Theo van Doesburg/Over het zien van nieuwe kunst
|
||||||||||||||||||||
| [Marthe Donas. Stilleven. Zie Digital Dada Library.] |
||||||||||||||||||||
| BIJLAGE XI VAN „DE STIJL” TWEEDE JAARGANG No. 6. TOUR D’ONASKY, „NATURE MORTE” (speciaal voor „De Stijl”). |
||||||||||||||||||||
| [Alexandre Archipenko. La boxe. Zie Digital Dada Library.] |
||||||||||||||||||||
| BIJLAGE XII VAN „DE STIJL” TWEEDE JAARGANG No. 6. ALEXANDRE ARCHI- PENKO, „LA BOXE” (speciaal voor „De Stijl”). |
||||||||||||||||||||
| BIJLAGE XIII VAN „DE STIJL” TWEEDE JAARGANG No. 6. THEO VAN DOES- BURG, COMPOSITIE X (1917-1918). |
||||||||||||||||||||
|
[62] OVER HET ZIEN VAN NIEUWE KUNST. AANT. BIJ BIJLAGE 11, 12 EN 13. DOOR THEO VAN DOESBURG
De kunstenaar denkt in verhoudingen.
verouderde perspectievische ruimtevoorstellingen abstract is tegenover de beeldhouwkunst, verkeert zij in de mogelijkheid op het vlak een vermenigvuldiging van ruimteafmetingen op abstracte wijze tot uitdrukking te brengen. Waar het oog een beperkt aantal afmetingen der ruimte waarneemt, zeggen wij 3, daar wordt de geest steeds meerdere ruimteafmetingen, zeggen wij van 4 tot n, gewaar. Daar nu de geest zich in alles tracht uit te drukken om zich in die uitdrukking weer te vinden, te herkennen, en de 3-ruimtelijke voorstellingen tot die uitdrukking niet in staat zijn, moet het ieder die boven de beperkende materialistiesche levensziening is uitgegroeid (voor wie dat niet is, is de moderne kunst, trouwens elke openbaring van den geest ten koste van de werkelijkheid, waarleloos) duidelijk zijn, dat deze uitdrukking van den geest slechts plaats kan hebben ten koste van de 3-ruimtelijke voorstelling. Slechts de onderbreking van de natuur (destructie) brengt in een nieuwe constructie het wonder van den geest tot uitdrukking. Het spreekt dus wel van zelf, dat, waar in de beeldende kunst de ruimte, zoowel innerlijk als uiterlijk, in het middelpunt der kunstenaarsaandacht ligt, men aan een werk kan zien of het volgens het oog of volgens den geest gemaakt is. M. a. w. of het kunstwerk de 3-ruimtelijke werkelijkheid of den n-ruimtelijken geest projecteert. Ofschoon het wezen van alle kunst tegelijk is, moet men de schilderkunst niet volgens de beeldhouwkunst, noch de beeldhouwkunst volgens de schilderkunst of architectuur zien, want in de uitdrukking van het wezen zijn de kunsten verschillend. Aangezien het relief „De Madonna op de Trap”, noch geheel volgens de schilderkundige uitdrukking, noch geheel volgens de plastische uitdrukking is, heeft het geen bepaalde aesthetische, doch alleen een authentieke waarde. In den „Strijd der Lapithen en Centauren” worden wij reeds het zich ontwikkelend ruimte-begrip gewaar. De figuren trachten zich aan het 2-dimensionale te ontrukken. Zij werken zich zichtbaar los. Ofschoon hier ook nog een frontaalwerking overheerscht, zouden wij kunnen zeggen, dat dit werk over het 2-dimensionale heen, maar nog niet aan het 3-dimensionale toe is.
Daarna komen de vrij in de ruimte staande gestalten: David, Bacchus, Mozes, Slaven enz. waarin zich een ontwikkeling van de plastische uitbeelding van de ruimte afspiegelt. Wij moeten bij de beeldhouwkunst zoowel als bij de architectuur onderscheid maken tusschen een 3-dimensionale massa of volume en een beelding in drie afmetingen. Het eerste is in betrekking tot deze kunsten slechts materieel, het tweede meer geestelijk. Een huis of beeld is geen beelding in 3 dimensies, omdat het drie ruimte-afmetingen omsluit. Bij de gevelarchitectuur en bij alle overheerschend frontale beelden, kan sprake zijn van een aesthetische ruimte-uitdrukking, van een beelding in slechts 2 dimensies. Eerst dan is van een beelding in 3 afmetingen sprake, wanneer de aesthetische uitdrukking van den geest, zoowel voor, achter, opzij, in hoogte, breedte en diepte plaats heeft en zooals in een beelding in 2 dimensies een 3-dimensionale voorstelling geprojecteerd kan zijn, zoo kunnen, zooals dit bij Archipenko het geval is, in een beelding in 3 dimensies, 4 tot n dimensies geprojecteerd worden. Dit is geen subjectieve meening, maar objectieve beeldingswettelijkheid, die zich aan alle documenten der traditie tot aan de kunstwerken van onzen tijd kunsthistorisch laat naspeuren.
Wij hebben in de hier gereproduceerde werken verschillende stadia van geestelijke bewustwording te herkennen, drie meer of minder aan de natuurlijkheid gebonden voorstellingsmomenten van het absolute. „Der Geist ist ein unendlich Höheres als die Natur, in ihm manifestiert sich die Göttlichkeit mehr als der Natur” (Hegel). Het laat zich dus begrijpen, dat werken, die volgens den geest gemaakt zijn, van de uiterlijke natuurvormen zullen afwijken en wel meer, minder of geheel, naarmate de geest tot meerdere bepaaldheid gekomen is. Zoo wordt het ieder duidelijk, dat werken als de hier gereproduceerde, niet zintuigelijk (materieel) beschouwd moeten worden. De reden, waarom men de moderne kunst in haar verschillende stadia van geestelijke bewustwording niet begrijpt, schuilt hoofdzakelijk in het feit dat men deze kunstwerken, die noodzakelijk zóó en niet anders uit den geest ontstonden, met de oogen bekijkt, in plaats van ze met hetzelfde waaruit ze ontstonden, met den geest, te aanschouwen. Het gevolg hiervan is, dat menigeen, nog gevangen in een materialistische of natuurlijke kunstopvatting (volgens sentiment, stemming, het hart, emotie enz. enz.) het onverstaanbare van zichzelf (den geest) aanziet voor „formalisme”, „mechanisatie”, „decoratie”, „mathematica”, „systematica” alles wat dies meer zij. |