Theo van Doesburg/Aanteekeningen bij de Bijlagen VI en VII
|
||||||||||||||
|
[J.J.P. Oud. Ontwerp voor een fabriek met |
||||||||||||||
|
BIJLAGE VI VAN „DE STIJL” 3E |
||||||||||||||
|
[Gerrit Rietveld. Buffetkast. Ca. 1920. |
||||||||||||||
|
BIJ DEN DRESSOIR IS GETRACHT DE |
||||||||||||||
|
[Gerrit Rietveld. Armstoel. Ca. 1920. |
||||||||||||||
|
BIJLAGE VII VAN „DE STIJL” |
||||||||||||||
|
[p. 44:] [...] AANTEEKENINGEN BIJ DE BIJLAGE VI EN VII. In tegenstelling met de uitsluitend architectonische bladen is in „De Stijl” de architectuur altijd als kunst behandeld. De z.g.n. vakbladen bepalen zich tot de materialen en de nuttigheid, en wanneer men de aesthetische waarde der architectuur moest meten naar den inhoud der z.g.n. vakbladen, zou het er voor de architectuur als zoodanig slecht uitzien. En de geschriften dan? Zeker er is in Holland veel — en dikwijls: goed — over architectuur geschreven. 44
In Frankrijk is dit nog erger. Men zoekt er te vergeefs de realisatie van Violet-Le-Duc’s gezonde bouwbegrippen. In Parijs — centrum van schilder-cultuur — ontbreekt elke spoor van moderne architectuur. De enkele architect die men er aantreft bepaalt zich tot decoratieve of restauratieve werkzaamheden. Komt dit omdat de huizen uit zuiver nuttigheidsoogmerken ontstaan, zoo goed zijn? Of is de behoefte zich bouwend uit te spreken een trek van de meer noordelijke volken? Het vooropstellen van een aesthetische bedoeling bracht ook hier een decoratieve opzettelijkheid, die aan het bouwend denken vreemd is. De opzet wordt tot een gebrek. De beteekenis van het leven bestaat in de manifestatie van éen-en-hetzelfde op steeds andere wijze. De consequent-moderne kunst drukt deze beteekenis bepaalder uit dan ooit. Het is daarom van belang met elkaâr te vergelijken: een schilderij van Mondriaan (Bijlage V), een beeld van Vantongerloo (Bijlage II), dit ontwerp van Oud en de meubels van Rietveld. In alle vier toont zich — onafhankelijk van elkaâr — een-en-hetzelfde op steeds andere wijze. In de z.g.n. „vrije” kunsten misschien meer op en om zichzelve. In de architectuur en meubelkunst misschien meer gebonden — voor zoo ver zij „onvrije” kunsten zijn. Doch zoodra de consequent-moderne schilderkunst haar steunpunt — dat zij vroeger vond in het, feitelijk buiten haar terrein liggende sujet (de voorstelling) in de architectuur zal (terug)gevonde hebben, zal het blijken dat de steeds verheerlijkte vrijheid, — die haar tot de meest willekeurige en grillige uitingen of tot slaafsche natuurimitatie bracht, — het overblijfsel was van een individualistische cultuur. Er zal geen behoefte meer zijn naar deze losbandigheid van het gevoel in een collectieve cultuur. Op een hoogeren trap van cultuur, zal het losse schilderij of beeld eenvoudig ophouden te bestaan. |
|
| De kunst sterft, zooals de religie gestorven is. | |
| Otto Flake. | |
|
Inderdaad. De kunst heeft in individueelen vorm alles gezegd. Zij zou zich slechts kunnen herhalen, zooals zij voorheen de natuur herhaald heeft. Zij heeft zich in opzettelijkheid uitgeput. De Kunst (= opzettelijkheid) heeft zich zelf overleefd. Zij kan zich in colectieven vorm alleen een nieuwe, hoogere, universeele uitdrukkingsmogelijkheid veroveren. |
|
| De kunst sterft niet, omdat wij zwakker of rationeeler werden. Zij sterft, omdat wij een hoogeren trap van geestelijkheid betreden, waarop ons dit hulpmiddel niet meer voldoet. | |
| Otto Flake (Thesen). | |
|
Het echte in de moderne werken karakteriseert zich door de onopzettelijkheid. Zoowel de schilder, de architect, de beeldhouwer, als de meubelmaker beseffen ieder voor zich 45
dat zij maar met één wezenlijke beeldingswaarde te doen hebben: harmonie door verhouding. En ieder geeft aan dit éene wezenlijke en universeele der beeldende kunst uitdrukking met zijn kunstmiddel. Eéen en hetzelfde dus op steeds andere wijze. [...] 46 |
|