Theo van Doesburg/Rondblik/5

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Rondblik
Auteur(s) [Theo van Doesburg]
Datum Februari 1920
Titel Rondblik
Tijdschrift De Stijl
Jg, nr, pg 3, 4, 24-28 [eigenlijk 36-40]
Brontaal Nederlands
Bron Digital Dada Library
Auteursrecht Publiek domein

RONDBLIK.

SPANJE. — De dichter Salvat Papasseit, leider van de avantgarde in Catalonië, van wien wij in No. 2 een bundel synthetische verzen: Poèmes en Ondes Hertzianes, aankondigen, verzocht ons zijn instemming te publiceeren met het Stijl-manifest I en wel in ’t bizonder met de punten 3, 4 en 7. Deze adhesie wordt begeleid door een groot vertrouwen is ons beeldend streven.
   In de nieuwe revue der Spaansche avantgarde „L’Instant” zal hierop, mede door overname van in De Stijl gepubliceerde werken, den aandacht worden gevestigd.
BELGIË. — In No. 2 van „L’art Libre” (Redacteur Paul Colin, Brussel) publiceert Maurice Raynal, de sympathieke schrijver over het cubisme, van wien wij ook met instemming „Quelques Intentions du Cubisme” (uitgave. Galerie „L’Effort Moderne” Paris) lazen, de inleiding tot het werk van Alex. Archipenko, die op ’t oogenblik op verschillende plaatsen zijn werken laat zien. In deze inleiding trof ons in ’t bizonder een gedeelte,

24 [eigenlijk 36]


[p. 25:]

waarin wij eenige kardinale denkbeelden — reeds meermalen in „De Stijl” ontwikkeld, — samengevat vonden. Zij betreffen de beteekenis van het getal in de nieuwe kunstuitdrukking „à travers le cubisme”.
„L’éternelle vérité de St.-Augustin „Le nombre est tout dans l’art” devait se rajeunir au contact de l’esprit moderne, je j’ai montré maintes fois, combien, en dépit de certaines oppositions, le principe de l’équivalence concordait avec les philosophies les plus poétiques et les mathématiques les plus merveilleuses....”
„En définitive le nombre est toujours à la base de l’art et la tradition est respectée.”
In een vorig nummer van L’Art Libre” (1e Jaarg. No. 19) troffen wij in een artikel van denzelfden schrijver op blz. 216 eenige heldere opmerkingen over de 4e dimensie en hare beteekenis voor de nieuwe vormgeving aan. Maurice Raynal resumeert: L’espace ne se mesure pas plus que le temps; au continu mathématiques s’opposera un continu plastique. Etonné de certaines inventions modernes, le peuple dit très bien: il n’y a plus d’espace ni de temps. Il serait plus juste encore de dire que les deux idées de temps et de l’espace n’ont pas plus de valeurs fixes que la monnaie. Les concepts d’intensité et de multiplicité numériques suivant lesquels nous pensons la vie psychologique sont nécessairement imparfaits et insuffisants. Nous en avons la preuve dans l’art dit psychologique, qui ne devrait être qu’une partie de l’art, et notamment de la prétention à la psychologie de certaines formes de la peinture.”

ZWITSERLAND. — In het tijdschrift „Dada 21) treffen wij, naar aanleiding van Pierre Reverdy’s roman „Le Voleur De Talan” eenige denkbeelden aan, die een kijk geven op hun opvattingen van de renaissance en het barok: „Depuis la Renaissance l’art fut: l’anecdote comme centre, comme principe; c’est-à-dire histoire racontée au richard pour éveiller en lui un „sentiment”; 64% de pitié, le reste: humilité etc. + l’oubli d’un instant incommode où l’on a fait une bonnen affaire. La moitié des écrivains sait cela et en profite, l’autre moitié tente encore à chauffer l’oeuf de l’anecdote pour en faire de l’art—elle spécule sur la courte tradition de quelques siècles. Mais elle sert le même ventre, qu’elle n’a pas désiré ni prévu.
La Renaissance fut l’âge infernal du cynique; elle fut pour l’art un bordel: l’anecdote et le charme partagèrent son domaine. L’illusion devint le but, et l’homme voulait surpasser Dieu. Mais les problèmes et la vie mouvementée l’ont fait intéressante et malheureusement productive.
Nous voulons continuer la tradition de l’art nègre, égyptien, byzantin, gothique, et détruire en nous l’atavique sensibilité qui nous reste de la détéstable époque qui suivit le quatrocento”.
Over het essentieele van het kunstwerk wordt in het volgende een samenvatting gegeven: „Ce que je nomme „cosmique” est un qualité essentielle à un oeuvre d’art. Parce qu’elle implique l’ordre qui est condition nélcessaire à la vie de tout organisme. Les éléments multiples, divers et éloignés sont (plus ou moins intensément) concentrés dans l’oeuvre; l’artiste les cueille, les choisit, les range, en fait une construction ou une composition.
——————
1) Dada est l’enseigne de l’abstraction (Tr. Tzara).

25 [eigenlijk 37]


[p. 26:]

L’ordre est la représentation d’une unité régie par les facultés, universelles, la sobriété, la pureté de la précision.”

DUITSCHLAND. — Max Krell bericht ons dat de uitgever Ernst Rowohlt in Berlijn een nieuw tijdschrift voorbereidt, dat dezelfde bedoeling als „De Stijl” heeft.
In de door Kasimir Edschmidt uitgegeven editie „Tribüne der Kunst und Zeit” zal tegelijk met de manifesten van Rolland, Barbusse, Shaw, Heinrich Mann, Edschmid, R. Tagore enz., welke eveneens de geestelijke veralgemeening in Leven en Kunst tot grondslag hebben, het Stijlmanifest, gedocumenteerd worden opgenomen.
Waar de gezindheid in geheel Europa zoo op geestelijke veralgemeening gericht is moet het de voortdurende toewijding van alle scheppenden zijn het individualistische (vorm) in de kunstuiting te vernietigen om zoodoende de verwezenlijking van een monumentale gemeenschapsstijl mogelijk te maken.

Uechtgruppe. — Onden dezen naam hebben zich in Stuttgart een groep ernstige werkers verzameld. Naast veel zoekers in Expressionistische richting zijn er ook eenige schilders als E. Kinzinger en H. Spiegel, die door het cubisme tot een meer rustige en evenwichtige kunstuiting trachten te komen. Cultureel dus van meer belang dan het tot mode en verwildering ontaarde: Expressionismus.
Van hun inzichten, voor in de tentoonstellingscatalogus afgedrukt, citeeren wij met instemming het volgende, hetgeen blijk geeft, dat het bewustzijn betreffende het doel der elkâar kruisende richtingen ook in Duitschland begint te ontwaken:
„Es ist klar, dass Freiheit um so grösser ist, je mehr nicht nur Gefühl vorliegt, sondern auch die Forderungen von Tat und Gedanke befriedigt werden. Umfasst das Gefühl diese Forderungen und wird solche Vereinigung zu stärkestem Erleben und Leben und die Schale menschlichen Inhalts, so ist Demut mit Beherrschung verbunden, Das ist das spezifische Gefühl der Friedländerschen „Schöpferischen Indifferenz”, ja vielleicht das Wesen tiefster Verinnerlichung, Laotses, Buddhas und Christi. Es ist ein Gefühl der Vollkommenheit und in Gegensatz zu Taten und Gedanken, die relativ sind, sind reine künstlerischen Uebersetzungen absolut: die Kunst erlöst”.
Deze synthese der absolute schilderkunst lijkt ons belangrijk, omdat zij zoowel voor het moderne leven als voor de moderne kunst in al hare uitingsvormen van toepassing is.

Junge Berliner Kunst. — Het doorbladeren van zoo’n album als „Junge Berliner Kunst” versterkt de overtuiging, dat het waarlijk nieuwe het resultaat is van innerlijke cultuur, d.i. van gediciplineerde zelfbepaling. Slechts een berijpt levensgevoel, een zuiver inzicht betreffende alle dualiteit maakt de nieuwe kunstconceptie mogelijk,
Al dergelijke quasi-genialiteit, gevolg van het toegeven aan onbewuste gevoelsimpulsies, moet onderdrukt worden. De kunstwaarde en de cultureele beteekenis der kunst wordt niet bepaald door het gevoel — dat is er altijd nog te veel — maar door de geaardheid van het gevoel en naarmate het gevoel beheerscht wordt, zal het zich verdiepen en worden omgezet in geestelijke activiteit. Welnu — deze „Junge Berliner Kunst” toont daarvan niets. Dit werk — evenals ’t meeste „expressionistische” — is onstuimig en daardoor speculatief. Het toont hoogstens het verlangen om boven de impressionistische ziening uit te komen —

26 [eigenlijk 38]


[p. 27:]

wat door gemis aam klaarder inzicht van het algemeene in het bizondere niet steeds gelukt. Het kan zijn dat deze heel en half expressionistische uitingen jong zijn voor Berlijn, tegenover het reeds meer doorbrekende nieuwe streven zijn zij verouderd en hebben slechts waarde ten opzichte van archaistische academismen.
Dat de minderwaarde van het Expressionisme tegenover het cubisme door enkele Duitschers wordt gezien, bewijst het volgende fragment, uit de zeer interessante artikelen van Adolf Knoblauch, „Aus den Briefen an einen Kubisten” in het tijdschrift „1919, Neue Blätter für Kunst und Dichtung”.
„Jeder Expressionist sucht die wahre Freiheit der Kunst inmitten unserer ungeheuren Bedingnis und er kann auch nicht davon lassen. Dasz die Deutschen das so dumm titanisch anfangen, zeugt von unverdauter Klassik und schlechtem Geschmack. Selbst Marc ist oft grob und beschränkt, nur einige wenige Tierbilder halten der Prüfung stand, es rächt sich an uns, dasz wir immer nur Ideen malen und uns fälschlich einbilden, das wir die Materie schon geschwängert haben. Die Wunder der neuen Schöpfung sind in ganz Europa geschehen, aber, nur in den Ländern wirken sie gesetzbildend, wo is die Stufe des Impressionismus gegeben hat. Diese ist in Deutschland nicht vorhanden! Es ist ein Fehler, gewisse deutsche Maler als Impressionistisch zu stempeln, die es niet gewesen sind und auszerdem als zweiten Ranges betrachtet werden müssen, Naturalisten haben wir einen erschrecklichen Haufen gehabt, wer denkt nicht mit Schrecken an Slevogt und Liebermann, die auch glücklich nationale Halbgötter geworden sind. Gegen diese Halbnaturen sind Böcklin, Marées oder Feuerbach wahre schöpferische Frische, in ihren Adern ist zeugerisches Blut und nie hat sich deutsche Kunst seliger offenbart. Ihre Predigt gilt es zu verteidigen, wenn es um deutsche Kunst gilt. Alles andere bis auf diesen Zeiten ist wenig erfreulich. Von der Sittlichkeit deutscher Kunst ist für die Heutigen nur die Organosationswut übergeblieben. Und die ist Sache jeden Schlemihls. Was Wunder, wenn ich dem von ihnen entworfenen Bilde unsere Kunstkultur diese traurige Wahrheit entnehme. Einsichtslosigkeit über unsere wahren Aufgaben. Unfähigkeit, die eigenen und nationalen Grenzen unserer Begabungen zu erkennen. Verblendung über den eigentlichen Sinn und Wert unserer künstlerischen Groszbetriebes”.

„Die Drei Guten Geister Frankreichs” door Iwan Goll (Erich Reiss Verlag, Berlin) is een goed boek en die zich verfrisschen wil moet het lezen. Het is een boek met de vuist geschreven. Eén verzet tegen de materialistisch-individualistische samenleving, waarin geen eenheid in leven en levensuitdrukking (kunst) mogelijk is.
De drie goede geesten van Frankrijk: Diderot—Cézanne—Mallarmé. Elk in zijn kultureele sfeer gevat. Iwan Goll leutert niet. Voert ons in ’t korte tempo van zijn woord naar de hoogvlakte van den geest. Van daar wil hij met u de voorpostengevechten van het nieuwe tijdsbesef overzien. „Und das oberste Gesetz aller Kunst wie allen Lebens ist die Einheit, die Harmonie.” (blz. 49). Maar geen enkele kunstvorm brengt hem nog, onverdeeld, deze opperste gestemdheid. In Cézanne. — „formalist” en „wetgever”, — voorvoelt hij een nieuwe beeldingsfuctie, gericht op omzetting van alle relarieve waarden in volstrekte eenheidswaarden. „Deuter der neuen Zeit, ein mathematischer, ein wissender Künstler.” Toch blijft Cézanne nog in de natuur steken. Dan — Picasso....? „Pablò

27 [eigenlijk 39]


[p. 27:]

Picasso und George Braque wissen eher welche Entsagungen die neue Religion fordert. Sie sind wie jene Heiligen des Mittelalters, die, nach den äuszeren, menschlichen Triumphen des Christentums, voll Ekel und Scham vor irdischer Ueberhebung, über das Gebet: die Demut, über die Liebe: die Hingabe setzen. Sie zogen wie Franz ihr letztes Hemd aus und gaben ihr letztes Brot hin, am eigenen Leib das Leiden der Dinge zu erfahren. Sie vernichteten die bisherige Formen, die mühsam errichteten Klöster, in denen von Farbsymbolik und perspektivischen Regeln gepredigt wurde....” Zij willen eeuwigheidswaarden aan het tijdelijke ontrukken, „das bittelnde Irdische” in „ewige Klarheit” omzetten. „Sie entkleideten sich ja ganz.” Maar ook zij komen aan de uitdrukking van het absolute niet toe: „Aber selbst der seine Generation in allem weit überflügelnde Picasso bewältigte noch nicht die restlose Pflicht der Gesetzte. Selbst er kam nicht zur allein seligmachenden Harmonie. Einheit fehlt auch ihm.”
Natuurlijk werkt intusschen de officieele kunstwerk verder aan starre wetgeving, zegt Iwan Goll terecht. Afdwalen is onmogelijk. Ook de mathematische dicipline is geen gevaar: „Die neue Kunst ist formal geworden, das bedeutet, sie bindet sich aüszerlich, um wirklich freier zu werden von der tyrannischen, bisher alles bannenden „Natur” (gespatieerd door ons. Red.). „Die französische Kunst hat wieder einmal für Europa die Bahnen gebrochen. Die Linie geht über Picasso weiter....” (Zeer juist! Kent Iwan Goll de werken van Piet Mondriaan niet? naar de Nieuwe Beelding, naar Stijl.

[...]

28 [eigenlijk 40]