I.K. Bonset/Het andere gezicht/2

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Het andere gezicht
Auteur(s) I.K. Bonset
Datum September 1920
Titel ‘Het andere gezicht’
Tijdschrift De Stijl
Jg, nr, pg 3, 11, 90-92
Genre(s) Proza
Brontaal Nederlands
Bron Digital Dada Library
Auteursrecht Publiek domein

[90]

[...]

HET ANDERE GEZICHT

DOOR I. K. BONSET

Man en vrouw. — De man erkent het leven als voorstelling, soms zelfs als begrip. De vrouw erkent het leven als werkelijkheid, een erkenning die zich in den omvang van het broederschap projecteert. Daarom komt de vrouw de werkelijkheid nooit teboven. Het leven is haar feit. Vermeerdering, de bevestiging van het feit. Dit schakelt de voorstelling en vanzelf het gezicht uit. Zoo manifesteert het „vrouwelijke” zich als natuurlijke activiteit als vorm.
Voorzoover het mannelijke daaraan deel heeft kan de vrouw, per intuitie, inzicht hebben, maar het is niet (universeel) gegrond. Vandaar dat er geen vrouwelijke denkers, systematici, kunstenaars enz., zijn.
De geestelijke activiteit, het-voortdurend-van-zich-afstooten van het leven, maakt de man geschikt zijn abstracte levenservaring te realiseeren. Het overzintuigelijke wordt op het zintuigelijke afgestemd. Deze strijd op een hooger plan, deze ontkenning van het leven als feitelijkheid, maakt hem ongeschikt voor het standpunt van de vrouw: hij wordt hier mechanisch. Het is zijn doel niet het levensapparaat, als ’n stuk speelgoed, voortdurend op te winden. Het is zijn „moeten” het levensapparaat stuk te slaan, — in welken vorm dan ook: als wetenschap (mechanica, bacteriologie, chemie, mathematica enz.) of als kunst

90


[91]

of als leven of als wat dan ook, — ten einde de deelen en elementen van elkaâr te scheiden en deze volgens de geestelijke wetten van zijn inzicht in andere verhoudingen met elkaâr samen te brengen, te verbinden, tot een nieuw of althans ander geheel.

Nieuwe levensruimten. — Elke veroverde ruimteafmeting, doet in (voor) een bepaalden tijd dienst als levensas. Zoodra deze as is versleten, wordt er een nieuwe ruimteafmetingen ontdekt en alle waarheden, levensfeiten en voorstellingen der realiteit die voor een voorgaande levensas waren bepaald, storten onverbiddelijk in den afgrond van het nietzijnde zijn. Door ontwikkeling van het andere gezicht, het x-stralenzintuig, het abstracte oog, wordt de waarde van het negatieve in de simultaneïteit van alle ruimteafmetingen als eenig mogelijke realiteit ervaren. Vanuit deze occulte realiteit, die zoowel den geest als de materie doordringt, zal het leven zich in tegenovergestelde richting van het verleden ontwikkelen.

Omzetting en uitwisseling. — Wat voorheen geachtebeeld was, wordt nu realiteit (even de beperking van dit begrip aangehouden). De wetenschap (in al hare vormen) ontwikkelt zich, bewust of niet, reeds meer naar het occulte.
De psycho-analyse b.v. toont dat onze gevoelens en gedachten onder ons verdeeld zijn en wat bij den een abstract is, bij den ander reeël wordt, wat bij den een onbewust is, bij den ander tot bewustzijn komt enz. Alle transcendentie wordt eens steenharde realiteit. En dit is zoowel van terugwerkende als van vooruitwerkende kracht. De erkende tijdruimtelijke realiteit wordt reeds begrepen als projectie van de occulte realiteit.

Duimstokmoraal. — Het vegetarisme is een kwestie van den duimstok. Er verloopt geen seconde of wij zwelgen in gedierten, worden door gedierten verzwolgen. Ook de mikroskoop, caricatuur van het groot en klein, is een materieel „ander gezicht”. Het levensbeginsel is absoluut amoreel. Aan elke „geboorte” gaat ’n vernietiging vooraf. De moraliteit van den duimstok is ’n blinde zelfverdediging en wanneer bloed een andere kleur had zouden vegetarisme en kristendom minder aanhangers hebben gehad. Door ons met onze geheele zwakte op deze moraal van den duimstok te werpen met geen andere doel dan ons buiten de eeuwigdurende verwisseling van levensvormen te houden, ontnemen wij ons zelfs grootendeels de mogelijkheid, scheppend deel te nemen aan het universeele levensgebeuren.

De phylosofie van onzen tijd. — De parlementaire phylosofie (Kant, Hegel, Fichte enz.) systematisch op- en uitgebouwd in vastgestelde afmetingen (denkvormen) is waardeloos in onzen tijd, waarin Schopenhauer’s zelfvernietigingsprinciep in vervulling gaat. Deze vormvernietiging komt tot uitdrukking in de intuïrieve philosophie van Nietzsche, Bergon en Dada (Val Serner), het vormlooze denken, waarbij het object zich met het subject vereenzelvigt. Het individu of denksubject heeft zich in het universum ingeschakeld. In het vormlooze denken is het niet het „ik” (bewustzijn) maar het „alles” (universeele onderbewustzijn) dat denkt.
Ik wil dit het gescheiden-ongescheiden denken heeten.

91


[92]

De natuur van den geest. — In het geestelijk prisma zijn de assen bewegelijk en niet stabiel. Zij worden gedurig in den tijd verlegd en door den tijd vermenigvuldigd. Bij het verspringen der facetten — het wettelijk gevolg der bewegelijkheid (geestelijke activiteit — verschijnt gedurig een andere kleur door de oneindigheid geprojecteerd. Deze projecties noemden wij voorheen denk-beelden, doch het beeldend denken, erkent ze als werkelijkheid, als leven, als onzelfstandige eenheid met de materie.

Individueele en collectieve bevrijding. — De massa is de baaierd. De persoonlijkheid, de wil. Deze gaf steeds aan de eerste order, eenheid, evenwicht. Slechts een collectieve persoonlijkheid zal door eenheid van wil (geordende wilsconcentratie) een nieuw levensevenwicht scheppen. Wanneer een massa niet tot algemeen bewustzijn komt van „zichzelf” en zich niet als massa, als blok bevrijdt, d.w.z. verindividualiseert is er geen actie van uit een collectieven wil mogelijk, al wordt deze ook al van buiten af door de individueele persoonlijkheid gewenscht, met het doel door middel van de massa, het blok, den natuurlijken vorm der samenleving te vernietigen. Terwijl de individueele persoonlijkheid den natuurlijken vorm van de samenleving (letterlijk ewn ideeël) te boven is, is de massa aan de incividueele persoonlijkheid nog niet toe. Zij leeft nog in vorm, door vorm, als vorm en is voor een „vormlooze” samenleving, voor gezag(dwang)looze orde, vrijwillige orde, nog onrijp.

Waarde der vernietiging. — Door vernietiging maakt de geest zich tot voorstelling van den wil.

Van mansarde tot kelder. — De geest is een huis met vele étages. De eerste étage is de mansarde, de hoogste étage de kelder. Het leven van elken geestelijken mensch (van elken menschelijken geest) is van deze waarheid de zeer precieze voorstelling.

Ruimte, tijd, natuur. — Ruimte is getal. Tijd vermenigvuldiging. Natuur een repeteerende breuk.

[...]

92