Pro archia
Uit Wikisource
|
|
Vertaling Cicero Pro Archia (Indeling op paragrafen; aangegeven met Romeinse cijfers. Enkele paragrafen missen nog.)
I. (1) Als er iets is in mij van talent, rechters, waarvan ik voel hoe klein het is, of enige ervaring in het spreken, warin ik niet ontken dat ik me er een beetje mee bezig heb gehouden, of als ik in deze zaak enige strategie bezit, verkregen vanuit de studie van de hoogste kunsten of training, waarover ik (5) beken dat geen tijd van mijn leven ervoor is teruggeschrokken, van al deze zaken moet wel als eerste deze Aulus Licinius bijna volgens zijn recht de vruchten van mij terugvragen. Want voor zó vera ls mijn geest terug kan kijken in de voorbije periode van tijd en terug kan roepen de (10) verste herinneringen van mijn kindertijd, van daar af aan één stuk door zoekend zie ik dat hij mij als eerste aanzette tot het opnemen en het binnentreden van de richting van die studie. Maar als deze stem, gevormd door zijn aansporing en instructies niet voor niemand soms tot redding was, zijn wij toch zeker aan hemzelf, van wie wij dit hebben ontvangen (15) waardoor wij sommigen kunnen bijstaan en anderen kunnen redden, verschuldigd zoveel als in ons vermogen ligt, en hulp en redding te brengen.
II. En opdat niemand zich verwondert dat dit door ons toevallig zó gezegd is, namelijk omdat er een andere aanleg in talent in hem is, en niet de strategie noch de studie van het spreken, zelfs wij hebben ons niet altijd ompleet op deze ene studie (20) toegelegd. Want ook álle kunsten die horen bij de beschaving hebben een zekere gemeenschappelijke band en worden samengehouden als door een zekere bloedverwantschap.
III. Maar opdat het niet aan iemand van u het misschien verwonderlijk schijnt te zijn, dat ik in een wettelijk onderzoek en in een publieke rechtszaak, wanneer de zaak wordt voorgeleid bij de praetor van het Romeinse volk, een meest eerbiedwaardige man, en bij zeer (25) strenge rechters, met een zo grote samenkomst en drukbezocht door mensen, dit type van spreken gebruik, wat niet alleen strijdig is met de gewoonte van rechtszaken, maar ook met de gerechtelijke manier van spreken, vraag ik van u dat u mij in deze zaak deze gunst verleent, toepasselijk voor deze aangeklaagde, voor u, naar (30) ik hoop, niet vervelend, dat u mij, terwijl ik spreek voor de hoogste poëet en de meest welsprekende man, toestaat bij deze samenkomst van zeer belezen mannen, deze cultuur van u, en tenslotte de praetor die over deze rechtszaak gaat, iets vrijelijker te spreken over de studie van cultuur en literatuur, en voor een persoon van (35) dien aard dat hij vanwege vrije tijd en studie zeer weinig ervaren is in rechtszaken en juridische problemen en een zekere, welhaast nieuwe en ongewone manier van spreken te gebruiken. IV. En als ik zal merken dat dit aan mij door jullie wordt gegeven en toegestaan, zal ik ongetwijfeld bewerkstelligen dat jullie geloven dat deze Aulus Licinius niet alleen niet verbannen moet worden (40) uit het aantal burgers, omdat hij een burger is, maar ook dat hij, als hij er niet één was, er één zou moeten worden. Want zodra Archias uit de jongenstijd was gegroeid en uit die studies waardoor men gewoon is de jongens tot beschaving te brengen, legde hij zich toe op de studie (45) van het schrijven. Eerst in Antiochië, – want op deze plaats werd hij uit een nobele familie geboren – een zekere drukke stad en rijk, en rijk aan zeer welsprekende mannen en de studie van de vrije kunsten, begon hij al snel in roem van zijn talent allen te overstijgen. Vervolgens werden zijn bezoeken in overige delen van Azië en geheel Griekenland (50) zó drukbezocht, dat de verwachting van de man de roem van zijn talent overtrof, zijn komst en de bewondering van hemzelf de verwachting.
V. Italië was toen vol van kennis en trainingen van Grieken, en deze lessen werden toen ook in Latium enthousiaster ontwikkeld dan nu in deze zelfde steden, en (55) hier in Rome werden zij vanwege de rust in de republiek niet verwaarloosd. En zo gaven en de Terentijnen en de Locrensiërs en de Regini en de Neapolitanen hem het burgerschap en andere prijzen ten geschenk, en allen die iets van talent konden beoordelen schatten hem waardig van erkenning en hospitium. Terwijl hij door zulke bekendheid van (60) zijn roem reeds bekend was [aan ons] hoewel hij afwezig was, kwam hij naar Rome tijdens het consulaat van Marius en Catulus. Hij raakte als eerste in contact met deze consuls, waarvan de ene grote dingen om over te schrijven, de ander niet alleen prestaties maar ook enthousiasme en luistervaardigheid kon leveren. Meteen lieten de Luculli hem toe in hun huis, hoewel ook toen nog Archias de toga pratexta droeg. (65) Zelfs dit gaf blijk niet alleen van de brilliance van zijn talent en van zijn literatuur, maar ook van zijn aard en karakter; dat namelijk het huis, dat hem in zijn jeugd als eerste begunstigde, van dezelfde zeer hoge genegenheid was voor zijn oude dag.
VI. Hij was in die tijd vriendschappelijk met Quintus Metellus, (70) die Numidiër, en met zijn zoon Pio, werd gehoord door Marcus Aemilius, leefde met Quintus Catulus, zowel de vader als de zoon, en werd in ere gehouden door Lucius Crassus. En de Luculli inderdaad en Drusus, en de Octavii, en Cato en het hele huis van de Hortensii, omdat hij hen verbonden hield met vriendschap werd hij behandeld met de hoogste eer, omdat niet alleen zij hem (75) onderhielden, die zich erop toelegden iets op te vangen of te horen, maar ook als zij soms deden alsof. Ondertussen, na een lang genoeg interval, toen hij met Marcus Lucullus naar Sicilië was vertrokken en toen hij uit die provincie met dezelfde Lucullus wegging, kwam hij naar Heraclea. En omdat zij een stad was (80) met zeer terechte privileges en een verdrag, wilde hij zich in haar burgerij inschrijven, en omdat hij op zichzelf waardig werd bevonden, verkreeg hij dit door de invloed en de populariteit van Lucullus, van de Heracleanen.
VII. Gegeven werd het burgershap op besluit van Silvanus en Carbo: ALS ENIGEN ZIJN INGESCHREVEN BIJ FEDERALE (85) STEDEN, ALS ZIJ OP HET MOMENT DAT DE WET INGEDIEND WERD IN ITALIË EEN HUIS HADDEN EN ALS ZIJ BINNEN ZESTIG DAGEN OFFICIEEL BIJ DE PRAETOREN ZIJN AANGEGEVEN. Omdat hij reeds vele jaren een vaste woonplaats had te Rome, heeft hij zich aangegeven bij de praetor Quintus Metellus, zijn meest naaste vriend.
VIII. (90) Als wij over niets anders dan burgerschap of wet spreken, zeg ik verder niets: de zaak is gezegd. Want wat van die dingen, Gratius, kan worden onderuitgehaald? Zul je ontkennen dat hij toen in Heraclea is ingeschreven? Een man van de hoogste autoriteit, en piëteit, en betrouwbaarheid is aanwezig, Marcus Lucullus, die zegt dat hij niet gelooft maar weet, niet heeft gehoord maar heeft gezien, niet aanwezig was maar heeft meegedaan. Aanwezig zijn Heracleaanse legaten, meest nobele mannen, zij zijn gekomen vanwege deze rechtszaak en met contracten en publieke getuigenissen; zij zeggen dat hij ingeschreven is in Heraclea. Hier vraagt u naar d epublieke documenten van Heraclea, waarvan wij allen weten dat ze verloren zijn gegaan in de Italiaanse oorlog, toen het archief afbrandde? Het is belachelijk over die dingen die we hebben niets te zeggen, te vragen naar die dingen die wij niet kunnen hebben, en om te zwijgen over de herinnering van mannen, maar de herinnering van documenten te eisen en, terwijl je het consciëntieuze bewijs van een meest eerbare man hebt, de eed en het vertrouwen van een onbedorven stad, die dingen af te wijzen die op geen enkele manier kunnen worden verdraaid, [maar] documenten te verlangen waarvan je op hetzelfde moment zegt dat men gewoon is ze te vervalsen.
IX. Of had hij geen vaste verblijfplaats te Rome, hij die zoveel jaren voordat het burgerschap gegeven werd de plaats van al zijn zaken en eigendommen in Rome lokaliseerde? Of heeft hij zich niet aangegeven? In tegendeel, hij (110) is geregistreerd in díe documenten, die als enige uit die verklaring en die verzameling van praetoren, de macht van publieke documenten te bezitten. Want, hoewel werd gezegd dat de documenten van Appius nogal zorgeloos werden bewaakt, en hoewel de onbetrouwbaarheid van Gabinius, zo lang als hij vrij was, en zijn ongeluk na zijn veroordeling al het vertrouwen van zijn documenten teniet deed, (115) was Metellus, de meest deugdzame en ingetogen man van allen, van zo grote opmerkzaamheid, dat hij naar Lucius Lentulus de praetor en naar de rechters kwam en zei dat hij door de verwijdering van één naam ontsteld was. Dus zult u in deze documenten geen vervalsing zien wat betreft de naam Aulus Licinius.
X. (120) En omdat die dingen zo zijn, wat is het [dan] dat jullie zouden betwijfelen aan zijn burgerschap, vooral omdat hij ook in andere steden werd ingeschreven? En inderdaad wanneer mensen aan vele middelmatige en of met geen of met weinig [van] enige kunst begiftigden in Magna Graeca het burgerschap grátis aanboden, geloof ik dat de Reginiërs of de Locrensiërs of de (125) Neapolitanen of de Tarentijnen, dit niet wilden geven aan deze met de hoogte roem van talent begunstigde, wat zij gewoon waren aan acteurs te geven! Wat? Terwijl anderen niet alleen nadat ze burgerschap hadden gekregen maar ook na de wet van Papius zich met alle middelen in de documenten van die gemeentes wurmden, zal hij worden geweigerd, die zelfs niet (130) díe gebruikte waarin hij geschreven was, omdat hij altijd Heracleaan wilde zijn?
XI. Je vraagt naar onze censusrapporten. NatuurlijK! Want het is onduidelijk dat hij onder de laatste censors met de meest roemvolle bevelhebber Lucius Lucullus bij het leger was, onder de vorige dat hij met dezelfde [dit keer] als quaestor in Asia was, onder de eerste, Iulus en Crassus, dat geen deel van de bevolking geregistreerd is. Maar, aangezien de census niet het recht van burgerschap bevestigt en slechts zoveel uitwijst dat hij, die opgenomen is, zich reeds toen zo gedroeg als burger, gedurende die tijd maakte hij, waarvan u zegt dat hij niet eens in zijn eigen mening verbonden was met het recht van de Romeinse burgers, én vaak een (140) testament volgens onze wetten, én hij kwam in de erfenissen van Romeinse burgers, én hij is aanbevolen voor een beloning uit de schatkist door Lucius Lucullus proconsul. Zoek naar bewijzen, als je enige kunt vinden; want nooit zal hij schuldig worden bevonden noch door eigen oordeel noch dat van zijn vrienden.
XII. XIII. XIV. XV. XVI. XVII. XVIII.
XIX. Laat dus, rechters, heilig zijn bij u, zeer geciviliseerde mannen, deze naam van een poëet, welke geen barbaar ooit heeft verwaarloosd. Rotsen en verlaten plekken (240) antwoorden met zijn stem, enorme beesten worden steeds beïnvloed door een lied en blijven staan; moeten wij, geleerd door de beste zaken niet door de stem van poëten worden geroerd? De Colophoniërs zeggen dat Homeros een burger van hen was, de Chii claimen dat, de Salamini eisen dat, de Smyrnaeërs stellen vast dat hij werkelijk een burger van hen was en daarom ook hebben zij (245) in hun stad een tempel aan hem gewijd, zeer veel anderen streden daarna onderling en waren het er niet mee eens. Dus zij probeerden een vreemdeling zelfs ná zijn dood te verkrijgen, omdat hij een dichter was; moeten wij hem, levend, die én vrijwillig én volgens wetten de onze is, weigeren, zeker wanneer Archias sinds lang al zijn studie en al ijn talent heeft gewijd aan (250) het vieren van de glorie en lof van het Romeinse volk? Want ook besteedde hij, hoewel hij nog jong was, aandacht aan de zaak Cambri en hij werd vriendschappelijk met die Gaius Marius zelf, die wordt gezien als nogal ongevoelig voor die studies.
XX. Want niet is er iemand zo afkerig van de muzen dat hij niet toestaat de eeuwige verkondiging van zijn werken makkelijk aan de verzen (255) toe te vertrouwen. Men zegt dat die Themistocles, de hoogste man te Athene, toen van hem gevraagd werd welke act of wiens stem hij het liefste zou horen, zei: “Van hem door wie zijn eigen deugden het best werden aangeprezen.” Op die manier had die Marius eveneens vooral Lucius Plotius lief, van wie hij dacht dat hij met talent die dingen die hij gedaan had kon vieren.
XXI. (260) Ook de Mithridatische oorlog, groot en moeilijk en verwikkeld met vele verschillende landen en zeeën is in zijn geheel door hem beschreven; en hij loofde met zijn boek niet alleen Lucius Lucullus, een meest sterke en beroemde man, maar ook de naam van het Romeinse volk. Want het Romeinse volk (265) opende, met Lucullus als aanvoerder, het eens door koninklijke macht en de natuur zelf en de regio verdedigde Pontus, het leger van het Romeinse volk vernietigde met dezelfde als leider met een niet grote troepenmacht de ontelbare soldaten van de Armenen, het is tot lof van het Romeinse vok dat de stad van de Cyzicenen, meest bevriend, door de raad van dezelfde man uit (270) alle aanvallen door de regio en uit de bek en de kaak van de hele oorlog is gegrepen en gered. Die ongelofelijke zeestrijd bij Tenedos zal steeds de onze genoemd en verklaard worden terwijl Lucius Lucullus [hem] streed, toen de vloot van de vijanden nadat de leiders gedood waren gezonken is, voor ons zijn de trofeeën, voor ons de monumenten, voor ons de (275) triomftochten. En die dingen worden verteld door het talent van hen, door wie [ook] de roem van het Romeinse volk wordt gevierd.
XXII. Geliefd was onze Ennius bij de oudere Africanus, daarom wordt geloofd dat hij zelfs in de tombe van de Scipio’s uit marmer vereeuwigd is. Maar ongetwijfeld wordt niet alleen (280) hij zelf die geëerd wordt door zijn lof versierd, maar ook de naam van het Romeinse volk. Zijn [Cicero wijst naar Cato in het publiek] overgrootvader Cato wordt de hemel in gedragen; grote eer wordt bovendien gedaan aan de zaak van het Romeinse volk. Kortom, al die Maximi, Marcelli, Fulvii worden geprezen, niet zonder gedeelde lof voor ons allen. Dus hem, degene die dit gedaan heeft, (285) een Rudinische man, hebben onze voorouders in de staat opgenomen; moeten wij dan deze Heraclensiër, die door vele steden geprobeerd werd te verkrijgen, echter door wetten in déze geplaatst werd, uit onze staat verdrijven?
XXIII. Want als iemand meent dat er minder vrucht van roem uit Griekse verzen wordt verkregen dan uit Latijnse, vergist hij zich hevig, (290) vanwege het feit dat de Griekse worden gelezen bij bijna alle volkeren, de Latijnse worden gehouden door haar eigen grenzen, zeker gering. Waarom, als die zaken die wij hebben gedaan worden beperkt door de regionen van de wereld, moeten wij wensen dat, waar de wapens van onze mannen hebben gereikt, glorie en roem ook doordringen, omdat niet alleen voor de (295) volkeren zelf waarvan de staatsmacht beschreven wordt die dingen zeer groot zijn, maar omdat dit vooral ongetwijfeld voor hen die om hun leven strijden vanwege de roem een grote stimulans van zowel gevaren als moeite is.
XXIV. Hoeveel schrijvers zegt men dat die grote Alexander had voor zijn prestaties. En toch zei hij, toen hij in Sigeum op (300) de tombe van Achilles stond: “O jij gelukkige jongeling, die Homeros zou vinden als de verkondiger van jouw moed!” En werkelijk: want als die Ilias niet had bestaan, zou dezelfde tombe die zijn lichaam herbergt, ook de naam verbergen. Wat? Onze eigen Magnus, die met zijn moed zijn geluk (305) evenaarde, heeft hij niet Theophanes van Mytilene, de vastlegger van zijn verwervingen, ten overstaan van een samenkomst van het leger, met het burgerschap begiftigd, en die dappere mannen van ons, hoewel ze boeren waren en soldaten, lieten zij niet, zó geraakt door de zoetheid van de overwinning als namen zij deel aan dezelfde roem, met luid geroep hun goedkeuring merken?
XXV. (310) En derhalve, geloof ik, als Archias volgens de wetten geen Romeins burger is, kan hij niet bewerkstelligen dat hij door één of andere legeraanvoerder met het burgerrecht begiftigd wordt. Hoewel Sulla de Spanjaarden en Galliërs ermee begiftigde, geloof ik, zou hij hém weigeren, als hij het vroeg. En wij hebben gezien dat hij voor de vergadering, toen een slechte dichter uit het volk aan hem een boekje (315) presenteerde, omdat hij een epigram over hem had gemaaktmet elk afwisselend vers een beetje langer, beval meteen uit die dingen, die hij toen verkocht, hem een beloning te geven – maar op die voorwaarde dat hij in het vervolg niets meer zou schrijven. Als hij de ijver van de slechte dichter tóch had beschouwd als waardig van enige beloning, had hij dan niet getracht het talent en (320) de deugd en de overvloedigheid in het schrijven van déze man te bereiken?
XXVI.