Theo van Doesburg/Expressionistisch-literaire komposities
|
Expressionistisch-literaire komposities |
|
| Auteur(s) | Theo van Doesburg |
| Datum | fenruari 1919 |
| Titel | ‘Expressionistisch-literaire komposities. I’ |
| Tijdschrift | Het Getij |
| Jg, nr, pg | 4, 2, 37-39 |
| Datering | 1916 |
| Opmerkingen | In het maartnummer van de 4e jaargang van Het Getij staat m.b.t. dit artikel de volgende rectificatie: ‘In “Proeve van expressionistisch literaire composities”, in het vorige nummer staat bovenaan blz. 38 blond inplaats van blind oog’. |
| Genre(s) | Fictie |
| Brontaal | Nederlands |
| Bron | Els Hoek (redactie; 2000) Theo van Doesburg. Oeuvrecatalogus, Bussum: Uitgeverij Thot, pp. 682-683. ISBN 9068682555 |
| Auteursrecht | Publiek domein |
|
Expressionistisch-literaire komposities. I I Buiten-omlaag waren lichte en donkere cirkels tusschen de naauwe opening gedrukt en afgesneden door de verticaal-zwarte gordijnvlakken. Cirkels — en hier en daar roode stippen en groene vlekken, horizontale en verticale lijnen zonder beteekenis. Buiten-omhoog hing de duisternis — enorme zwarte ballon. Binnen-omhoog: ’n graauw-wit vierkant, vlak gedragen door fluweel-zwarte duisternis en diep-zwarte verticale schaduw-pilaren. Niets woog en alles was stil. Binnen-omlaag dáár leefden ze en hingen de dingen gemakkelijk-bereikbaar aan de donkere wanden hier en daar oversneden door ’n geelgroene lichtstreep, gelijk het blinkend lemmet van ’n zwaard. Ik vormde al drie maanden ’n hoek met hen in deze duisternis en ik dacht: hoe het leven ook wegrotten kan zònder eerst rijp te zijn geweest; hoe het lichtschijnsel van de straatlantaarn altijd den zelfden vorm de tafel oversneed en tusschen deze vrouwen in was als ’n gele glanzende taart, waaromheen wij hongerig zaten — een gele glanzende taart, die maar niet verdeeld werd. Ha! Ha! Ik dacht: hoe het toch mogelijk was, dat de blinden niet naar licht verlangden, de hongerigen niet naar spijs en zij zich weldadig en verzadigd konden voelen te midden der duisternis en gekweld door honger... De twee vrouwen, die het theeblad en het licht-lichaam tusschen zich in hadden, bewogen zich niet en àls ze een enkel woord spraken, dan was er ook geen beweging in dat woord. Wanneer ik mijn hoofd naar den linkerhoek wendde, waarin ik de oudste der twee vrouwen wist, dan wendde zij haar hoofd af, deed haar schemerhand voor haar duistergelaat en trok zich terug tot puur zwart. Dit kleine vertrek was op dàt schemeruur een rechtopstaande doodkist gelijk, waarin wij schijndood zaten. Om tien uur was het gapenstijd. Het stond op hun duisternisuurwerk: tien uur gapen... elf uur slapen... tien uur gapen... elf uur slapen... eindeloos... eindeloos... eindeloos... Dan wendde mijn hoofd zich werktuigelijk naar den linkerhoek, waar ik de jongste en dikste der twee vrouwen wist. ‘Hoe de onrijpe dingen toch opdrogen en ook vergaan... hoe de onrijpe dingen toch slinken en krimpen en rimpelig worden en graauw en hard als kleine kiezelsteenen.’ Naarmate hare oogen zich dicht persten, spalkte zich haar mond — ’n zwart gat met een gelenbrand afgezet: Hèajaaahuj! Des morgens liepen deze vrouwen, zwanger van den nacht, met gelige gezichten door de graauwe portalen. Zij wierpen schaduwen voor zich uit en kilte. De oudste deed alles met een nachtelijke geruischloosheid en schrikte als de bel ging of wanneer de innerlijke duisternis verstoord werd door een lichtschijnsel dat aan haar voorbij ging. De jongste was de groteske, kort-breede schaduwbeeltenis van dit alles. De gelijkenis. En als de schemer weer volslagen gelijk was aan hen zelf en als ik dan weer den zelfden hoek des driehoeks was... dan dacht ik er weer over hoe men zich wurgt of den nek afscheert en welke een effect het zou maken, wanneer men U vond hangen aan de zoldering met blaauwgezwollen kop en het lichaam hard en buiten de normale proporties uitgerekt. Haarlem, 1916. |