Naar inhoud springen

Pagina:Album der Natuur 1861.djvu/482

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
66
ALBUM DER NATUUR.

en ovaal zijn; deze zijn de schedels der Arabieren en Joden. Maar ten tweede ook Turanische (Mongoolsche) schedels, vooral onder de Drusen. Men vindt deze laatsten ook bij de overige bevolking van Syrië, behalve bij de Christenen. Deze schedels zijn brachycephaal; het achterhoofd is zeer kort; het boven de linea semicircularis superior gelegen gedeelte van het achterhoofdsbeen is vertikaal; dat, wat begrepen is tusschen deze lijn en het groote achterhoofdsgat, is zeer klein. Daarom puilt het achterhoofd bijna niet naar achteren uit, en volgen de rug, de nek en het achterhoofd elkander bijna in eene regte lijn op. Van achteren gezien, bezitten deze "cylindrische" schedels den pyramidalen vorm bijna even sterk als de Mongoolsche. Het bovendeel des schedels is boven de oogkuilen en de ooren zeer sterk verheven. (Ibid., pag. 454).

 

Generatio spontanea.—De proeven van loewel hebben aangetoond, dat oververzadigde oplossingen van zouten niet kristalliseren, wanneer de lucht, die er mede in aanraking komt, onderworpen wordt aan zekere invloeden, zooals het doorgaan door katoen, door buizen, die ligt verwarmd zijn vóór de proefnemingen, enz.—A. terreil kwam op de gedachte, of deze invloeden ook eenige werking zouden kunnen uitoefenen op de productie van schimmels in zekere organische vloeistoffen. Hij bragt flesschen onder dezelfde omstandigheden als die van loewel (Compt. rend., Tom. LI, pag. 504), doch verwarmde de uiteinden der buizen niet tegen 40 of 50°, maar tegen 120 tot 150°, en verkoelde ze vervolgens langzaam, beschut tegen luchtstroomingen. In de flesschen deed hij organische vloeistoffen, vatbaar voor schimmelvorming, en hij bevond, dat inderdaad zijn vermoeden bevestigd werd. In urine, gedaan in op de wijze van loewel ingerigte flesschen, ontwikkelden zich zelfs na twee maanden geene schimmels, terwijl zij daarentegen in flesschen, wier buizen niet verhit waren geweest, binnen korten tijd met schimmels bedekt werd. (Compt rend., Tom. LII, pag. 851.)

 

Gebruik van creosoot tot bewaring van zachte dierlijke deelen.—Dit gebruik is reeds voor geruimen tijd bekend. Em. rousseau komt er op terug om het op nieuw aan te raden, vooral bij het verzamelen van dieren op reizen. Ingewanden door hem bewaard in een mengsel van 2 kan water en 2 wigtjes creosoot, onderzocht na een verblijf van vier jaren in een wel toegestopte en geluteerde flesch, werden in zulk een staat bevonden, dat men ze opspuiten kon. Zoogdieren, vogelen, reptilen, visschen, insekten en weekdieren zijn zoo buigzaam gebleven alsof zij pas gestorven waren, en zoo dat men er de fijnste anatomische onderzoekingen op kon in het werk stellen. Het mengsel