Theo van Doesburg/Opstanding/1

Uit Wikisource
Ga naar: navigatie, zoeken
Opstanding [1]
Auteur(s) Theo van Doesburg
Datum 22 maart 1913
Titel Opstanding
Tijdschrift Eenheid
Jg, nr, pg [3], 146, z.p.
Opmerkingen In Eenheid, nummer 147, staat met betrekking tot dit artikel de volgende rectificatie: ‘We hopen, dat de lezers uitgevonden zullen hebben, dat de te betreuren verminking der vorige feuilleton werd veroorzaakt door verwisseling der kolommen 3 en 4’.
Brontaal Nederlands
Auteursrecht Publiek domein

FEUILLETON.


OPSTANDING.

Een historisch gedachtenspel van Schoonheid en Liefde in één bedrijf.

door

THEO VAN DOESBURG.

(Speelt zich af in de XXe eeuw.)

      Personen:
A d o n i s, een schilder.
J o r s a  L a  F a r a, schilder en vriend van Adonis.
E e n  m e i s j e, model.
      (Een schildersatelier. Aan de straatzijde vier hooge ramen, waardoor een overvloedig licht naar binnen stroomt. In ’t midden van ’t atelier een kleine verhooging, een soort podium, aan de achterzijde afgeschut door een kamerscherm. Op deze verhooging zit, op een stoel zonder leuning, een naakt meisje, in een moeilijke, gedwongen pose. Aan den voorkant van den stoel zijn eenige lapjes, voor tegenstelling,van rood en donker grijs fluweel gespijkerd. Het gelaat van het meisje, voor zoover het door het vrij neerhangende haar te zien is, vertoont een uitdrukking van vervelende vermoeidheid en gedwongen onderwerping. Zij is sterk belicht; hel en rauw. Niet alleen door de hooge ramen aan de straatzijde ontvangt zij ’t licht, doch bovendien door een lantaarn, aangebracht in de zoldering van het atelier, ontvangt zij sterk bovenlicht. —
      Van tijd tot tijd valt een dikke regendroppel, door de naden der zoldering, op den schouder van het meisje.
      Rechts van de verhooging, waarop zij zit, staat schuin voor een kachel die „aan” is een divan.Links van de verhooging een groote kast. Ook een tafeltje waarop wat vruchten, een tinnen schaal en een opengeslagen bijbel met een pijp. Aan de wanden eenige reproducties: een naaktfiguur van Courbet, een naaktfiguur van Ingres. Ook een schilderij in olieverf, voorstellende „Het oordeel van Paris”.
      Van het plafond af hangt een scharlaken kleed, stil, in het atelier neer. Voor de ramen. met den rug naar het licht, staat voor een groot schilderdoek op ezel de schilder Adonis; mager en stil. Hij heeft bruin krulhaar, groote oogen, die zwart doen in ’t witte gezicht. Noch baard, noch snor. Hij heeft den sterk gekrulden mond van Nero. Hij ademt hoorbaar door den neus, nerveus. Zijn gelaat geeft eerder den indruk brutaal-geestig, dan energiek te zijn. Hij zakt eenigszins in de knieën door, wat hem iets slaps geeft en daar zijn borst invalt, zijn hoofd echter, als de kop van een arend voorover, naar het doek buigt vertoont de geheele gestalte van de voetzolen tot de kruin een S-vorm. De eenigste beweging die hij maakt is, met zijn rechterhand zijn penseel over het doek heen en weer strijken, dàn met een vlugge beweging wat verf van zijn palet in de linkerhand nemen, om daarna dezelfde schilderende beweging te herhalen.
      De stilte. Een fijne blauwe nevel van tabaksrook. Af en toe een regenvlaag tegen de ramen; af en toe pletst een regendrop op den schouder van het meisje.)
      Zij maakt ’n beweging van opstaan.
      A d o n i s: Hè... wat nou... ?
      ’t  M o d e l: ... ’t Is al twintig minuten... geloof ik...... En ’t......
      A d o n i s: (maakt een wrevelig gebaar met zijn penseel.) Blijf zitten... (kijkt op zijn horloge. Liegt: ’t Is nog geen twintig minuten... haal geen gekheid uit... ’k kàn er nou niet af... ònmogelijk... blijf zitten... (stampt) zitten! (model zucht; gaat weer in dezelfde houding zitten).
      De stilte......
      (Doet eenige heftige streken, die als slagen op het schilderdoek neerkomen. Met op elkaar geklemde tanden.)
      dáár...... dáár......dáár......
      (Daarna loopt hij eenige passen achteruit, met ’t hoofd schuin naar links nu eens de schilderij, dàn het model beschouwend. In één sprong is hij weder voor het doek. Doet eenige teedere streken als streelde hij het linnen. Hij glimlacht.)
      A d o n i s: (zoet.) Wat ... e... zei je?
      ’t  M e i s j e: (Zucht.) O... hm... niets.
      Weer de stilte......
      (Adonis maakt naar de schilderij een knikkend gebaar met het hoofd, alsof hij met iemand — alleen voor hèm zichtbaar — instemt.
      Het meisje maakt van het goede oogenblik gebruik om iets achteruit te schikken, teneinde buiten de lekkage te komen. Er is al een heel plasje nabij den stoel.
      Er wordt op de deur geklopt. Adonis wordt hierdoor uit het schilderen gewekt. Rimpelt het voorhoofd en kijkt verwonderd in de richting van het kamerscherm, waarachter de deur is. Nog eens geklop, zachter dan den eersten keer.Adonis steekt zijn penseelen in het duimgat van het palet, dan bukkend om het op een laag tabouretje neer te leggen roept hij met een beetje kwaadheid in de stem: Ja... a... Ja... a... (loopt naar de deur).
      (Deze beweging veroorzaakt meerdere bewegingen. Het model maakt hiervan gebruik om de „pauze” te nemen. Stapt van de stellage af, gaat naar de kast. Komt er een oogenblik later uit in een langen, blauwen regenmantel, een boek in de hand. Gaat naar den divan, waar zij in een gemakkelijke houding gaat zitten lezen.
      St e m: (achter het scherm) Stoor ik je?
      S t e m  v a n  A d o n i s: Hm... ’k heb model... maar... e...
      S t e m: (valt vlug in) Nou, ik wil je ’t niet lastig maken... zie, ik had... je alleen maar te zeggen dat ik niet meer...
      A d o n i s’  s t e m: Nou, kom binnen...
      (Wat eerst alleen stem was achter het kamerscherm, doemt nu in den nevel van het schildersatelier op, als de gestalte van een breedborstigen, lenigen jongen kerel. Aan zijn eenvoudige kleeding, de hoed in de oogen, de dunne snor naar omlaag hangend, zou men eer een werkman dan een kunstenaar vermoeden. Doch de manier waarop hij z’n hoed achteloos op het tafeltje van het stil-leven gooit; het hooge, blanke, eenigszins naar buiten uitwelvende voorhoofd; de planting van het haar, de zeer diep liggende oogen, waarin een weemoedige zachtheid niet te miskennen valt; de fijne ingewikkelde sculptuur van de dicht aan het hoofd sluitende ooren, geven getuigenis van een intelligente en diepe ziel. Men moge de physionomie ook als wetenschap verwerpen, hare resultaten ontkennen, ieder gaat instinctmatig — want ook de dieren zijn zeer uitstekende physionomisten — volgens deze leer te werk en men zou aan dezen jongen man gezien hebben, dat het zwaartepunt aan zijn leven niet in de stof lag, maar in den geest; niet in het zinnelijke, maar in ’t geestelijke. Door het los neerwerpen van z’n hoed op het stil-leven-tafeltje valt een appel. Hij bukt. Een ader zelt op zijn voorhoofd. Met een gymnastische elasticiteit richt hij zich weer op. Hij is nerveus in zijn bewegingen, maar natuurlijk. Het meisje op den divan bespeurende, groet hij haar beleefd. In tegenstelling van zijn vriend Adonis, heeft Jorsa La Fara meer vastheid in de spierkrachtige beenen, die zijn goed gevormde slank lichaam met gemak dragen. Geheel een kamper tegen innerlijke zwakheden en de oude kwalen eigen aan zijn ras. Een die niet eer rust voor hij zegeviert over de stof. Iemand, die terwille van dit ideaal honger en dorst verduurt,den regen niet voelt, noch de rukwinden,om zijn huis hoort. Voor wien het al even is te slapen op den houten grond, die zijn hartklop weerkaatst of in een veeren bed. Voor zóo een is de wereld één lange hindernisbaan, hier kloven in den grond, dàar puinhoopen op den weg, iets verder weer doornen en prikkeldraad. Doch hij springt en klautert, schramt zich aan dit, verwondt zich aan dàt; doch hij rent en draaft, valt en staat weer op tot hij alle hindernissen achter zich heeft en staat in de vrije ruimte en het licht waar hij kan rusten op den troon van het zuivere Leven.)
      J o r s a  L a  F a r a: (Terwijl hij den appel weder voorzichtig in de stil-leven-compositie op ’t tafeltje schikt) Lag hij zoo... zoo?
      A d o n i s: ( kijkt er naar met halftoegeknepen oogen) Iets meer naar voren... het róod meer naar voren... nóg meer... ja... ja... zoo... (hij gaat naar het venster, haalt tabak en vloei uit zijn zak, waarvan hij in een oogenblik ’n sigaret rolt, die hij aansteekt; leunend tegen het kozijn.)
      Nou, wat had je nou te zeggen?...
      J o r s a: Ik kwam je alleen maar zeggen... dat ’t Woensdag de laatste keer is geweest...... dat ik op

die avondjes kom (op het verwonderde gelaat van Adonis)... ja niet om jou natuurlijk, noch om iemand ......persoonlijk...... maar... e... de... (trommelt met zijn vingers in de lucht) de sfeer... Ik kan in die sfeer niet meer ademen, daarom blijf ik voortaan wèg.
      A d o n i s: (zucht. Haalt den sigarettenrook in en terwijl hij dien weer uitpoeft) Ik be... begrijp je in den laatsten tijd niet meer... (trek nu den rechter, dan den linkerschouder op) je bent zoo vreemd...... zoo... ik weet het niet......
      (Hij loopt naar z’n schilderij en steeds deze beschouwend met halftoegeknepen oogen, maakt hij met den duim van de rechterhand eene vlugge schilderbeweging.)
      J o r s a: (Eenigszins komisch) Vind je... ?
      A d o n i s: (Staart in zijn werk: lijzig) Ja... je... dwaalt... zoo... af. Je bènt... kunstenaar... schilder... dat bewees me dat... laatste ding... kom... hoe heet... 't e... ook... weer..., o... ja... dat boerinnetje in de zon... pittoresk... (naar Jorsa) Daar moet je een... gouden lijst voor koopen... schitterend... brillant...
      J o r s a: (Was gaan zitten, doch staat plotseling op met een ruk. Om zijn gemoedsbeweging te verontschuldigen:) ’t Is hier kil... (loopt met groote stappen het atelier heen en weer, van het naaktfiguur van Ingres naar het naaktfiguur van Courbet. Blijft dan plotseling voor het meisje, dat op den divan met het boek in de hand is ingeslapen, staan. Gaat dan naar de kachel, doet er behoedzaam kolen op. Gaat dan naar den schildersezel. Beschouwt de schilderij van Adonis.)
      A d o n i s: ( Is hem in al zijn bewegingen met de oogen gevolgd, zonder te begrijpen, kort en droog). Nou?
      J o r s a: (na eenig aarzelen) Tja... mooi...... het vleesch... de stóf... is goed weergegeven... levend. De borst is goed,... de borst leeft... maar ik zie niet àchter de borst... achter die borst woont de mensch... die blijft voor mij verborgen... diè is niet geschilderd ...... In elk plekje zie ik joú... den „artist”,... maar ... deze wereld heeft andere verlangens... diepere...
      (Door deze opmerkingen is de elementaire stilte, die zich aan het atelier en de dingen mededeelde verbroken. De rook is opgetrokken. De dingen zijn hard en tastbaar geworden. Het meisje snorkt. De kachel staat gloeiend als een ondergaande zon. De eerste botsing tusschen de twee differente gedachtenwerelden der vrienden heeft plaats gehad.)
      A d o n i s: (met klem en overtuiging) De schoonheid, bevredigt alle verlangens!...
      J o r s a: (als verwachtte hij dit)... zelfs de meest bloeddorstige... Zoodra zij een zekere hoogte,... haar grens, overschrijdt... zooals tegenwoordig... wordt zij misdadig.
      A d o n i s: Wat hindert dat? Zijn wij... kunstenaars verantwoording schuldig voor de uitwerking van onze werken op de toeschouwers? En dan...... is schoonheid soms niet grenzenloos?......
      J o r s a: Je moet je kunst en kunstenaarsschap kunnen verantwoorden aan je diepste zelf... ik bedoel aan den Mensch......
      A d o n i s: (valt in) Ik ben er alleen voor verantwoordelijk... dat mijn werk „kunst” is...... echte, persoonlijke kunst... de rest... waar die kunst vandaan komt... wat kan mij dan schelen?
      J o r s a: (met verheffing van stem). En voor wie... is die „persoonlijke kunst”... wie zul je daarmee voeden?... (met nog meer stem-verheffing) Mènschen nooit... ten minste... ik bedoel: wanneer ze haar oorsprong niet heeft in het menschelijke, in het geestelijke...
      (Het boek valt uit de hand van het slapende meisje, wat een kletsend geluid veroorzaakt.)
      Pauze. De vrienden zien in die richting.
      J o r s a: (met vuur) omdat je uitgangspunt was de kunstenaar, zal alleen jij zelf... of nog enkele gelijk aan je zelf... die kunst ondergaan...
      A d o n i s: (ijzig kalm) Daar heb ik allemaal maling aan... maling, ik schilder wanneer ik er lust in heb... wanneer ik getroffen wordt door iets moois... Verder denk ik niet...
      J o r s a: (bekoeld) Ik geloof eens gelezen te hebben dat „mensch” beteekent „ik denk”...... welnu... je kunt dan zelf nagaan in hoeverre je „mensch” bent. Als je zoo eeuwig vast blijft zitten aan dat kunstenaarschap... beperk je... je... wezen... en je zult nooit onbeperkte kunst maken... nooit!
      A d o n i s: (alsof hij het nu eindelijk gevonden heeft) Ik heb alleen verantwoording af te leggen aan mijn oogen. Het gezicht is de bemiddelaar tusschen mijn diepste wezen, mijn ziel, en de wereld...
      J o r s a: En dat diepste wezen... e... je... ziel?
      A d o n i s: (weifelend) mijn ziel... m’ ziel... e......
      J o r s a: (vult aan)... is de bemiddelaarster tusschen God en mensch — de verantwoording voor je ziel is dieper... oneindig dieper, dat is... het geweten-zelf... dan de verantwoording voor je zintuigen (vast en met vuur) Ga de kunst na van de Catacombisten tot aan de modernen... nergens... bijna nergens tref je die diepe verantwoording aan. Nà het Grieksche gevoelsleven en de Grieksche kunst — bestaande uit ideale droomschoonheid, dierlijke kracht en heerschappij — bleek het uitdrukken van het diepste wezen van den mensch, mogelijk door het woord... dat heeft die Timmerman uit Nazareth bewezen... Bleek het toen niet zonneklaar, dat de menschheid aan iets geheel anders behoefte had, dan aan schoonheid? Welnu, wanneer het uitdrukken van de menschelijke ziel, mogelijk is door het woord, door gelijkenissen, alzoo door: vorm, dan is het uitdrukken van dat diepste wezen ook mogelijk door... middel... versta mij wel... door middel van een anderen vorm...
      A d o n i s: En... ne... hebben de kunstenaars na dien... na Christus... dan niet de menschelijke ziel... zijn diepste wezen, uitgedrukt?
      J o r s a: (gebaar naar buiten). Zie de wereld! Zie de menschen, lees het van de gezichten (kalm.) De ziel is als zoovele vaten naast elkander, vaten met verschillenden inhoud: allerhande gevoelens, goede naast slechte. In het eene vat: wraak; in het andere haat, vernielzucht, bloeddorst... het roode vat; in weer een ander liefde; in weer een hartstocht; in nog een schoonheid. De kunstenaar is een hoogst gevoelige mensch... scheppende mensch... het ligt er nu maar aan uit welk vat hij schept... meestal uit dàt vat ’t welk het volst is... Hij schept. Schept hij uit het vat der wraak b.v. zooals Michel Angelo... zijn werk zal roepen „Wraak”... schept hij uit ’t roode vat... zijn werk zal roepen: „Bloed!”... En daarna zal de wereld die dat werk ondergaat roepen: „Wraak!” of „Bloed”! Zijn de vaten uit elkaar gevallen...... dan vloeien de gevoelens door elkaar... drijft op dit gevoelsmengsel de schoonheid boven, dan noemen de kunstenaars al wat zij uit dit mengsel scheppen: Schoonheid!...
      Pauze. — —
      (Plotseling, beslist) Neen. De menschelijke ziel is nooit — of hoogst zelden — gelouterd door den geest in beeld gebracht! Ga alle werken van voorheen na... zelfs na het Christendom... je vindt er niet de menschelijke ziel, maar de dierlijke. Drie kwart van het kunstgeheel is gewijd aan het zwaard. De hemel van Rafaël is bezaaid met dolken en zwaarden!...... (wijst naar Adonis: met brandend vuur). Op jou basis van schoonheid groeien vergiftigde gewassen welig op, en de menschheid plukt ze en vergiftigt zich. Op jou basis... in naam der schoonheid gebeuren de dierlijkste gruwelen. In naam van jou Godin: de schoonheid worden de dierlijkste botsingen... het koelbloedigst moorden, als iets natuurlijks... als iets prachtigs uitgekreten!
      Dat heet dan heldenmoed, dat heet dan doodsverachting, of koelheid — — — —
      Zelfs dat onnoozele meisje dààr (wijst naar den divan, waar het meisje slapend ligt) dat hij voor je fictie van schoonheid in de onnatuurlijkste houding wringt en afmat des noods in de kou, als het jou wil is... jou schoonheids-begeeren, desnoods in den regen als jij... de kunstenaar, dat noodig hebt, wordt geëxploiteerd in naam van de schoonheid; zooals er duizenden en duizenden menschen in dienzelfden naam geëxploiteerd zijn vanaf den tijd der Pyramiden tot op heden... Een gruwel! Een schandelijke gruwel! ...
      (Jorsa La Fara loopt met groote stappen in het atelier heen en weer: blijft plotseling voor Adonis — die geheel van kleur verschoten, de knieën opgetrokken met de armen er omheen geslagen op de schildertabouret zit — staan. De vrienden kijken elkaar aan, doch zonder elkaar te zien. Ieder is in zijn eigen binnenwereld verzonken.)

(Wordt vervolgd).

Overige vindplaatsen[bewerken]

  • Els Hoek (redactie; 2000) Theo van Doesburg. Oeuvrecatalogus, Bussum: Uitgeverij Thot, ISBN 90-6868-255-5, pp. 599-601.