Winkler-Zand en duinen (1865)/IV

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De duinen van andere landen Zand en duinen (1865) van Tiberius Cornelis Winkler

Onze eigene duinen

De dieren onzer duinen



[ 87 ]

vvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvv

 

ONZE EIGENE DUINEN.

 

 

Na alles wat wij in de vorige bladzijden reeds besproken hebben, na de vele gelegenheden die wij reeds hadden om op onze duinen toe te passen wat wij over de duinen in het algemeen zeiden, kunnen wij nu zeer kort zijn over onze nederlandsche duinen, vooral ook om in geen herhalingen te vervallen. Enkele dingen zijn er desniettemin die onze aandacht toch nog vorderen. Zoo, bij voorbeeld, hebben wij nog niet gesproken over den ondergrond onzer duinen, over den bodem waarop die zandheuvels liggen. Uit hetgeen wij boven gezegd hebben, over het voormaals veel verder westwaarts liggen der duinenrij, en over het naar binnen verstuiven van het zand, spreekt het van zelf dat de bodem, die thans de duinen draagt, voorheen het land geweest moet zijn dat achter de duinen lag. En zoo is het ook. Doch hoe zag dat land er uit? Veen, laag veen was het. Laag veen, dat is een veen dat beneden de oppervlakte van den waterspiegel ligt, een moerassige grond waarin water- en oeverplanten groeijen, en als de overblijfselen [ 88 ] dier planten den bodem opgehoogd hebben, groeijen er veenplanten, zoo als het veenmos en dergelijken, en ook boomen, zoo als elzen, berken en hazelnooten, die in moerassen tieren. Dat lage veen met meren en zoetwaterplassen afgewisseld, werd door de duinenreeks van de zee afgescheiden; het besloeg eene oppervlakte gronds die thans door het grootste gedeelte van Holland en de Zuiderzee wordt ingenomen. Van Ameland tot Rotterdam en Gouda vinden wij de duidelijke overblijfselen van dat oude veen, dat door twee rivierarmen van den Rijn werd doorsneden; de eene, de tegenwoordige Vecht naar de Zuiderzee; de andere, de tegenwoordige Oude Rijn, naar de Noordzee loopende. Doch lezen wij wat Staring ons van dat veen vertelt in zijn Voormaals en Thans, hoe het er een tiental eeuwen geleden in ons land achter de duinen uitzag:

Laten wij nagaan wat een der onverschrokken eerste predikers van het christendom zoude hebben gevonden, wanneer hij zich naar de lage, door de heidensche Friezen bewoonde zeekusten had begeven. Hij verlaat de hooge zandgronden, waar vernielen van afgodsbeelden, het dooreenwerpen der heidensche altaren, waarschijnlijk ook het verbranden van heilige bosschen, ten bewijze verstrekken, dat het tijdvak is aangebroken, waarin de vervorming der oppervlakte van den nederlandschen bodem door den mensch begonnen is. Aan den voet dier zandgronden, toenmaals nog meerendeels met houtgewas bedekt, strekken zich de bosschen nog veel verder uit; maar hier bekleeden zij geheel vlak liggende, weinig boven den waterspiegel verheven, moerassige, [ 89 ] ja zelfs veelvuldig op het water drijvende gronden. Elzen, berken, esschen en wilgen zijn het hoofdbestanddeel dezer boschmoerassen. Opene plekken met hoog opschietende moerasplanten begroeid; waterplassen, deels met riet, deels met waterplanten, plompen, scheren en dergelijken bezet, en kleine meren, die, ten gevolge hunner diepte, nog niet door den plantengroei overweldigd zijn, vindt men te midden van het houtgewas. Een smal pad, gedeeltelijk uit boomen zamengesteld, die, stam tegen stam gevleid, eene soort van brug vormen, geleidt door deze boschmoerassen. Na eenen togt van een zestal uren verandert de plantengroei allengs, de boomen en struiken verminderen in hoogte en in aantal, de planten vermengen zich met kustplanten, de zwarte grond is met eene al meer en meer dik wordende kleilaag bedekt, tot dat, verder, klei den bodem geheel en al vormt en eene onafzienbare vlakte, slechts met dullen van riet begroeid en door geen houtgewas hoegenaamd afgewisseld, zich voor het oog voordoet. De reiziger heeft namelijk de lage venen verlaten en betreedt de zeebezinkingen. Dit was de voormalige toestand der lage venen, welke zich, over ons geheele vaderland, als een breede gordel uitstrekten of althans hebben uitgestrekt, langs de noordelijke en oostelijke hellingen der hoogere zandgronden. In de noordelijke provinciën hebben zich de lage venen tot aan de kleigronden uitgestrekt, die grootendeels uit zee- of brakwater bezonken zijn en de vruchtbaarheid van Groningen, Friesland en Westfriesland uitmaken. In Holland liepen zij door tot aan de duinen, en, meer zuidelijk, tot aan [ 90 ] de kleigronden, waartoe de zuid-hollandsche en zeeuwsche eilanden behooren. Ten zuiden scheidden zij de klei van Zeeuwsch-Vlaanderen van het zand in het land van Waas. In Holland echter waren zij veelvuldig door rivierarmen met kleioeverlanden doorsneden; terwijl zij ten noorden den Dollard, gedeeltelijk de Wadden, en het geheele noordelijke gedeelte van de Zuiderzee vervulden.

Dat deze lage venen het allerlaatst bewoond zijn geworden, behoeft geene herinnering. Jagers en visschers alleen konden hier een middel van bestaan vinden, en zelfs dit was elders voorzeker met meer kans op goede vangsten uit te oefenen dan hier, waar het veenachtige of ten deele zelfs brakke water weinig vischrijk geweest zal zijn, terwijl watergevogelte, met otters en bevers, of een enkel wild zwijn en de overal zich te huis bevindende haas, een schaars en moeijelijk te betrappen wild zal hebben opgeleverd.

Dat voormalige veen is nu grootendeels met klei uit de rivieren bedekt, of het is tot weiland gemaakt zoo als bij Amsterdam en elders, of wel het is met zand overstoven: de duinen bedekken thans een groot gedeelte van dat oude veen. Wij weten dat de duinen in die dagen veel verder in zee lagen dan thans: wij hebben boven reeds gesproken over de overblijfselen van het huis te Britten, die nog in 1562 een kwartier uurs ver in zee liggende zijn gezien. Dat gebouw moet aan den binnenvest der duinen gebouwd zijn geworden, gelijk wij boven aantoonden. De duinen zijn oostwaarts overgestoven, zoo als zij langs onze geheele kust doen en steeds [ 91 ] gedaan hebben, en telkens doen zij op het strand voor den dag komen wat eenmaal binnen de duinenrij stond, toen onder het zand bedolven geraakte, en nu weer bloot komt buitenwaarts van de duinen. In dat overrollen der duinen hebben zij dus het oude hollandsche veen overdekt, en zie, wij vinden het thans hier en daar, waar wij in de duinen graven, terug in den vorm van wat men thans derrie noemt. Derrie nu is niets anders als vast ineengeperst veen, ineengeperst door de zwaarte van het zand of de rivierklei die er op ligt. Derrieklonters spoelen te Holwerd en elders op het strand: het zijn brokken van het oude veen. Derrielaagjes vindt men diep onder de duinen: het zijn overblijfselen van het oude veen. En de boomen uit dat oude veen noemen wij nu kienhout: zulk kienhout, overblijfselen van oude bosschen, vindt men omstreeks Texel op den bodem der Zuiderzee, en vooral ook in de veenlaag die bij het graven van dokken en havenkommen aan het Nieuwediep voor den dag komt, maar overal is het kienhout een bewijs van het voormalige bestaan van een veen, een veen dat met zand bedekt is, met zand uit zee opgeworpen en als duinen oostwaarts gerold.

Doch niet overal liggen onze duinen op veen: op vele plaatsen bestaat de ondergrond uit een oud zeestrand, waarin men schelpen van weekdieren vindt die nu nog in de Zuiderzee en andere binnenzeeën leven, zoo als Venus gallina en Mactra stultorum. Onder de afzanderij te Overveen vindt men dit oude zeestrand, te Noordwijk aan den voet der duinen, en in zeer vele duinpannen ligt het aan of even onder de oppervlakte. [ 92 ] Om het ontslaan van dit strand te verklaren, moeten wij aannemen dat de tegenwoordige binnenduinen toenmaals de buiten- of zeeduinen waren, en dat de tegenwoordige buitenduinen, die thans dit strand bedekken, toenmaals zooveel verder westwaarts in zee lagen, dat er nog een inham of een haf open bleef, waarin de zee vrijelijk uit en in stroomde; een haf afgescheiden van de zee door een zandbank die in de rigting van het strand loopt, een zoogenoemde nerung, een haf op de zelfde wijze gevormd als het kurische haf aan den mond van den Memel, en het friesche haf aan dien van den Weichsel. En dit haf nu werd, toen de uit zee opkomende duinreeks die binnenzee afsloot, een zoetwatermeer, en later een moeras, en toen een veen zoo als wij boven zagen, en over dat veen stoven de duinen heen en maakten het tot derrie. En zoo komt het dus dat onze duinen rusten hier en daar op een zeestrand, en op andere plaatsen op een oud veen.


Wij spraken zoo even over een met de kust loopenden zanddam, over een nerung die een haf afsluit. Vele dingen geven ons het regt om aan te nemen dat de duinenrij langs onze kusten eenmaal zulk een nerung, althans een meer aaneengesloten zanddijk geweest is dan tegenwoordig. Als er van den hoek van Holland tot aan Schiermonnikoog niet een aaneengeschakelde, onafgebrokene duinreeks bestaan had, kon er zich geen veen daarachter gevormd hebben. Eerst later zijn de zeegaten tusschen de eilanden Texel, Terschelling, Ameland ontstaan—er zouden ook thans nog zulke zee[ 93 ] gaten ontstaan als de mensch er niet voor zorgde. Als de mensch niet tusschenbeide gekomen was, dan zou het eiland Ameland reeds vóór twintig jaren in tweeën gedeeld geworden zijn, dan zouden in vorige eeuwen Eijerland van Texel, Huisduinen van Callantsoog, Callantsoog van Petten, en Petten van Camperduin afgesneden zijn geworden; want klaarblijkelijk was de zee toenmaals voornemens om in de duinreeks tusschen Eijerland en Camperduin vier nieuwe zeegaten te boren, zoo als zij reeds een paar honderd jaar geleden het Texelsche gat tot een diepe gleuf heeft uitgeknaagd. Maar onze voorvaderen hebben daarvoor gezorgd, door het maken van den Hondsbosschen zeedijk, den Zijper ringdijk en andere doeltreffende inrigtingen, gelijk er in onze dagen gezorgd is om het eiland Ameland voor in tweeen scheuren te behoeden door het leggen van een zwaren stroomleidenden dam in de geul de Balg.

En hier is het de plaats om te spreken over eene opmerkelijke omstandigheid, namelijk dat wij het in onze magt hebben om onze duinenrij te versterken, te verbreeden en te verhoogen. In het begin der vijftiende eeuw was er tusschen Petten en Callantsoog een vlak zeestrand waarover de zee heenstroomde als het vloed was, en bijna de geheele Zijpe tweemaal daags onder water zette. Tot in 1610 overstroomde de zee dagelijks tweemaal het geheele Koegras tusschen Callantsoog en Huisduinen, want ook dáár was een vlak strand zonder duinen. Maar toen men den Zijperringdijk en den Zanddijk langs het Koegras had opgeworpen, kwam er niet slechts een einde aan dat onder water [ 94 ] loopen, maar ook is er tusschen deze dijken op het strand een hooge duinreeks ontstaan: meer dan duizend bunders hooge duinen, die ons de zee met hulp van den wind en de golven geschonken heeft, zegt Dr. Staring. En zoo als het op de hollandsche kust gegaan is, zoo ook op de eilanden: door den in 1823 tusschen Eijerland en Texel aangelegden zanddijk is er een hooge duinenrij ontstaan; door den dijk in 1851 op het eiland Ameland opgeworpen was er drie jaar later reeds een niet onaanzienlijke duin ontstaan, zoo hoog dat de hoogste vloeden er thans niet meer over heen slaan.


Boven spraken wij reeds meermalen over het beplanten onzer duinen; de zaak is zoo belangrijk dat wij er nog even bij moeten stilstaan. Algemeen is men thans overtuigd dat als men het verstuiven belet, de duinen zich niet meer verplaatsen; ook doet onze regering wel zoo veel aan de duinen door werken op het strand en beplanten met helm in de duinen, dat het telkens landwaarts in verplaatsen van huizen en kerken, zoo als in vroegere eeuwen noodzakelijk was, wel tot de geschiedenis zal behooren: wij behoeven niet te gelooven dat men eens gedwongen zal worden om het badhuis van Zandvoort achteruit te schuiven tot in den Haarlemmerhout, of dat van Scheveningen tot in het Haagsche bosch. Maar al die voorzorgen maken onze duinen daarom nog niet productief. Nog is men niet algemeen overtuigd dat dennen, en dennen alleen, het middel zijn om voordeel te trekken van onze duinen. En staan er eenmaal dennen op de duinen, dan volgen er weldra [ 95 ] ook andere boomen: onze duinen kunnen weer met bosschen bedekt worden, even goed als ten tijde van graaf Willem III, die in de 14de eeuw nog boven Alkmaar op de hertejagt ging. Daar is een tijd geweest dat het overal bosch was op de westkust van Holland diep landwaarts in: het Haagsche bosch was toen vereenigd met den Haarlemmerhout en zelfs met de bosschen van Bergen bij Alkmaar. En zoo kan het weer worden. Maar dat zal niet gebeuren zoolang men niet met kracht en volharding de hand aan het werk slaat; maar dat zal niet gebeuren zoolang het konijn oppermagtig gebieder in de duinen is, en alles afknaag wat den naam van jongen boom draagt; zoolang het konijn, die gruwel in het oog van den houtteler, diet plantsoenvernieler, verfoeijelijker dan het schaap dat ten minste nog eenig nut doet, zegt Staring, niet in onze duinen uitgeroeid is. Onze duinen wachten nog altijd op een Reventlov, een Sörn Björnsen, een Brémontier, om hen te veranderen in groote dennebosschen met valleijen daartusschen, de duinpannen, waarin nog plaats is voor duizende bunders bouwland.