Theo van Doesburg/Moderne wendingen in het kunstonderwijs/6

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Moderne wendingen in het kunstonderwijs
Auteur(s) Theo van Doesburg
Datum Juli 1919
Titel ‘Moderne wendingen in het kunstonderwijs (III)’
Tijdschrift De Stijl
Jg, nr, pg 2, 9, 102-104
Genre(s) Proza
Brontaal Nederlands
Bron Digital Dada Library
Auteursrecht Publiek domein

[102]

MODERNE WENDINGEN IN HET KUNSTONDERWIJS (III).

DOOR THEO VAN DOESBURG.

                                                      

Ethische overwegingen in verband met de monumentale schilderkunst. Intreerede van Prof. R. N. Roland Holst bij de aanvaarding van zijn ambt als buitengewoon Hoogleeraar aan de Rijksacademie van Beeldende Kunsten te Amsterdam.

Naar aanleiding van de aanvaarding van het hoogleeraarambt aan de academie te Amsterdam sprak de heer Roland Holst dan een rede uit...
Het is mij, zelfs na veel inspanning, niet mogen gelukken de reden van deze rede te vatten. Het komt mij voor dat wij hier te doen hebben met een staaltje van bizondere phrasealogie, waaraan een bepaalde denklijn geheel ontbreekt. Het is slechts een vermoeiend bij-een-brengen van verschillende brokken van meest niet doorleefde inzichten. Daar zijn, picturale met monumentale, ethische met aesthetische, sociale met behoudzuchtige, avant-gardistische met conventioneele, mathematische met grillige vermengd.
De anti-monumentale, aan vroeger stijlen ontleende decoraties van Prof. Roland Holst kennende, (men zie een van spreuk-en-krullen-voorzien specimen in „Stijl” No. 7 1e Jaargang, Bijlage XII) moet het allen die de hervorming der kunst in de aanvang der XXe eeuw hebben meegeleefd wel zeer bevreemden dat het in dezen tijd, in Holland nog


[103]

mogelijk is, dat van dezen van geen enkel bepaalde geestesorde getuigende imitator, de leiding der monumentale kunst der XXe eeuw moet uitgaan.
Alvorens deze rede aan de rede te toetsen is het daarom noodig door onderstaande cultureele inleiding de sfeer te karakteriseeren waarin dit amalgama van den geest ontstond.

Vóór de ontbinding van een kultuur intreedt, ontstaat er een, meestal kort, tijdperk van verweekelijking. Het vrouwelijk element krijgt de overhand. Het gebaar wordt theatraal. Het pathos onecht. De sentimentaliteit, het geteem, nemen vage, onbepaalde vormen aan. In de schilderkunst gaan Vorm en Kleur te gronde. Vorm vervloeit tot een grillig spel van slappe lijnen; Kleur wordt afgestemd tot graauw.
En in deze vaagheid gaan zelfs de karakteristieke trekken verloren van dát tijdperk waarin deze schijnwaarden eener zelfgenoegzame en burgerlijke cultuur, gebaseerd op de, den geest verlammende opeenvolging van aandoeningen, nog beteekenis hadden.
Twee ziekten treden chronisch op:
ruimteschuwheid,
kleurenvrees.
En met het toenemen van den vrees voor het klare en vaste, groeien de waan, de pose en de arrogantie.
Alle wapens van de zwakken.
Alle, wapens van de vrouw.
De plant, die in deze atmosfeer het best gedijdt is het Dilettantisme. In groot — in klein — in zakformaat.
Waar elk wezenlijk, op waarheid gebaseerd, beginsel verloren gaat, daar rest als residu van deze beursche cultuur een groote hoeveelheid op leugen en verwarring gegronde détail-beginselen.

Ach vreeselijk is de ontbinding aan het nog levende lichaam!

De oude cultuur, de cultuur van Jean Jacques Rousseau, de cultuur van het hart, de cultuurlooze cultuur der klein-burgerlijke intelligentie met hare harige apostelen: Morris en Ruskin, de concentrische cultuur, de cultuur van het „Ik” en „Mijn” is nog niet heel en gansch een lijk.
Deze cultuur, van oorsprong Grieksch-Renaissancistisch, zij leeft nog een onbepaald bestaan tusschen ons, zij tracht zich in uiterste wanhoop te bestendigen door als een kamelion de kleur aan te nemen van den nieuwen tijd.
Maar wij — wij herkennen haar aan hare sociale en democratische blanketsels.

Wij weten dat dit alles slechts smink is.

Deze cultuur dan — zij is niet slechts in den staat gebaseerd op roof, maar ook in den kunst: men pleegt fraude. Men plundert de aesthetische brandkast van het verleden, men


[104]

besteelt Michel Agniolo of men rolt — onder den schijn van dankbaarheid voor wat der vaderen wrochten — de zakken van Luini en Da Vinci.
Of men gaat bij zijn naasten buur op bezoek.
Deze cultuur dan — deze barokcultuur, die nu in dezen tijd, waarin een nieuw tijdsbewustzijn is doorgedrongen, in het gedrang komt met de nieuwe excentrische cultuur — gericht op het algemeene, de Waarheid — gaat nu te gronde. Doch niet, alvorens zich gemanifesteerd te hebben in enkele personen — de burgerlijke officieele dilettanten in groot formaat — die zich in dit vreeselijk uur trachten te redden door de pose der arrogantie.

Binnen de zeer kleine afmetingen van dit land, kan men gaan beseffen met het hierboven aangeduide, niet slechts een persoon, maar de geheele richting waarvan Prof. Roland Holst als proto-type fungeert, — en daarin schuilt dan ook zijn beteekenis, — in sfeer gezet te hebben.

(Wordt vervolgd).