I.K. Bonset/Inleiding tot de nieuwe verskunst/1
Uit Wikisource
|
Inleiding tot de nieuwe verskunst |
|
| Auteur | I.K. Bonset |
| Datum | Januari 1921 |
| Titel | ‘Inleiding tot de nieuwe verskunst’ |
| Tijdschrift | De Stijl |
| Jg, nr, pg | 4, 1, 1-5 |
| Afbeelding(en) | |
| Datering | Mei 1920 |
| Opmerkingen | |
| Genre(s) | Proza |
| Brontaal | Nederlands |
| Vertaler | |
| Bron | De Stijl. 2. 1921_1932. Complete Reprint 1968, pp. 3-5. |
| Auteursrecht | Publiek domein |
| Overige publicatie(s) | |
|
|
|
|
[1] INLEIDING TOT DE NIEUWE VERSKUNST DOOR I. K. BONSET. De logica, als uitgroeisel van een kunstmatig gefokt denksysteem, waarbij elke hypothese de matrijs was waarmede men bepaalde denkpatronen kon afdrukken, heeft onzen zin voor zuivere woordplastiek ten eenen male bedorven. De hexameter van Homeros was in de atmosfeer van den tijd voorhanden en niemand zou er aan gedacht hebben z'n levensbesef volgens een ander tempo in te leiden en, nu in onzen tijd het eigen wezen, het subject, identiek is met het oneigen wezen, het object, geeft de dichter de contrastgevoelens van het (zijn) verdubbeld subject: wereld + verschijnselen als éénheid. Wat hij van den lezer eischt is niet: begrijpen volgens eenig logisch patroon, maar: beleven. Daardoor moet de moderne dichter de verharding der kunstmatige logica, waardoor onze zuivere intuïtie als een schors omgeven is, stuk slaan. Zoo wil ik dat mijn vers, waarin ik mijn intuïtie geordend heb, dezelfde uitwerking op den lezer heeft als het lemmet van een ijsbreker op bevroren water.
distilleeren, maar hierdoor werd uit gemis aan aanhangkelijkheid aan de doodgewone realiteit, een vage eenzijdige mystiek geboren. De nieuwe verskunst daarentegen, veroverd als zij is op de realiteit, doet de behoefte, en ook de aanwezigheid, kennen van een heroïsche, alogische spontaniteit. Het nieuwe vers is als gloeiend ijs. Elke eenzijdige waarneming, ja waarneming überhaupt, is hierin uitgesloten. De moderne dichter wordt, aangespoord door zijn intuïtie en door aan het woord elke traditioneele „beteekenis” (in den zin van begripsomschrijving) te ontnemen, gedwongen zijn volledige beleving der realiteit uit te drukken door niets dan woord-verhouding en woord-contrast. De materie doordringt zijn gedachtenleven en zijn gedachtenleven doordringt de materie. Hij denkt haar. Zoowel wat hij ziet, ruikt, hoort of op andere zintuigelijke-of-overzintuigelijke wijze gewaar wordt, tracht hij door-elkâar als eenheid uit te drukken. Hij manifesteert zich, beeldt zich in het woord. Hij weet wel, dat hij door zich van het leven af te scheiden en zijn gedachten te laten overheerschen, en zijn wil op de materie uit te oefenen, alle levensverschijnselen van zich kan afstooten om ze daarna objectief volgens hun tegengestelden te rangschikken. Maar hierbij heeft hij geen bevrediging, omdat hij zich in de levensverschijnselen verliezen wil en deze slechts wil erkennen met zichzelf daarin, om niets anders te worden dan het instrument, het mechanisme waardoor het leven zichzelf beeldt in het woord. Dit is zijn a-individualisme.
gemaakt door het cijfer en de formule, zoo lijkt het mij volstrekt niet onmogelijk de beleving van het universum, zoowel kwalitatief als kwantitatief vast te leggen in een scheikundige of algebraïsche formule, zonder de hoogere eischen der poësie schade te doen. En nu nog iets over het al dan niet logische der poësie. Wanneer ik de alogica voor een poësie gegrond op de heroïsche apontaniteit van de geest, opeisch, dan is dit geen aanloop voor een hyperesthetiek, maar een innerlijke noodwendigheid om tot zuivere poësie tot „oerspraak” te komen. Een vers bouwen op de zuivere rede, is een onmogelijkheid. Vers en rede sluiten elkâar uit. De logica, die aan onze literatuur ten grondslag ligt, heeft aan het woord zijn suggestieve kracht ontnomen. Daardoor zijn alle woorden verteerd, zij zijn ongeschikt als uitdrukkingsmiddel van onze verdiepte levenskracht. Wij hebben te bedenken dat onze logica van het patroon Hegel-Bolland b.v., gegroeid is uit waarheidsnormen, die wij hebben ontwikkeld uit de éénzijdige gymnastische bewegingen van ons denkvermogen. Stelt u voor te leven in een tijd, waarin men als waarheidsnorm aanneemt, dat de aarde vlak en naar vier zijden begrensd is. Dat dit vlak onbewegelijk is enz. Zal de geheele levensvoorstelling daarmede nu niet in overeenstemming zijn? En zal deze niet ogenblikkelijk veranderen op het oogenblik, dat het wetenschappelijk
experiment leert, dat de aarde een vrij-zwevend lichaam is, in voortdurende beweging? Alle scheidingen moeten worden opgeheven. Wanneer ik in de evangelische letterkunde de scheiding aantref van „letter” en „geest”, dan ben ik er van overtuigd, dat deze scheiding voor den nieuwen tijd niet meer vol te houden is om de eenvoudige reden, dat wij den geest onopzettelijk met de ons omtingende voorwerpen (die wij niet meer als zodanig ervaren) gelijkwaardig willen maken. Zoo is het ook in de poësie, den meest wezenlijken vorm van letterkunst, wij willen, of juister: de intuïtie dringt ons, noch de geest van de letter, noch de letter van den geest te scheiden.
In de poësie is dit door geheele generaties voorbereid. Tot de consequentie: de vernieuwing van de syllabe, kwam het echter nog niet. Denkt ge soms, dat er bij de sentimenteele, rethorische poësie onzer z. g. dichters nog één woord gevonden wordt dat een beeldend vermogen heeft? Ik las onlangseen geheel boek door een onzer letterkundige reputaties om er één werkelijk beeldend woord in te vinden. Dit was het woord "Stiltebol". Dit eene woord vernietigde alle andere die er slechts waren om uit gemeenplaatsen een voorstelling op te bouwen. Wat verzen betreft, leest men eenvoudig de prosodie. Ik heb dit bij ervaring. Bij het lezen van sonetten heb ik het meermalen ondervonden dat men gerust geheel andere woorden, doch van overeenstemmenden klank kan gebruiken, zonder dat het door de toehoorders gemerkt wordt. Men moet er echter maar voor zorgen, dat het aantal voeten netjes klopt. Met de verzen van Tagore kan men hierin heel ver gaan, indien de suggestie van den versvorm maar niet verbroken wordt. Ik heb het beproefd en spreek uit ervaring, dat men een vers geheel kan omzetten, zelfs zóó dat de verzen onderling, volgens hun „logische” beteekenis geheel met elkaar in strijd, zijn zonder dat de meest begaafde en meest aandachtige toehoorder er ook maar iets van bemerkt. (Slot volgt). |