Naar inhoud springen

Pro Archia

Uit Wikisource
(Doorverwezen vanaf Pro archia)
< Marcus Tullius Cicero
Dit is een overzicht van de paragrafen van deze redevoering.
1 - 2 - 3 - 4 - 5 - 6 - 7 - 8 - 9 - 10 - 11 - 12 - 13 - 14 - 15 - 16 - 17 - 18 - 19 - 20 - 21 - 22 - 23 - 24 - 25 - (26 - 27) - 28 (gedeeltelijk) - (29 - 30 - 31 - 32)
(Indeling op paragrafen; aangegeven met Romeinse cijfers. Enkele paragrafen missen nog.)
   Werk in uitvoering   


Dit artikel is nog niet gereed. Het past in de huidige vorm nog niet binnen Wikisource. Mogelijk is de opmaak nog niet in orde, of ontbreken er delen van de tekst.
Iedereen, vooral ook de eerste auteur, wordt uitgenodigd om dit artikel te verbeteren.


(1) Als er iets is in mij van talent, rechters, waarvan ik voel hoe klein het is, of enige ervaring in het spreken, waarin ik niet ontken dat ik me er een beetje mee bezig heb gehouden, of als ik in deze zaak enige strategie bezit, verkregen vanuit de studie van de hoogste kunsten of training, waarover ik (5) beken dat geen tijd van mijn leven ervoor is teruggeschrokken, van al deze zaken moet wel als eerste deze Aulus Licinius bijna volgens zijn recht de vruchten van mij terugvragen. Want voor zó ver mijn geest terug kan kijken in de voorbije periode van tijd en terug kan roepen de (10) verste herinneringen van mijn kindertijd, van daar af aan één stuk door zoekend zie ik dat hij mij als eerste aanzette tot het opnemen en het binnentreden van de richting van die studie. Maar als deze stem, gevormd door zijn aansporing en instructies niet voor niemand soms tot redding was, zijn wij toch zeker aan hemzelf, van wie wij dit hebben ontvangen (15) waardoor wij sommigen kunnen bijstaan en anderen kunnen redden, verschuldigd zoveel als in ons vermogen ligt, en hulp en redding te brengen.

En opdat niemand zich verwondert dat dit door ons toevallig zó gezegd is, namelijk omdat er een andere aanleg in talent in hem is, en niet de strategie noch de studie van het spreken, zelfs wij hebben ons niet altijd compleet op deze ene studie (20) toegelegd. Want ook álle kunsten die horen bij de beschaving hebben een zekere gemeenschappelijke band en worden samengehouden als door een zekere bloedverwantschap.

Maar opdat het niet aan iemand van u het misschien verwonderlijk schijnt te zijn, dat ik in een wettelijk onderzoek en in een publieke rechtszaak, wanneer de zaak wordt voorgeleid bij de praetor van het Romeinse volk, een meest eerbiedwaardige man, en bij zeer (25) strenge rechters, met een zo grote samenkomst en drukbezocht door mensen, dit type van spreken gebruik, wat niet alleen strijdig is met de gewoonte van rechtszaken, maar ook met de gerechtelijke manier van spreken, vraag ik van u dat u mij in deze zaak deze gunst verleent, toepasselijk voor deze aangeklaagde, voor u, naar (30) ik hoop, niet vervelend, dat u mij, terwijl ik spreek voor de hoogste poëet en de meest welsprekende man, toestaat bij deze samenkomst van zeer belezen mannen, deze cultuur van u, en tenslotte de praetor die over deze rechtszaak gaat, iets vrijelijker te spreken over de studie van cultuur en literatuur, en voor een persoon van (35) dien aard dat hij vanwege vrije tijd en studie zeer weinig ervaren is in rechtszaken en juridische problemen en een zekere, welhaast nieuwe en ongewone manier van spreken te gebruiken.

En als ik zal merken dat dit aan mij door jullie wordt gegeven en toegestaan, zal ik ongetwijfeld bewerkstelligen dat jullie geloven dat deze Aulus Licinius niet alleen niet verbannen moet worden (40) uit het aantal burgers, omdat hij een burger is, maar ook dat hij, als hij er niet één was, er één zou moeten worden. Want zodra Archias uit de jongenstijd was gegroeid en uit die studies waardoor men gewoon is de jongens tot beschaving te brengen, legde hij zich toe op de studie (45) van het schrijven. Eerst in Antiochië, – want op deze plaats werd hij uit een nobele familie geboren – een zekere drukke stad en rijk, en rijk aan zeer welsprekende mannen en de studie van de vrije kunsten, begon hij al snel in roem van zijn talent allen te overstijgen. Vervolgens werden zijn bezoeken in overige delen van Azië en geheel Griekenland (50) zó drukbezocht, dat de verwachting van de man de roem van zijn talent overtrof, zijn komst en de bewondering van hemzelf de verwachting.

Italië was toen vol van kennis en trainingen van Grieken, en deze lessen werden toen ook in Latium enthousiaster ontwikkeld dan nu in deze zelfde steden, en (55) hier in Rome werden zij vanwege de rust in de republiek niet verwaarloosd. En zo gaven en de Terentijnen en de Locrensiërs en de Regini en de Neapolitanen hem het burgerschap en andere prijzen ten geschenk, en allen die iets van talent konden beoordelen schatten hem waardig van erkenning en hospitium. Terwijl hij door zulke bekendheid van (60) zijn roem reeds bekend was [aan ons] hoewel hij afwezig was, kwam hij naar Rome tijdens het consulaat van Marius en Catulus. Hij raakte als eerste in contact met deze consuls, waarvan de ene grote dingen om over te schrijven, de ander niet alleen prestaties maar ook enthousiasme en luistervaardigheid kon leveren. Meteen lieten de Luculli hem toe in hun huis, hoewel ook toen nog Archias de toga pratexta droeg. (65) Zelfs dit gaf blijk niet alleen van de brilliance van zijn talent en van zijn literatuur, maar ook van zijn aard en karakter; dat namelijk het huis, dat hem in zijn jeugd als eerste begunstigde, van dezelfde zeer hoge genegenheid was voor zijn oude dag.

Hij was in die tijd vriendschappelijk met Quintus Metellus, (70) die Numidiër, en met zijn zoon Pio, werd gehoord door Marcus Aemilius, leefde met Quintus Catulus, zowel de vader als de zoon, en werd in ere gehouden door Lucius Crassus. En de Luculli inderdaad en Drusus, en de Octavii, en Cato en het hele huis van de Hortensii, omdat hij hen verbonden hield met vriendschap werd hij behandeld met de hoogste eer, omdat niet alleen zij hem (75) onderhielden, die zich erop toelegden iets op te vangen of te horen, maar ook als zij soms deden alsof. Ondertussen, na een lang genoeg interval, toen hij met Marcus Lucullus naar Sicilië was vertrokken en toen hij uit die provincie met dezelfde Lucullus wegging, kwam hij naar Heraclea. En omdat zij een stad was (80) met zeer terechte privileges en een verdrag, wilde hij zich in haar burgerij inschrijven, en omdat hij op zichzelf waardig werd bevonden, verkreeg hij dit door de invloed en de populariteit van Lucullus, van de Heracleanen.

Gegeven werd het burgerschap op besluit van Silvanus en Carbo: "als enigen zijn ingeschreven bij federale/verbonden (85) steden, als zij op het moment dat de wet werd ingediend in Italië een huis hadden en als zij binnen zestig dagen officieel bij de praetors zijn aangegeven". Omdat hij reeds vele jaren een vaste woonplaats had te Rome, heeft hij zich aangegeven bij de praetor Quintus Metellus, zijn meest naaste vriend.

VIII

[bewerken]

(90) Als wij over niets anders dan burgerschap of wet spreken, zeg ik verder niets: de zaak is gezegd. Want wat van die dingen, Gratius, kan worden onderuitgehaald? Zul je ontkennen dat hij toen in Heraclea is ingeschreven? Een man van de hoogste autoriteit, en piëteit, en betrouwbaarheid is aanwezig, Marcus Lucullus, die zegt dat hij niet gelooft maar weet, niet heeft gehoord maar heeft gezien, niet aanwezig was maar heeft meegedaan. Aanwezig zijn Heracleaanse legaten, meest nobele mannen, zij zijn gekomen vanwege deze rechtszaak en met contracten en publieke getuigenissen; zij zeggen dat hij ingeschreven is in Heraclea. Hier vraagt u naar d epublieke documenten van Heraclea, waarvan wij allen weten dat ze verloren zijn gegaan in de Italiaanse oorlog, toen het archief afbrandde? Het is belachelijk over die dingen die we hebben niets te zeggen, te vragen naar die dingen die wij niet kunnen hebben, en om te zwijgen over de herinnering van mannen, maar de herinnering van documenten te eisen en, terwijl je het consciëntieuze bewijs van een meest eerbare man hebt, de eed en het vertrouwen van een onbedorven stad, die dingen af te wijzen die op geen enkele manier kunnen worden verdraaid, [maar] documenten te verlangen waarvan je op hetzelfde moment zegt dat men gewoon is ze te vervalsen.

Of had hij geen vaste verblijfplaats te Rome, hij die zoveel jaren voordat het burgerschap gegeven werd de plaats van al zijn zaken en eigendommen in Rome lokaliseerde? Of heeft hij zich niet aangegeven? In tegendeel, hij (110) is geregistreerd in díe documenten, die als enige uit die verklaring en die verzameling van praetoren, de macht van publieke documenten te bezitten. Want, hoewel werd gezegd dat de documenten van Appius nogal zorgeloos werden bewaakt, en hoewel de onbetrouwbaarheid van Gabinius, zo lang als hij vrij was, en zijn ongeluk na zijn veroordeling al het vertrouwen van zijn documenten teniet deed, (115) was Metellus, de meest deugdzame en ingetogen man van allen, van zo grote opmerkzaamheid, dat hij naar Lucius Lentulus de praetor en naar de rechters kwam en zei dat hij door de verwijdering van één naam ontsteld was. Dus zult u in deze documenten geen vervalsing zien wat betreft de naam Aulus Licinius.

(120) En omdat die dingen zo zijn, wat is het [dan] dat jullie zouden betwijfelen aan zijn burgerschap, vooral omdat hij ook in andere steden werd ingeschreven? En inderdaad wanneer mensen aan vele middelmatige en of met geen of met weinig [van] enige kunst begiftigden in Magna Graeca het burgerschap grátis aanboden, geloof ik dat de Reginiërs of de Locrensiërs of de (125) Neapolitanen of de Tarentijnen, dit niet wilden geven aan deze met de hoogte roem van talent begunstigde, wat zij gewoon waren aan acteurs te geven! Wat? Terwijl anderen niet alleen nadat ze burgerschap hadden gekregen maar ook na de wet van Papius zich met alle middelen in de documenten van die gemeentes wurmden, zal hij worden geweigerd, die zelfs niet (130) díe gebruikte waarin hij geschreven was, omdat hij altijd Heracleaan wilde zijn?

Je vraagt naar onze censusrapporten. Natuurlijk! Want het is onduidelijk dat hij onder de laatste censors met de meest roemvolle bevelhebber Lucius Lucullus bij het leger was, onder de vorige dat hij met dezelfde [dit keer] als quaestor in Asia was, onder de eerste, Iulus en Crassus, dat geen deel van de bevolking geregistreerd is. Maar, aangezien de census niet het recht van burgerschap bevestigt en slechts zoveel uitwijst dat hij, die opgenomen is, zich reeds toen zo gedroeg als burger, gedurende die tijd maakte hij, waarvan u zegt dat hij niet eens in zijn eigen mening verbonden was met het recht van de Romeinse burgers, én vaak een (140) testament volgens onze wetten, én hij kwam in de erfenissen van Romeinse burgers, én hij is aanbevolen voor een beloning uit de schatkist door Lucius Lucullus proconsul. Zoek naar bewijzen, als je enige kunt vinden; want nooit zal hij schuldig worden bevonden noch door eigen oordeel noch dat van zijn vrienden.

Grattius, je zal aan ons vragen waarom wij zozeer gecharmeerd worden door deze man hier. (Dat is) omdat hij ons (een toevlucht) verschaft waar de geest zich (kan) herstellen van / na dit lawaai op het forum en waar de oren, die vermoeid zijn door scheldpartij(en) rust (kunnen) vinden. Of denk jij soms dat (datgene) dat we dagelijks vertellen in zo’n grote verscheidenheid van zaken, voor ons voldoende voorhanden kan zijn, als wij onze geesten niet verrijken door literatuur; (of denk jij soms) dat onze geesten zo’n grote inspanning kunnen verdragen, als we hen niet ontspannen met diezelfde literatuur? Ik in elk geval geef toe dat ik me aan deze studies (van de literatuur) heb overgegeven. Mogen de anderen zich schamen, als (er zijn) die zich zodanig hebben verborgen voor de literatuur dat zij daaruit niets kunnen aanbrengen tot gemeenschappelijk belang / nut en evenmin naar voren brengen in de aanblik en het licht; waarom moet ik me echter schamen, (ik) die (reeds) zoveel jaren op zo’n manier leef, (heren) rechters, dat mijn vrije tijd me nooit heeft weggetrokken van de benarde situatie of het belang van ook maar iemand of dat de begeerte (mij daarvan) heeft weggeroepen of ten slotte dat de slaap (dit) heeft uitgesteld / vertraagd?

XIII

[bewerken]

Daarom, wie dan toch zou me kunnen tegenhouden of wie zou het me terecht kwalijk kunnen nemen, als ik evenveel (van tijd) neem voor mezelf om deze (literatuur)studie te beoefenen als er tijd aan anderen wordt toegestaan om hun eigen belangen te behartigen, om de ‘feestdagen van de spelen’ te vieren, voor andere begeertes en zelfs voor de rust van geest en lichaam, als (tijd die) anderen schenken aan feestmalen die te vroeg beginnen en ten slotte aan het dobbelspel (of) het balspel? En dit moet aan mij des te meer toegestaan worden, omdat ten gevolge van deze (literatuur)studies ook dit redenaarstalent (van mij) toeneemt, dat, hoe weinig ik er ook in me heb, nooit heeft ontbroken in / bij gevaarlijke situaties van vrienden. En als dit (redenaarstalent) aan iemand nogal beperkt lijkt, dan weet ik tenminste zeker uit welke bron ik die dingen, die het belangrijkst zijn, put.

Want als ik vanaf mijn jeugd door de voorschriften van velen en door veel literatuur mezelf er niet van had overtuigd dat (ten eerste) niets in het leven zozeer nagestreefd moet worden als roem en deugd en dat (ten tweede), bij het nastreven van die dingen, alle kwellingen van het lichaam (en) alle gevaren van de dood en verbanning als onbelangrijk (= parvi) moeten worden beschouwd, dan zou ik me nooit voor jullie welzijn hebben gestort / geworpen in zovele en zo’n grote twisten en in deze dagelijkse aanvallen van verdorven mensen.
Maar de boeken staan er allemaal vol van, de uitspraken van de wijzen (zijn er) vol van, de oude voorbeelden (< de ouderdom van de voorbeelden) (zijn er) vol van; en die dingen zouden allemaal in de duisternis liggen, als het licht van de literatuur (hen) niet benaderde. Hoeveel beelden van zeer dappere mannen hebben zowel de Griekse als de Latijnse schrijvers ons (wel niet) nauwkeurig uitgedrukt achtergelaten, niet alleen om ze te ze bekijken, maar ook om ze na te volgen / na te bootsen! En terwijl ik deze (beelden) bij mezelf altijd voor ogen hield (= proponens) bij het besturen van de republiek, vormde ik mijn gemoed en mijn geest precies door het denken aan (die) uitstekende mensen.

Iemand zal vragen: ‘Hoezo? Zijn die beroemde grote mannen, van wie de kwaliteiten / deugden door de letterkunde zijn ‘verraden’, dan zelf gevormd door die verdomde wetenschap (nl. de letterkunde) die jij aanprijst (< naar buiten brengt) met lofbetuigingen? Het is moeilijk dit in verband met allen te bevestigen, maar toch is het (voor mij) zeker / duidelijk wat ik moet antwoorden. Ik geef toe (ten eerste) dat er vele mensen zijn geweest met een uitstekend karakter en deugd, zonder literaire vorming; (ten tweede geef ik toe) dat zij uit zichzelf zowel bescheiden als ernstig zijn geweest door een bijna goddelijke houding van de natuur zelf; ik voeg er ook nog het volgende aan toe: dat een natuurlijke aanleg zonder wetenschap vaker heeft bijgedragen tot lof en roem dan een wetenschap zonder natuurlijke aanleg. En ik, diezelfde, beweer ook het volgende, namelijk dat wanneer een bepaalde methode en vorming door (< van) de wetenschap (= literatuur) bij een uitstekende en schitterende natuurlijke aanleg komt, er dan gewoonlijk iets – ik weet niet wat – voortreffelijks en buitengewoons ontstaat;

(Ik beweer) dat deze (man), die onze voorouders nog hebben gekend, een onsterfelijke (< goddelijke) man, tot deze groep behoort: Africanus, en eveneens Gaius Laelius en Lucius Furius, heel bescheiden en heel beheerste mannen; (eveneens behoort) tot die (groep) een heel dapper en in die tijden heel geleerd man, Marcus Cato, die beroemde oude man; en die mannen zouden zich vast en zeker nooit op de studie van die (literatuur) hebben gericht, als zij door de literatuur in geen enkel opzicht werden geholpen bij het opnemen en uitoefenen van de deugd.
Zelfs indien dit zo grote voordeel niet werd aangetoond en (zelfs) als uit deze studies alleen genot werd nagestreefd, zouden jullie – naar ik meen – deze ontspanning van de geest (moeten) beschouwen als de meest menselijke en het meest een vrij man waardig. Want de overige (ontspanningen van de geest) zijn niet van (alle) tijden, niet van alle leeftijden, niet van alle plaatsen; maar deze studies (van de literatuur) voeden de jeugd, houden de oude dag aangenaam, maken voorspoed mooier, bieden een toevluchtsoord en troost in tegenspoed, brengen plezier thuis, hinderen niet buitenshuis, overnachten met ons, reizen (met ons) en verblijven op het platteland (met ons).

XVII

[bewerken]

Zelfs indien wij zelf deze (literatuurstudie) niet konden aanraken, noch proeven met onze smaakpapillen, toch zouden we die moeten bewonderen, ook wanneer we die bij anderen zouden zien. Wie van ons was er met zo’n verwilderd en hard gemoed, dat hij onlangs niet werd geraakt door de dood van Roscius? Ook al was deze als een oude man gestorven, toch leek hij wegens zijn uitstekende kunst en sierlijkheid helemaal niet gestorven te mogen zijn. Dus, deze had door de beweeglijkheid van zijn lichaam voor zich zo’n grote liefde vanwege ons allen gewonnen; zullen wij dan de ongelooflijke beweeglijkheid van geest en de snelheid van talent verwaarlozen?

XVIII

[bewerken]

Hoe vaak heb ik deze Archias hier gezien, heren rechters – ik zal immers jullie welwillendheid gebruiken, aangezien jullie me zo aandachtig beluisteren bij deze nieuwe manier van spreken – hoe vaak heb ik gezien dat mijn cliënt hier, hoewel hij geen enkele letter had geschreven, een groot aantal uitstekende verzen, precies over die zaken die toen gebeurden, voor de vuist weg declameerde! Hoe vaak (heb ik gezien dat mijn clënt hier), toen hij was teruggeroepen, over dezelfde zaak sprak met veranderde woorden en gedachten! Maar ik heb ook gezien dat die dingen, die hij zorgvuldig en met overleg had opgeschreven, zodanig werden goedgekeurd dat hij de roem van de oude schrijvers bereikte. Zou ik mijn cliënt hier dan niet waarderen, moet ik (hem dan) niet bewonderen, moet ik dan niet denken (dat hij) op elke manier moet verdedigd worden?
En we hebben als volgt van heel belangrijke en heel geleerde mensen vernomen dat de studies van de overige wetenschappen berusten op onderricht en voorschriften en kunst, (maar) dat de dichter krachtig is door zijn eigen natuur en dat hij aangemoedigd wordt door de krachten van zijn geest en dat hij als het ware door een of andere goddelijke adem bezield wordt. En daarom noemt die befaamde Ennius van ons dichters terecht ‘heilig’, omdat ze ons als het ware aanbevolen lijken te zijn door een of ander geschenk en dienst van de goden.

Laat dus, rechters, heilig zijn bij u, zeer geciviliseerde mannen, deze naam van een poëet, welke geen barbaar ooit heeft verwaarloosd. Rotsen en verlaten plekken (240) antwoorden met zijn stem, enorme beesten worden steeds beïnvloed door een lied en blijven staan; moeten wij, geleerd door de beste zaken niet door de stem van poëten worden geroerd? De Colophoniërs zeggen dat Homeros een burger van hen was, de Chii claimen dat, de Salamini eisen dat, de Smyrnaeërs stellen vast dat hij werkelijk een burger van hen was en daarom ook hebben zij (245) in hun stad een tempel aan hem gewijd, zeer veel anderen streden daarna onderling en waren het er niet mee eens. Dus zij probeerden een vreemdeling zelfs ná zijn dood te verkrijgen, omdat hij een dichter was; moeten wij hem, levend, die én vrijwillig én volgens wetten de onze is, weigeren, zeker wanneer Archias sinds lang al zijn studie en al zijn talent heeft gewijd aan (250) het vieren van de glorie en lof van het Romeinse volk? Want ook besteedde hij, hoewel hij nog jong was, aandacht aan de zaak Cambri en hij werd vriendschappelijk met die Gaius Marius zelf, die wordt gezien als nogal ongevoelig voor die studies.

Want niet is er iemand zo afkerig van de muzen dat hij niet toestaat de eeuwige verkondiging van zijn werken makkelijk aan de verzen (255) toe te vertrouwen. Men zegt dat die Themistocles, de hoogste man te Athene, toen van hem gevraagd werd welke act of wiens stem hij het liefste zou horen, zei: “Van hem door wie zijn eigen deugden het best werden aangeprezen.” Op die manier had die Marius eveneens vooral Lucius Plotius lief, van wie hij dacht dat hij met talent die dingen die hij gedaan had kon vieren.

(260) Ook de Mithridatische oorlog, groot en moeilijk en met wisselend succes ter land en ter zee gevoerd is in zijn geheel door hem beschreven; en hij loofde met zijn boek niet alleen Lucius Lucullus, een meest sterke en beroemde man, maar ook de naam van het Romeinse volk. Want het Romeinse volk (265) opende, met Lucullus als aanvoerder, het eens door koninklijke macht en de natuur zelf en de regio verdedigde Pontus, het leger van het Romeinse volk vernietigde met dezelfde als leider met een niet grote troepenmacht de ontelbare soldaten van de Armenen, het is tot lof van het Romeinse vok dat de stad van de Cyzicenen, meest bevriend, door de raad van dezelfde man uit (270) alle aanvallen door de regio en uit de bek en de kaak van de hele oorlog is gegrepen en gered. Die ongelofelijke zeestrijd bij Tenedos zal steeds de onze genoemd en verklaard worden terwijl Lucius Lucullus [hem] streed, toen de vloot van de vijanden nadat de leiders gedood waren gezonken is, voor ons zijn de trofeeën, voor ons de monumenten, voor ons de (275) triomftochten. En die dingen worden verteld door het talent van hen, door wie [ook] de roem van het Romeinse volk wordt gevierd.

XXII

[bewerken]

Geliefd was onze Ennius bij de oudere Africanus, daarom wordt geloofd dat hij zelfs in de tombe van de Scipio’s uit marmer vereeuwigd is. Maar ongetwijfeld wordt niet alleen (280) hij zelf die geëerd wordt door zijn lof versierd, maar ook de naam van het Romeinse volk. Zijn [Cicero wijst naar Cato in het publiek] overgrootvader Cato wordt de hemel in gedragen; grote eer wordt bovendien gedaan aan de zaak van het Romeinse volk. Kortom, al die Maximi, Marcelli, Fulvii worden geprezen, niet zonder gedeelde lof voor ons allen. Dus hem, degene die dit gedaan heeft, (285) een Rudinische man, hebben onze voorouders in de staat opgenomen; moeten wij dan deze Heraclensiër, die door vele steden geprobeerd werd te verkrijgen, echter door wetten in déze geplaatst werd, uit onze staat verdrijven?

XXIII

[bewerken]

Want als iemand meent dat er minder vrucht van roem uit Griekse verzen wordt verkregen dan uit Latijnse, vergist hij zich hevig, (290) vanwege het feit dat de Griekse worden gelezen bij bijna alle volkeren, de Latijnse worden gehouden door haar eigen grenzen, zeker gering. Waarom, als die zaken die wij hebben gedaan worden beperkt door de regionen van de wereld, moeten wij wensen dat, waar de wapens van onze mannen hebben gereikt, glorie en roem ook doordringen, omdat niet alleen voor de (295) volkeren zelf waarvan de staatsmacht beschreven wordt die dingen zeer groot zijn, maar omdat dit vooral ongetwijfeld voor hen die om hun leven strijden vanwege de roem een grote stimulans van zowel gevaren als moeite is.

XXIV

[bewerken]

Hoeveel schrijvers zegt men dat die grote Alexander had voor zijn prestaties. En toch zei hij, toen hij in Sigeum op (300) de tombe van Achilles stond: “O jij gelukkige jongeling, die Homeros zou vinden als de verkondiger van jouw moed!” En werkelijk: want als die Ilias niet had bestaan, zou dezelfde tombe die zijn lichaam herbergt, ook de naam verbergen. Wat? Onze eigen Magnus, die met zijn moed zijn geluk (305) evenaarde, heeft hij niet Theophanes van Mytilene, de vastlegger van zijn verwervingen, ten overstaan van een samenkomst van het leger, met het burgerschap begiftigd, en die dappere mannen van ons, hoewel ze boeren waren en soldaten, lieten zij niet, zó geraakt door de zoetheid van de overwinning als namen zij deel aan dezelfde roem, met luid geroep hun goedkeuring merken?

(310) En derhalve, geloof ik, als Archias volgens de wetten geen Romeins burger is, kan hij niet bewerkstelligen dat hij door één of andere legeraanvoerder met het burgerrecht begiftigd wordt. Hoewel Sulla de Spanjaarden en Galliërs ermee begiftigde, geloof ik, zou hij hém weigeren, als hij het vroeg. En wij hebben gezien dat hij voor de vergadering, toen een slechte dichter uit het volk aan hem een boekje (315) presenteerde, omdat hij een epigram over hem had gemaaktmet elk afwisselend vers een beetje langer, beval meteen uit die dingen, die hij toen verkocht, hem een beloning te geven – maar op die voorwaarde dat hij in het vervolg niets meer zou schrijven. Als hij de ijver van de slechte dichter tóch had beschouwd als waardig van enige beloning, had hij dan niet getracht het talent en (320) de deugd en de overvloedigheid in het schrijven van déze man te bereiken?

XXVIII

[bewerken]

En omdat jullie dit liever zouden doen, zal ik mijzelf aan jullie bekend maken, rechters, en iets over mijn liefde voor roem, misschien te hevig maar wel gepast voor jullie, bekennen. Want wij hebben

Afkomstig van Wikisource NL, de Vrije Bron. "https://nl.wikisource.org/w/index.php?title=Pro_Archia&oldid=73888"