering plaats gehad. Door den moed, den kunstzin, en ik durf hier byvoegen: door de vaderlandsliefde van de tooneeldirekteuren LE GRAS, VAN ZUYLEN, & HASPELS, is het stuk weggerukt uit de vergetelheid waartoe sommigen ’t ouder-gewoonte schenen veroordeeld te hebben. Het is my ’n ware behoefte die heeren openlyk dank te zeggen, voor ’t opvoeren van m’n drama -- zoowel als voor de wyze waarop ze die taak volbrachten. Ook als zelf medewerkende artisten hebben zy aanspraak op de erkentelykheid van ieder die ’t wèl meent met vaderlandsche kunst en ’t daarmee samengaand nationaliteitsgevoel. Zeer in ’t byzonder ook breng ik hier hulde aan de artistieke wys waarop de heer D. HASPELS de rol van koning GEORGE vertolkte. Die kunstenaar heeft door ’n eigenaardige opvatting aan die rol ’n waardigheid weten te geven, waardoor de door my begane fout in de karakterteekening van GEORGE volkomen wordt uitgewischt, zóó zelfs dat ik nu niet wenschen zou die party ànders geschreven te hebben. Ziedaar ’n fortuintje dat niet dikwyls aan tooneelschryvers te-beurt valt. Hartelyk dank !’’

PERSONEN

GEORGE, koning.

LOUISE, koningin.

KONINGIN-MOEDER

DE WALBOURG, eeredame der koningin.

VAN HUISDE........................ . | heeren

MIRALDE........................... | uit de

VAN SCHUKENSCHEUER-SCHIEFSCHALHEIM. | omgeving

HESSELFELD........................ . | des

PRINS SPIRIDIO..................... . . | konings.

WEIS, des konings kamerdienaar.

LANDSHEIL, kleeremaker.

HERMAN, werkman in ’n yzergietery.

HANNA, een naaister, Herman’s zuster.

ALBERT, Hanna’s verloofde.

PUF.

BOEREVROUW.

Vier LAKEIEN.

GROOM van Schukenscheuer.

KNECHT van Landsheil.

eerste bedrijf[bewerken]

tweede bedrijf[bewerken]

derde bedrijf[bewerken]

vierde bedrijf[bewerken]

vijfde bedrijf[bewerken]

Vetgedrukte tekst

Afkomstig van Wikisource NL, de Vrije Bron. "https://nl.wikisource.org/w/index.php?title=Vorstenschool&oldid=32854"