Wetboek op de regterlijke instellingen en regtspleging in het koningrijk Holland/Eerste boek/Eerste titel/Vijfde hoofdstuk

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
vierde hoofdstuk Wetboek op de regterlijke instellingen en regtspleging in het koningrijk Holland


(eerste boek, eerste titel, vijfde hoofdstuk)

zesde hoofdstuk

Artikel 36[bewerken]

De geheele oppervlakte van het rijk zal verdeeld worden in één-en veertig districten, waarin zullen worden opgerigt de navolgende vierſcharen:

  1. De vierſchaar van Amſterdam, reſiderende in dezelve ſtad, en bevattende het geheel resfort Amſterdam, zoodanig als dit ten aanzien van de middelen te lande, bij publicatie van den 17den van louwmaand 1806, is bepaald.
  2. De vierſchaar van Haarlem, reſiderende in die ſtad, met haar resfort als voren.
  3. De vierſchaar van Alkmaar, reſiderende in die ſtad, met haar resfort als voren, en daaronder mede het eiland Texel, doch met uitſluiting van Wiſem, Rustenburg, Heer hugowaard, Schermeer noordzijde, Schermeer zuidzijde, Schermerhorn, groot Schermeer en Driehuizen, de Rijp, Graft, Oost- en Westgraftdijk, Winkel, Colhorn, Barſingerhorn en Wieringerwaard.
  4. De vierſchaar van Hoorn, reſiderende in die ſtad, met haar resfort als voren, en daaronder mede Wiſem, Rustenburg, Heer hugowaard, Schermeer noordzijde, Schermeer zuidzijde, Schermerhorn, groot Schermeer en Driehuizen, de Rijp, Graft, Oost- en Westgraftdijk; doch met uitſluiting van die ſteden en plaatſen van het voorz. resfort, welke hierna onder het resfort van de vierſchaar van Enkhuizen zijn gebragt.
  5. Die vierſchaar van Enkhuizen, reſiderende in die ſtad, en bevattende de navolgende ſteden en plaatſen van het resfort Alkmaar en Hoorn (bij publicatie van den 17den van louwmaand 1808 bepaald), Medenblik, Warnaarshoef, Opperdoes, Twisk, Abbekerk, Lammertſchagen, Sijbe-carſpel en Benningbroek, Winkel, Colhorn, Barſingerhorn, Wieringerwaard, het eiland Wieringen, het eiland Urk, Westwoud en Binnewijzent, Hoogcarſpel, Lutjebroek, Grootebroek, Bovencarſpel, Andijk, Hem, Venhuizen, Oosterleek, Wijdenes.
  6. De vierſchaar van Purmerend, reſiderende in die ſtad, met haar resfort als voren.
  7. De vierſchaar van Weesp, reſiderende indie ſtad, met haar resfort als voren.
  8. De vierſchaar van den Haag, reſiderende in die ſtad, met haar resfort als voren.
  9. De vierſchaar van Delft, reſiderende in die ſtad, met haar resfort als voren.
  10. De vierſchaar van Schiedam, reſiderende in die ſtad, met haar resfort als voren.
  11. De vierſchaar van den Briele, reſiderende in die ſtad, met haar resfort als voren.
  12. De vierſchaar van Rotterdam, reſiderende in die ſtad, met haar resfort als voren.
  13. De vierſchaar van Dordrecht, reſiderende in die ſtad, met haar resfort als voren.
  14. De vierſchaar van Gornichem, reſiderende in die ſtad, met haar resfort als voren.
  15. De vierſchaar van Gouda, reſiderende in die ſtad, met haar resfort als voren.
  16. De vierſchaar van Middelburg, reſiderende in die ſtad, bevattende de resforten Middelburg en Goes als voren.
  17. De vierſchaar van Zierikzee, reſiderende in die ſtad, bevattende de resforten Zierikzee en Tholen als voren.
  18. De vierſchaar van Bergen op Zoom, reſiderende in die ſtad, met haar resfort als voren.
  19. De vierſchaar van den Bosch, reſiderende in die ſtad, met haar resfort als voren.
  20. De vierſchaar van Breda, reſiderende in die ſtad, met haar resfort als voren.
  21. De vierſchaar van Grave, reſiderende in die ſtad, met haar resfort als voren.
  22. De vierſchaar van Nijmegen, reſiderende in die ſtad, met haar resfort als voren, en daaronder mede Hulhuizen, Huifen en Malburgen.
  23. De vierſchaar van Thiel, reſiderende in die ſtad, en bevattende de resforten Thiel en Zaltbommel, als voren.
  24. De vierſchaar van Arnhem, reſiderende in die ſtad, met haar resfort als voren, en daaronder mede Nieuwe Graaf, de Pleij, de Kleefſche Waard en de Kleefſche Pleij.
  25. De vierſchaar van Zutphen, reſiderende in die ſtad, met haar resfort als voren, en daaronder mede Oud- en Nieuw Zevenaar, Groesſe, Duivens, 't Loo, Loowaard en Candia.
  26. De vierſchaar van Utrecht, reſiderende in die ſtad, en bevattende het eerſte kwartier van het departement lande van Utrecht, zoodanig als dit bij het reglement van den 29ſten van grasmaand 1807, en decreet van den 30ſten van lentemaand 1808, is bepaald.
  27. De vierſchaar van Amersfoort, reſiderende in die ſtad,en bevattende het tweede kwartier van hetzelve departement als voren.
  28. De vierſchaar van Deventer, reſiderende in die ſtad, en bevattende het tweede kartier van het departement Overijsſel als voren.
  29. De vierſchaar van Zwolle, reſiderende in die ſtad, en bevattende het derde kwartier van hetzelve departement als voren.
  30. De vierſchaar van Almelo, reſiderende aldaar, en bevattende het eerſte kwartier van hetzelve departement als voren.
  31. De vierſchaar van Asſen, reſiderende aldaar, en bevattende het geheele departement Drenthe.
  32. De vierſchaar van Groningen, reſiderende in die ſtad, en bevattende het eerſte kwartier van het departement ſtad en lande van Groningen, zoodanig als dit bij decreet van den 27ſten van grasmaand 1808 is bepaald.
  33. De vierſchaar van Appingadam, reſiderende aldaar, en bevattende het tweede kwartier van hetzelve departement als voren.
  34. De vierſchaar van Winſchoten, reſiderende aldaar, en bevattende het derde kwartier van hetzelve departement als voren.
  35. De vierſchaar van Leeuwarden, reſiderende in die ſtad, en bevattende het derde kwartier van het departement Vriesland, volgens het reglement van den 29ſten van grasmaand 1807.
  36. De vierſchaar van Sneek, reſiderende in die ſtad, en bevattende het tweede kwartier van hetzelve departement als voren.
  37. De vierſchaar van Heereveen, reſiderende aldaar, en bevattende het eerſte kwartier van hetzelve departement als voren.
  38. De vierſchaar van Embden, reſiderende in die ſtad, en bevattende het eerſte resfort van het departement Oostvriesland, zoodanig als het bij decreet van den Koning, van den 26ſten van ſlagtmaand 1808, is bepaald.
  39. De vierſchaar van Aurich, reſiderende in die ſtad, en bevattende het tweede resfort van hetzelve departement als voren.
  40. De vierſchaar van Jever, reſiderende in die ſtad, en bevattende het derde resfort van hetzelve departement als voren.

Artikel 37[bewerken]

De ſteden, plaatſen en dorpen, welke onder elke der bovengemelde vierſcharen in voege voorſchreven behooren, zullen tot gerijſ der ingezetenen, op last van den Koning, nader worden bekend gemaakt.

Artikel 38[bewerken]

De vierſcharen zullen beſtaan uit ten minſten zeven en ten hoogſten negen leden, de preſidenten daaronder gerekend.

Artikel 39[bewerken]

Bij ieder van dezelve zal zijn een procureur des Konings en een ſecretaris, ten zij 'er meerderen mogten noodig zijn, waartoe dan voordragten zullen moeten gedaan worden.

Artikel 40[bewerken]

De meerderheid der leden van deze vierſcharen (de preſidenten daaronder begrepen) zal moeten beſtaan uit perſonen, welke meesters zijn in de regten, gegradueerd op eene der univerſiteiten binnen dit rijk; de preſidenten en leden dier vierſcharen zullen bij dezelve niet mogen practiſeren, noch burgemeesters of wethouders mogen zijn.

Artikel 41[bewerken]

De preſidenten, leden, procureurs des Koningsw en ſecretarisſen worden onmiddellijk door den Koning aangeſteld, voor een' onbepaalden tijd, doch tot kennelijk wederzeggen.

Artikel 42[bewerken]

De ſecretarisſen van de gemeentebeſturen, waar de vierſcharen reſideren, zijn ook verkiesbaar tot ſecretarisſen van die vierſcharen.

Artikel 43[bewerken]

De vierſcharen oefenen uit, ter eerſter inſtantie:

  1. De criminele justitie over alle plaatſen van het district aan dezelve toegekend;
  2. De judicature wegens de middelen te lande over hetzelve district; en
  3. De civiele justitie over de ſtad of plaats, alwaar zij reſideren, en derzelver jurisdictie.

Hare verdere regten en pligten worden bij den vierden titel van dit boek bepaald.

Artikel 44[bewerken]

De tractementen der preſidenten, leden, ſecretarisſen en ſuppoosten dier vierſcharen, ook van derzelver onderſchouten, cipiers, boden enz.; voorts de kosten bij dezelve loopende op het deſroijeren van getuigen in criminele zaken; premiën door de vierſcharen uitgeloofd en toegewezen; de bezoldiging, kleeding en wapenen der geregtsdienaars; briefporten, correspondentiegelden, uitſchotten door de criminele officieren bij dezelve in officio gedaan, tot het afhalen en wegbrengen van gevangenen of anderzins; voorts de kosten op het ſchouwen van lijken, het redden van drenkelingen, het translateren van procesſtukken uit vreemde talen, en op de voeding en verzorging der gevangenen en gearresteerden voor de voorz. vierſcharen, de zoodanige verdere uitſchotten en onkosten, als de dienst der criminele justitie vereiſchen zal, zullen bestaald worden uit 's rijk kasſe.

Artikel 45[bewerken]

De vierſcharen zullen daarentegen aan 's rijks kasſe verantwoorden alle de boeten, amenden, leges, jura en ſportelen, welke bij dezelve zouden mogen vallen, op zoodanige wijze, als nader zal worden bepaald.

Artikel 46[bewerken]

Desgelijks zullen uit 's rijks kasſe betaald worden de tractementen der procureurs des Konings bij de vierſcharen, tot zoodanige ſommen, als nader door den Koning zal worden vastgeſteld; des echter dat gemelde procureurs des Konings geen deel hoegenaamd zullen hebben in eenige boten, amenden of confiscatiën, welke aan hen zouden mogen worden geadjudiceerd. Zullende het aandeel, het welk de wet daarin aan de officieren toekent, door de procureurs des Konings aan 's rijks kasſe verantwoord moeten worden.

Artikel 47[bewerken]

Indien nogtans de aan een' procureur des Konings, gedurende den loop van één jaar, geadjudiceerde boeten, amenden en confiscatiën meerder mogte bedragen dan het hem toegekende tractement, zal aan denzelven een vierdedeel van dat ſurplus, tot eene extraordinaire belooning zijner vlijt en vigilantie, worden gegeven.

Artikel 48[bewerken]

De middelen, welke noodzakelijk zullen zijn om 's rijks kasſe tot de betalingen, bij art. 44 en 46 vermeld, in ſtaat te ſtellen, en de wijze, waarop die betalingen zullen geſchieden, zullen bij eene bijzondere wet en reglement worden vastgeſteld en geregeld.

Artikel 49[bewerken]

Dienvolgens zullen, dadelijk na het emaneren en in werking brengen dier wet, vernietigd zijn alle octrooijen, bevorens aan ſommige ſtedelijke of plattelands-vierſcharen of andere collegiën gegeven, tot het gaderen van eenige penningen bij omſlag of anderzins, om daaruit eenige criminele kosten, in die jurisdictie vallende, goed te maken.

Artikel 50[bewerken]

Insgelijks zullen, dadelijk na het emaneren en in werkingen brengen dier wet, de plaatſelijke of districts-belastingen verminderd of vernietigd worden, in evenredigheid van het geen bij de plaatſelijke- districts- of andere kasſen, door het ophouden der daaruit bevorens gedane betalingen voor kosten van justitie, wordt beſpaard en uitgewonnen.

Artikel 51[bewerken]

De kosten op het onderhoud der localen of regtkamers, alwaar de voorz. vierſcharen zullen vergaderen, mitsgaders van de gevangenisſen, ameublementen en noodwendigheden in die localen vereischt wordende, en het geen aldaar voor vuur, licht en ſchrijf behoeften benoodigd zal zijn, zullen komen ten laste der ſteden of plaatſen, alwaar zoodanige vierſcharen zullen reſideren.

Artikel 52[bewerken]

De kosten op de verzorging en verpleging der geconſineerden, welke thans voor de onderſcheidene geregtshoven, geregten, viercharen en regtbanken geconſineerd zijn, of welke verder voor de geregtshoven of vierſcharen geconſineerd zouden mogen worden, mitsgaders de kosten op het executeren van alle delinquanten, op het onderhoud der tuchthuizen en de tractement der cipiers of binnen regenten dier tuchthuizen, derzelver dienaren en ſuppoosten, zullen voortaan overal komen ten laste van 's rijks kasſe alleen; met dien verſtande, dat het beſtuur der ſteden of plaatſen, alwaar zoodanige tuchthuizen aanwezig zijn, gehouden zal zijn, dezelve, met de daartoe behoorende fondſen, aan het rijk afteſtaan.